Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 17 janvier 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2012-01-17-828a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
17 janvier 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

48 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 17.01.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak nr. 10/2348/A Rep. nr. 2012/630

Mevrouw V. N., wonende te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,

eiseres,

die niet verschenen is bij de behandeling van de zaak.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor BRUGGE, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt de heer V. L..

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 6.08.2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 20.12.2011.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE …, ingevolge haar activiteit van adviesbureau op het gebied van bedrijfsbeheer en de bedrijfsvoering. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 14.06.2010 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 19.07.2010 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat per aangetekend schrijven van 23.07.2010 aan eiseres werd ter kennis gegeven.

Op 6.08.2010 heeft eiseres een verzoekschrift neergelegd bij deze rechtbank.

2.2. Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard. Tenslotte vraagt zij nog dat verweerder wordt veroordeeld tot de gerechtskosten.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

3.1. Nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. Nopens de grond

3.2.1. Op grond van het opgestelde proces-verbaal blijkt dat de ambtenaren hun controle per aangetekend schrijven aan eiseres hebben aangekondigd en dat op voormeld tijdstip die controle niet kon doorgaan omdat niemand de deur opende.

Verder blijkt uit het fiscaal dossier dat de door verweerder gevraagde boekhouding niet werd voorgelegd en dat eiseres zich stelselmatig tracht te onttrekken aan haar fiscale verplichtingen.

De door verweerder opgelegde boete van 2.500,00 EUR voor het niet voorleggen van de boekhouding is dan ook passend en redelijk.

Door eiseres worden geen bewijskrachtige elementen naar voor gebracht die de door de ambtenaren gedane vaststellingen zouden ontkrachten.

3.2.2. Door het gegeven dat verweerder geen inzage heeft gekregen in de boekhouding en meer bepaald in het inkomend factuurboek en de inkomende facturen, heeft eiseres niet aangetoond dat de in de BTW-aangiften in aftrek gebrachte belasting bestemd is voor het verrichten van in artikel 45, § 1 W.BTW bedoelde handelingen.

Wegens het niet voldoen van de op haar rustende bewijslast heeft verweerder dan ook terecht de als aftrekbare belasting in de BTW-aangiften opgenomen bedragen teruggevorderd.

3.2.3. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. Nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zeventien januari tweeduizend twaalf.

Aanwezig zijn :

N. H., alleenrechtsprekend rechter;

M. D. C., gedelegeerd griffier.

M. D. C. N. H.