Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 1er décembre 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-louvain-2006-12-01-05a8

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
1er décembre 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

56 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 01.12.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, 12de KAMER, SPREEKT HET VOLGENDE VONNIS UIT :

Vonnis : 01 december 2006.

Eindvonnis.

Rolnummer : 00/2364/A

In de zaak van :

N. NV, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, met ondernemingsnummer …

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester D. R. S. loco meester V. A., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW Controlecentrum Leuven, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door meester B. W., advocaat te …, ….

I. PROCEDURE

De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 3 november 2006 in beraad werd genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- de dagvaarding op 23 oktober 2000 betekend door F. D., gerechtsdeurwaarder te Leuven;

- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 3 november 2006.

ll. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

Eiseres kocht in 1995 drie voertuigen Voyager Chrysler Crew Cab. Zij huurde ook een dergelijk voertuig.

Eiseres trok 100 % van de voor deze voertuigen betaalde BTW af.

Op 24 november 1999 stelde de BTW-controle Leuven een proces-verbaal op. Hierin wordt gesteld dat de Voyager Chrysler Crew Cab geen lichte vrachtwagen is zodat de betaalde BTW slechts voor 50 % kan worden afgetrokken. Er dient 686.178 BEF (thans 17.009,91 euro) afgetrokken BTW te worden teruggestort.

Deze wagens werden ter beschikking gesteld van personeelsleden. Dit voordeel van alle aard voor deze personeelsleden is voor de BTW-plichtige een uitgave waarop BTW verschuldigd is. Hiervoor moet 40.470 BEF (thans 1.003,23 euro) BTW betaald worden.

Tevens is een boete verschuldigd van 10 % of 72.000 BEF (thans 1.784,83 euro).

Eiseres betaalde deze BTW, boete + intresten op 11 januari 2000, hetzij in het totaal 938.040 BEF (thans 23.253,4 euro).

In de dagvaarding vorderde eiseres terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met de ''wettelijke intresten" vanaf datum dagvaarding.

In conclusie heeft eiseres haar vordering herleid. Zij vraagt enkel nog terugbetaling van de boete 72.000 BEF (thans 1.784,83 euro), BTW die in het proces-verbaal per vergissing twee maal werd aangerekend, hetzij 1.016,96 euro en de intresten betaald op dit bedrag (195,25 euro).

III. BEOORDELING

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.

2. Verweerster betwist niet dat een bedrag van 1.016,96 euro inderdaad twee maal werd aangerekend. Dit bedrag + de op dit bedrag betaalde intresten moet worden terugbetaald. Aldus dient te worden terugbetaald 1.016,96 + 195,25 = 1.212,21 euro.

3. De Voyager Chrysler Crew Cab werd gedurende een bepaalde periode door het Ministerie van Verkeer beschouwd als een lichte vrachtwagen en kon als lichte vrachtwagen worden ingeschreven.

Hierdoor, en door de door de invoerder van Chrysler gemaakte publiciteit waarin verwezen wordt naar de fiscale voordelen van deze wagen als bedrijfswagen, kon eiseres te goeder trouw menen dat dit voertuig als een lichte vrachtwagen diende beschouwd te worden. De boete voor het feit dat eiseres de BTW volledig in aftrek nam kan dan ook worden kwijtgescholden (Brussel, 27 januari 2005, F.J.F. 2005/196).

Deze BTW bedroeg 686.178 BEF. De boete hierop was 10 % of 68.618 BEF, afgerond 68.000 BEF (thans 1.685,68 euro).

4. Dit argument gaat echter niet op voor de boete op de BTW op het voordeel van alle aard. Eiseres voert geen enkel argument aan waarom deze boete zou moeten worden kwijtgescholden.

5. In het totaal dient verweerster terug te betalen 1.212,21 euro + 1.685,68 euro = 2.897,89 euro

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering is ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

De rechtbank veroordeelt verweerster om te betalen TWEEDUIZEND ACHTHONDERDZEVENENNEGENTIG EURO NEGENENTACHTIG CENT (2.897,89 euro), te vermeerderen met de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 23 oktober 2000 en de gerechtelijke intrest.

De rechtbank wijst al het anders of meergevorderde als ongegrond af.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot negen tiende en verweerster tot één tiende van de kosten en stelt deze als volgt vast :

- voor eisende partij : 91,03 euro (dagvaarding) + 364,41 euro (rechtsplegingsvergoeding)

- voor verwerende partij : 364,41 euro (rechtplegingsvergoeding).

Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op vrijdag 01 december 2006.

De rechtbank bestond uit :

De heer L. W., rechter, dienstdoende voorzitter.

Mevrouw K. G., rechter.

De heer A. G., gerechtelijk stagiair, plaatsvervangend rechter, in toepassing van artikel 259 acties paragraaf 6 laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Mevrouw J. C., griffier.

J. C. A. G. K. G. L. W.