Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 07.04.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 07/286/A
De feitelijke vereniging D. W. C. – V. V. M., (BTW-nr. BE …9), met administratieve zetel te … (…), …,
TEGEN
De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, Administratie van de BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor, BTW-Controlekantoor BRUGGE 1, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het verzoekschrift d.d. 25 januari 2007.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde stavingsstukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 10 maart 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eisers zijn als feitelijke vereniging D. W. C. - V. V. M. (ook fv C. genaamd) ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van uitbating van frituur-restaurant. Zij zijn derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 24 maart 2006 werd door A. C., e.a. inspecteur bij de Administratie van de Ondememings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, verbonden aan het BTW-controlekantoor Brugge 1 en gemachtigd om toezicht uit te voeren m.b.t. belastingplichtigen binnen het ambtsgebied van de BTW-directie Brugge, na een vraag om inlichtingen betreffende de aankoopfactuur d.d. 2 september 2005 van een wagen Nissan Navara, een controle uitgevoerd ter plaatse bij eisers.
Op 15 juni 2006werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Meer bepaald werd vastgesteld dat de BTW geheven ten aanzien van de aankoop van een wagen Nissan Navara volledig in aftrek werd gebracht. In het proces-verbaal is opgenomen dat eisers verschuldigd zijn als BTW … EUR, als geldboete … EUR en intresten vanaf 21 oktober 2005.
Op 19 juni 2006 wordt aan de feitelijke vereniging een betalingsbericht verzonden voor een totaal bedrag van … EUR (BTW, boete en intresten tot 20 juli 2006). Op 16 oktober 2006 wordt aan de feitelijke vereniging een nieuw betalingsbericht verzonden voor een totaal bedrag van … EUR (BTW, boete en intresten tot 20 november 2006).
Bij verzoekschrift d.d. 25 januari 2007 stellen eisers een procedure in tegen verweerder.
2. Eisers vragen dat :
- gezegd wordt voor recht dat eisers de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn aan verweerder en dat eisers geen enkele inbreuk of overtreding hebben begaan op de bepalingen van het W.BTW en eisers zodoende geen geldboete en intresten verschuldigd zijn;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat zij veroordeeld worden tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding .
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Artikel 45 § 2, 1° lid W.BTW bepaalt dat : "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".
2. Verweerder stelt dat de bewuste wagen Nissan Navara niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt hiervoor op de aanschrijvingen nr. 10 van 11 september 1987 en nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo bedraagt de lengte van de laadruimte van het voertuig met dubbele cabine niet de helft van de lengte van de wielbasis.
De 100 % aftrek van voorbelasting op aankoop van de wagen werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.
3. Eisers stellen dat de administratieve aanschrijvingen slechts een indicatieve waarde hebben. De aftrekbeperking op grond van artikel 45, § 2 W.BTW is bovendien onwettig aangezien voormeld artikel in strijd is met het EG-recht en meer bepaald met deze zesde richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen. De betreffende wagen voldoet aan de criteria van het K.B. van 15 maart 1968 houdende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moet voldoen als lichte vrachtwagen. Verscheidene documenten bevestigen de aard van lichte vrachtwagen.
4. Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren, met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstilI-bepaling).
De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.
Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.
Verder is duidelijk dat de door de verweerder gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.
5. In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van 'een lichte vrachtwagen' en van 'een auto voor dubbel gebruik'.
In het K.B. d.d. 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wordt wel een omschrijving teruggevonden van een lichte vrachtwagen en van een auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld K.B. van 15 maart 1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt”. Artikel 1, § 2, 3° van het K.B. d.d. 15 maart 1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder”.
6. Het onderscheid tusseneen voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een auto voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW conform artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.
De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer en van de passagiersruimte, de mogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.
7. Door de controleagent werden volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 15 juni 2006 - stuk 1 van verweerder) :
- Het voertuig is uitgerust met 2 rijen zetels die door een volledig gesloten wand afgescheiden zijn van de laadruimte;
- Het voertuig heeft een laadruimte van 1m45cm terwijl de wielbasis 3m20cm bedraagt.
8. Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie en kan zowel materiaal als personen vervoeren. De oppervlakte van de passagiersruimte is vrij aanzienlijk, gezien de laadruimte slechts 1m45cm bedraagt en de wielbasis 3m20cm.
Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW is de aftrek van BTW op de facturatie beperkt tot 50 %.
9. Het feit dat de betreffende voertuigen voor de verkeersbelasting werden ingeschreven als lichte vrachtwagen, dat het gelijkvormigheidsattest en het keuringsbewijs als aard van het voertuig “lichte vrachtauto” vermelden, kan niet worden toegewezen aan de Btw-administratie.
Het is duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eisers het vertrouwen zou kunnen opgewekt hebben dat het betreffende voertuig als lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.
10. Cijfermatig betwisten eisers de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal d.d. 15 juni 2006 niet.
C. Betreffende de kosten
Gezien eisers in het ongelijk gesteld wordt, dienen zij overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger.W. de gerechtskosten te dragen .
De waarde van de eis situeert zich tussen … EUR·en … EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR bedraagt, zoals gevorderd door verweerder.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag zeven april tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.