Droit à déduction de la TVA en amont · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 17 avril 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de la TVA en amontTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-amont-tribunal-bruxelles-2008-04-17-2b65

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
17 avril 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

91 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 17.04.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK AN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste KAMER

AR 05/7530/A

- Fiscale Zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De C. D. S., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. J. loco Mtr. S. S., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. H.

In deze zaak, in beraad genomen op 19/03/08, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- het inleidende dagvaarding betekend op 16/06/2005;

- de conclusies en aanvullende conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 25/07/2005 en 22/01/2007;

- de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie op 21/09/2006;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 19/03/2008, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake de BTW-wetgeving.

Eiseres is BTW-plichtige voor haar activiteit als aan- en verkoper van tweedehandswagens en het herstellen van wagens.

Het is voor haar noodzakelijk een vervangwagen te kunnen aanbieden aan haar cliënten tijdens de duur van de herstelling. Dit wordt ook uitdrukkelijk in de contracten met het cliënteel vermeld. Deze vervangwagens worden aan de cliënten verhuurd voor de duur van de herstelling en de kosten m.b.t. de vervangwagen zijn meestal mee verrekend in het totale facturatiebedrag.

Om aan deze service te voldoen beschikte eisers over een aantal voertuigen. Zij kocht 10 voertuigen, en twee wagens werden gehuurd bij Volvo car.

De BTW m.b.t. deze aankoop- en huurcontracten werd door eiseres à rato van 100 % in aftrek gebracht van de door haar te betalen BTW.

De Fiscale Administratie meent echter dat deze BTW slechts ten belope van 50 % in aftrek kan worden gebracht, en stelde n.a.v. een controles een PV op.

Uit dit PV blijkt dat eiseres 28.065,91 € aan BTW verschuldigd was evenals een geldboete van 2.801,20 € en interesten.

Eiseres vordert thans de terugbetaling van een bedrag van 36.479,41 € (bestaande uit een hoofdsom van 28.065,91 €, een geldboete van 2.801,20 € en interesten ten bedrage van 5.612,30 €) meer wettelijke en gerechtelijke interesten.

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering strekt ertoe verweerster te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van 36.479,41 € (bestaande uit een hoofdsom van 28.065,91 €, een geldboete van 2.801,20 € en interesten ten bedrage van 5.612,30 €) meer wettelijke en gerechtelijke interesten.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. BEOORDELING

3.I. Ontvankelijkheid

De vordering van eiseres werd ingesteld bij dagvaarding betekend op 16/06/2005.

Gezien verweerster de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres niet betwist en er geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid zijn is de vordering ontvankelijk.

3.II. Gegrondheid

3.2.1. Het geschil betreft een discussie over de beperking van de aftrekbare BTW ten belope van 50 % en de toepassing van art. 45, § 2, 2° lid, a) W.BTW voor de kosten van het aanhouden van een vervangwagenpark dat dient om wagens ter beschikking te stellen aan het cliënteel.

De BTW-Administratie is van oordeel dat de uitzonderingsbepaling zoals voorzien in art. 45, § 2, 2° lid, a) W.BTW niet van toepassing is inzake omdat de verhuur van vervangwagens niet de specifieke economische activiteit is van eiseres.

Eiseres meent dat het standpunt van verweerster op een verkeerde interpretatie van art. 45, § 2, 2° lid W.BTW berust, en anderzijds ebt het aanbieden van vervangwagens aan haar cliënteel beschouwd dient te worden als een specifieke economische activiteit van verhuur zoals voorzien art. 45, § 2, 2° lid, a) W.BTW.

3.2.2. Art. 45, § 2 van het W.BTW bepaalt dat ...

"§ 2. Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing :

a) op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen :

…”

Als algemene regel stelt art. 45, § 1 W.BTW dat elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is de belasting in aftrek mag brengen die geheven is de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in de mate dat die goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Bij wijze van uitzondering bepaalt art. 45, § 2, lid 1 W.BTW dat de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 % van de betaalde belasting ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen.

Als uitzondering op de uitzondering stelt art. 45, § 2 lid 2, a W.BTW dat art. 45, § 2 lid 1 W.BTW niet van toepassing is "op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen".

Eiseres leidt hieruit terecht af dat de voorbelasting volledig aftrekbaar is met betrekking tot voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.

Uit art. 45, § 2, lid 2, a W.BTW kan bijgevolg niet worden afgeleid dat de volledige aftrek voor auto's bestemd voor verhuring enkel zou zijn voorbehouden voor verhuurondernemingen.

Ook ondernemingen waarvan de activiteit bestaat uit de verkoop van automobielen, zoals dat het geval is voor eiseres, komen derhalve in aanmerking voor de volledige aftrek van BTW op de wagens die door hen worden verhuurd (zie Rb. Brussel 10 januari 2003, AR 02/6102/A, inzake Autonijverheid De Smet NV tegen B.S. en Rb. Gent 7 juni 2001, Fiscoloog, 2002, nr. 836, blz. 7).

De wet gebruikt twee keer de term of hetgeen inhoudt dat het om twee alternatieven gaat die onderling verwisselbaar zijn (zie Rb. Gent 7 juni 2001, Fiscoloog, 2002, nr. 836, blz. 7.).

Daarbij dient de 'uitzondering op de uitzondering' (die terug te vinden is in art. 45, § 2, lid 2 W.BTW) ruim te worden geïnterpreteerd.

Daarnaast stelt zich de vraag of eiseres een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.

De Fiscus stelt dat daaronder enkel vervoerondernemingen stricto sensu worden verstaan, en dat eiseres niet kan beschouwd worden als verhuuronderneming stricto sensu omdat ze naar buitenuit niet gekend is als verhuurder van auto's. Ze biedt immers baar diensten niet als zodanig aan het publiek in het algemeen dat ieder die een personenwagen wil huren bij haar terecht kan, maar enkel aan haar cliënteel tijdens de duur van een herstelling.

Uitzonderingen op de neutraliteit van het BTW-stelsel moeten strikt worden geïnterpreteerd; terwijl beperkingen op uitzonderingen ruim dienen te worden toegepast (H.v.J., zaak C-346/95, 12 februari 1998 inzake Blasi/Finanzamt).

Art. 45, § 2, a) W.BTW bepaalt dat de belastingplichtige die "een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen" niet onder de aftrekbeperking tot 50 % valt.

Hieruit leidt de rechtbank af er op de eerste plaats van een BTW-belastingplichtige sprake dient te zijn.

Eiseres is BTW-belastingplichtige, hierover bestaat geen enkele betwisting. Eiseres heeft ook een specifieke economische activiteit. Deze activiteit vinden we terug bij de activiteiten van eiseres zoals deze werden omschreven bij de aanvraag tot inschrijving in het handelsregister destijds. Hieromtrent worden echter geen stukken medegedeeld.

Nu het niet betwist wordt dat eiseres een herstellings- en carrosseriebedrijf is spreekt het echter voor zich dat een hedendaags carrosseriebedrijf vandaag de dag vervangwagens aan zijn cliënten moet kunnen aanbieden gedurende de duur van de herstelling.

De verhuuractiviteit wordt ook bevestigd door de bijgebrachte stukken (stukken 8a en 8b).

De wet vereist niet dat de verhuur de exclusieve activiteit is van de belastingplichtige.

Het is volgens de rechtbank m.a.w. perfect mogelijk dat de verhuur een aanvullende activiteit bij de hoofdactiviteit van de belastingplichtige is.

De zienswijze van de Fiscale Administratie dat niet iedereen bij eiseres een voertuig kan huren kan niet worden bijgetreden. De verhuuractiviteit verliest haar karakter van beroepswerkzaamheid, van specifieke economische activiteit in de zin van het W.BTW niet omdat zij slechts gericht is op een bepaald segment van de markt of op een bepaald deel van het cliënteel (Antwerpen 9 december 1996, R. W., 1997-1998, 441; zie ook Rb. Antwerpen 11 april 2002, Fisc. Koerier, 2002, 472).

Voormelde bepaling op een dergelijke manier interpreteren staat gelijk met een voorwaarde toevoegen die niet in de wet voorzien is.

Volgens hel Hof van Cassatie wordt met een specifieke activiteit die bestaat in de verhuur van autovoertuigen bedoeld : "een naar het publiek gerichte niet­toevallige activiteit van verhuur van voertuigen waarbij niet vereist is dat die activiteit de enige of belangrijkste activiteit zou zijn, noch dat het aanbod zou gedaan worden aan een onbegrensde clientèle'' (Cassatie 19 januari 2007, T.F.R., nr. 323, blz. 497 met noot L. Agache).

De activiteit moet dus naar het publiek gericht zijn, maar daarbij is niet vereist dat het aanbod wordt gedaan aan een onbegrensde clientèle.

Een garagehouder die de huur van vervangwagens aanbiedt aan klanten die hun eigen wagen binnenbrengen voor onderhoud of herstelling richt zich tot het publiek.

Eiseres heeft dan ook terecht de volledige voorbelasting in aftrek gebracht die betrekking heeft op de aankoop, huur en herstellingskosten van de vervangwagens.

De door verweerster opgelegde boete werd zodoende ook onterecht opgelegd.

De vordering van eiseres is bijgevolg gegrond.

WAARDE VAN DE VORDERING EN GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

De waarde van de vordering situeert zich volgens partijen tussen de € 40.000,01 en € 60.000.

Zij verklaren ter zitting tevens elk het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding te vorderen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,

Veroordeelt verweerster tot terugbetaling aan eiseres van 28.065,91 € (BTW in hoofdsom) + 2.801,20 € (boete) + 5.612,30 € (interesten) meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling tot de dag van volledige terugbetaling;

Veroordeelt verweerster tot betaling van de gedingkosten, begroot op € 2500 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 17 april 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., alleenrechtsprekend rechter

Mevrouw I. K., afgevaardigd adjunct-griffier.

I. K. M. L.

Textes cités

1