Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 31 mars 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2008-03-31-7cf1

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
31 mars 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

86 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 31.03.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/3749/A Rep.nr.2008/4927

de NV V. H. G., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden meester N. M. (balie Antwerpen) loco Meester W. H., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

De FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 21. december2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 3 maart 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder, het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van aannemer van openbare en private werken. Zij is derhalve onderworpen aan, de bepalingen van de. BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 23 januari 2003 werd door R. G., e.a. verificateur bij de administratie van de BTW en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit controlecentrum Oostende, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001.

Op 5 maart 2003 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Meer bepaald werd vastgesteld dat de BTW geheven ten aanzien van de aankoop van twee nieuwe wagens Toyota Landcruiser 100VX, alsmede met betrekking tot de facturen van onderhouds- en aanpassingskosten van deze wagens, volledig in aftrek werd gebracht. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 9.266,7 EUR, als geldboete 920,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2002.

Op 10 maart 2003 wordt aan eiseres een betalingsbericht verzonden voor een totaal bedrag van 11.297,47 EUR (BTW, boete en intresten). Op 7 april 2003 deelt eiseres mee niet akkoord te gaan met het vermelde proces-verbaal.

Op 9 mei 2003 gaat eiseres over tot betaling van het bedrag van 11.297,47 EUR.

Bij verzoekschrift d.d. 21 december 2005 stelt eiseres een procedure in tegen verweerder.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het proces-verbaal d.d. 5 maart 2003 van onwaarde wordt verklaard;

- gezegd wordt voor recht dat eiseres de gevorderde bedragen niet verschuldigd is;

- gezegd wordt voor recht dat de BTW over leveringen en diensten m.b.t. de voertuigen Toyota Landcruiser 100VX volledig aftrekbaar is;

- verweerder wordt veroordeeld om terug te betalen het bedrag van 11.297,47 EUR, te vermeerderen met de moratorium intresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat zij veroordeeld wordt tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Partijen voeren geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij a"1btsha!ve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. betreffende het proces-verbaal

1.1. Eiseres stelt dat het proces-verbaal d.d. 5 maart 2003 geen afdoende redenen aangeeft ter ondersteuning van de vordering van verweerder. Verweerder heeft in het proces-verbaal niet het bewijs geleverd dat eiseres onterecht de BTW volledig in aftrek heeft gebracht.

1.2. Het proces-verbaal d.d. 5 maart 2003 vermeldt bij de vaststellingen de details van de aankoopfacturen en facturen van onderhoud en aanpassingen van 2 voertuigen Toyota Landcruiser 100VX op naam van eiseres ende vaststelling dat de BTW van vermelde facturen volledig in aftrek werd gebracht.·Er wordt verwezen naar artikel 45, § 2 W.BTW, de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 gewijzigd bij aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990. Verder wordt een van de voertuigen, na bezichtiging, beschreven. Er wordt besloten dat de voertuigen niet voldoen. aan de voorwaarden opgesomd in punt 10, 1° en 3° van de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990, zodat de aftrekbeperking ingesteld bij artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is.

1.3. De rechtbank stelt dan ook vast dat de juiste draagkrachtige feitelijke en juridische redenen van de beslissing worden vermeld zodoende dat het proces-verbaal afdoende gemotiveerd is.

De vraag of de beslissing genomen in het proces-verbaal feitelijk en juridisch correct is, wordt ter beoordeling voorgelegd aan de rechtbank en zal hierna beantwoord worden.

Verder merkt de rechtbank op dat het in eerste instantie eiseres zelf is die moet bewijzen dat de voorwaarden voor het recht op aftrek van BTW in haar hoofde voldaan zijn.

2. betreffende artikel 45, § 2 W.BTW

2.1. Artikel 45, § 2, 1° lid W.BTW bepaalt dat : "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting ".

2.2. Verweerder stelt dat de bewuste wagens Toyota Landcruiser 100VX niet kunnen beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald in punt 10, 1° en 3° van de aanschrijving nr. 25 van 1990.

De 100 % aftrek van voorbelasting op aankoop van de wagens, op facturen van onderhouds- en aanpassingskosten van deze wagens, werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.

2.3. Eiseres stelt dat een administratieve aanschrijving niet tegenwerpelijk is aan haar. De beoordeling of de wagen een lichte vrachtwagen is blijft een feitenkwestie. Uit het geheel van specifieke feitelijke elementen en kenmerken van de betreffende voertuigen en het gebruik ervan blijkt dat de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW niet van toepassing is. De voertuigen zijn als lichte vrachtwagens onderworpen aan de verkeersbelasting.

De aftrekbeperking op grond van artikel 45, § 2 W.BTW is bovendien onwettig aangezien voormeld artikel in strijd is met het EG-recht·en meer bepaald met deze zesde richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen.

2.4. Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren, met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstill-bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Verder is duidelijk dat de door de verweerder gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte, interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

2.5. In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van 'een lichte vrachtwagen' en van 'een auto voor dubbel gebruik'.

In het KB d.d. 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wordt wel een omschrijving teruggevonden van een lichte vrachtwagen en van een auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15 maart 1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt”.

Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15 maart 1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder”.

2.6. Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een auto voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW, conform artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer en van de passagiersruimte, de mogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

2.7. Door de controleagent werden volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 5 maart 2003 - stuk 1 van verweerder) :

- de passagiersruimte omvat twee rijen zetels, waarvan twee zetels op de voorste rij en een zetelbank met drie plaatsen op de tweede rij;

- de passagiersruimte is van de laadruimte achteraan gescheiden door een vast paneel. Het paneel is geplaatst achter de tweede rij zetels en voorzien van een ruit om het zicht naar achteren toe te laten. Het paneel werd geplaatst door de verkoper van het voertuig;

- de laadruimte is 93 cm lang binnen de afmetingen van het voertuig en 153 cm lang als het onderste gedeelte van de in twee delen opende achterklep wordt meegerekend. De laadvloer ligt in het verlengde van de passagiersvloer, zonder niveauverschil. De wielbasis bedraagt 285 cm;

- de laadruimte is in de zijwanden uitgerust met ruiten. De ruiten in de zijwand zijn afgedekt met donkere, zelfklevende films. De ruit van de achterklep is niet afgedekt;

- de bevestigingen van de veiligheidsgordels voor de eerste en tweede rij zetels zijn geplaatst in de passagiersruimte;

- er bevinden zich geen zichtbare bevestigings- of verankeringspunten voor een eventuele derde rij zetels.

2.8. Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie en kan zowel materiaal als personen vervoeren. De oppervlakte van de passagiersruimte is vrij aanzienlijk. Verder zijn de passagiers- en de laadruimte ontstaan uit de verbouwing van de wagens door de verkoper. De passagiersruimte is niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. De betreffende voertuigen zijn m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

De omstandigheid dat de laadruimte in de zijwanden is uitgerust met ruiten die zijn afgedicht met donkere zelfklevende films is enkel een bijkomend element ter appreciatie doch zeker niet determinerend.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW is de aftrek van BTW op de facturatie beperkt tot 50 %.

2.9. Het feit dat de betreffende voertuigen voor de verkeersbelasting werden ingeschreven als lichte vrachtwagen, kan niet worden toegewezen aan de BTW-administratie.

Het is duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen opgewekt hebben dat de betreffende voertuigen als lichte vrachtwagen dienden behandeld te worden.

Evenmin heeft verweerder het gelijkheidsbeginsel geschonden door te verwijzen naar de voorwaarde inpunt 10, 3° van de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 terwijl hij bij Beslissing E.T. 107.209 d.d. 4 juni 2004 de voorwaarde van afwezigheid van zijruiten in de laadruimte bij voertuigen met een dubbele cabine heeft laten vallen. De zijruiten waren niet de enige feitelijke gegevens waarop verweerder zich steunde om de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW toe te passen.

2.10. Cijfermatig betwist eiseres de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal d.d. 5 maart 2003 niet.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk gesteld wordt, dient zij overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen de 10.000 EUR en 20.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007. een bedrag van 1.100,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100,00 EUR en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag éénendertig maart tweeduizend en acht

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.