Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 19 avril 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2010-04-19-9ee0

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
19 avril 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

54 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 19.04.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 07/2281/A Rep. Nr. 2010/5440

V. K., geboren op …, wonende te …, …

eiser,

voor wie optreedt Meester R. V., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Invordering - administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, BTW Ontvangkantoor te Oostende, Vrijhavenstraat 1

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …, …

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 14 augustus 2007.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 22 maart 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eisers was van 1 augustus 2003 tot 1 september 2005 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van detailhandel computer hard- en software, multimedia materiaal, verkoop cd's - dvd's en gadgets, psycho-medisch sociaal advies. Hij was in die periode derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Naar aanleiding van een controle over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling betreffende goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé- of andere doeleinden dan die van de economische activiteit (artikel 45, § 1 W.BTW). Hieromtrent werd een correctie-opgave opgemaakt, waarbij eiser verschuldigd is als BTW 3.650,99 EUR en als proportionele geldboete 360,00 EUR. Deze correctie-opgave werd door eiser voor akkoord ondertekend op 20 februari 2007.

Bij gebrek aan betaling werd op 25 juli 2007 een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel werd op 27 juli 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Veurne, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge. Op 30 juli 2007 wordt het dwangbevel ter kennis gebracht van eiser. In het dwangbevel is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 3.650,99 EUR, als geldboete 360,00 EUR en intresten over de verschuldigde BTW vanaf 21 oktober 2005. Op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel beschikte eiser op zijn BTW-rekening courant over een tegoed van 2.103,09 EUR. Dit tegoed werd aangerekend als volgt : 29,20 EUR als intresten, 360,00 EUR als geldboete en 1.713,89 EUR als BTW. Conform het dwangbevel blijft eiser na aanrekening van het tegoed nog verschuldigd : 2.261,34 EUR als BTW te verhogen met intresten vanaf 21 augustus 2007.

Op 14 augustus 2007 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2. Eiser vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- voor recht gezegd wordt dat het dwangbevel d.d. 30 juli 2007 nietig is ;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 375,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met in begrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 375,00 EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Eiser betwist niet de correctie-opgave op zich. Volgens eiser werd er evenwel geen rekening gehouden met tegoeden van eiser bij de BTW-administratie.

2. Uit het dwangbevel blijkt dat rekening werd gehouden met het tegoed van eiser t.b.v. 2.103,09 EUR. Dit bedrag stond op 30 juli 2007 op de rekening-courant van eiser bij de BTW-administatie . Dit bedrag is het BTW-tegoed van eiser over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 ( zijnde ook de periode waarop de correctie-opgave betrekking heeft ).

Eiser geeft niet aan op basis van welke bepaling volgens hem intresten zouden verschuldigd moeten zijn.

3. Het BTW-tegoed t.b.v. 5.636,36 EUR op naam van BVBA AV p. (BTW-nummer …) kan niet in rekening gebracht worden van de BTW-schuld van eiser gezien het een andere BTW-belastingplichtige betreft.

4. Eiser is sinds 3 oktober 2007 opnieuw geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) voor de activiteit van verdeling van multimediamateriaal; gifts en gadgets, boeken, snoep en frisdranken; adviesbureau op psychologisch, medisch, economisch en sociaal vlak en het geven van opleidingen.

De BTW-aangifte m.b.t. het derde kwartaal 2008 vertoonde een saldo t.b.v. 5.433,57 EUR in het voordeel van eiser. Deze teruggave is het voorwerp van een controle en naar aanleiding hiervan werd een akte van inhouding opgemaakt. Dit tegoed kan derhalve (voorlopig )·ook niet verrekend worden met het saldo van het dwangbevel d.d. 30 juli 2007.

5. De eis is derhalve ongegrond.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

De eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen 2.500 en 5.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 650,00 EUR bedraagt.

Verweerder beperkt de door haar gevraagde rechtsplegingsvergoeding tot het minimum van 375,00 EUR, gezien de toelating tot de juridische tweedelijnsbijstand in hoofde van eiser.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 375,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag negentien april tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

S. C., griffier.

C. S. L. D. P.