Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 21 février 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2006-02-21-64b2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
21 février 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

81 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruged du 21.02.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 03/3878/A

de heer D. K., (H.R.O. nr. …; BTW-nr. BE …), expert in grootbeeldschermen, wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester E. D. B. (balie Antwerpen) loco Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met burelen gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerders, hierna genoemd 'verweerder'

voor wie is opgetreden Meester I. G. (balie Brugge) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 23 december 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24.01.2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge zijn activiteit van adviseur/expert inzake grootbeeld video techniek. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 20 december 2002 werd door L. D., eerstaanwezend verificateur bij het AOIF, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Op 23 april 2003 werd door L. D. voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 5 december 2003 werd het door de met invordering belaste ambtenaar uitgevaardigde dwangbevel, bij deurwaardersexploot betekend aan eiser.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 23 december 2003 stelt eiser zijn vordering in.

2.2. Eiser vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan hem van betaalde BTW, boeten en interesten, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke rente te rekenen vanaf de datum van betaling of inhouding. Tenslotte vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 334,67 EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Ter zitting de dato 24 januari 2006 vraagt eiser in subsidiaire orde dat de opgelegde boete wordt verminderd of kwijtgescholden.

2.3. Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 349,53 EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW

3.2.1.1. Artikel 45, § 2, 1° lid W.BTW bepaalt het volgende : "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Verweerder stelt dat de bewuste wagen Chevrolet, model Tahoe 5.3 niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt zich hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald op pagina 2 van de aanschrijving nr. 25 van 1990. Immers, de passagiersruimte omvat twee rijen zetels, de achterste zitbank is naar voren gericht, er is een scheiding aangebracht tussen de passagiersruimte en de laadruimte, de bevestigingen van de veiligheidsgordels voor de eerste en tweede rij zetels zijn geplaatst in de passagiersruimte en in de goederenruimte zijn de zijwanden uitgerust met niet afgedichte ruiten.

De 100 % aftrek van voorbelasting op de aankoop en kosten installatie autotelefoon van de wagen Chevrolet, model Tahoe 5.3 werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.

3.2.1.2. Eiser stelt dat artikel 45, § 2 W.BTW op hem niet van toepassing is aangezien de bewuste Chevrolet, model Tahoe 5.3 als lichte vrachtwagen moet worden beschouwd. In dat verband houdt eiser voor dat, aangezien in het W.BTW nergens een omschrijving wordt gegeven van de begrippen "automobiel voor personenvervoer" en "lichte vrachtwagen", er mag aangenomen worden dat hieraan dezelfde betekenis moet worden gegeven als deze voorzien in de reglementering inzake de technische eisen van motorvoertuigen. In het KB van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen van auto's wordt, aldus eiser, een lichte vrachtwagen omschreven als elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van 3.500 kg. dat hoofdzakelijk opgevat en opgebouwd is voor het vervoer van goederen. De in casu door verweerder gehanteerde administratieve aanschrijvingen hebben volgens eiser slechts een indicatieve waarde. De rechter dient derhalve zelf de interpretatie te geven die aan een bepaalde wettekst moet worden gegeven.

Eiser besluit dan ook dat zijn voertuig van het type bewuste Chevrolet, model Tahoe 5.3 voldoet aan de kwalificatie van lichte vrachtwagen zoals bepaald in het KB d.d. 15.03.1968.

Tenslotte houdt eiser nog voor dat het kwestieus voertuig door het Ministerie van Verkeerswezen wel degelijk als lichte vrachtwagen was behandeld zodat de BTW­administratie het vertrouwensbeginsel schendt door thans het voertuig te omschrijven als een voertuig bestemd voor het vervoer van personen en goederen.

3.2.1.3. Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstill­bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Verder is het duidelijk dat de door de administratie gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

3.2.1.4. In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van "een lichte vrachtwagen" en van "een auto voor dubbel gebruik".

In het KB de dato 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wordt wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt". Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder".

3.2.1.5. Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW, conform artikel 45, § 2 W.BTW. van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

3.2.1.6. Door de controleagent werden de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 23.04.2003 - stuk 3 van verweerder) :

- de passagiersruimte omvat twee rijen zetels; de achterste zetels van de dubbele cabine zijn naar voren gericht; in ieder geval is er in deze passagiersruimte voor niet meer dan 6 personen plaats voorzien;

- de passagiersruimte is een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor het vervoer van goederen;

- de goederenruimte is in de zijwanden met ruiten uitgerust;

- de bevestigingen van de veiligheidsgordels voor de eerste en tweede rij zetels zijn geplaatst in de passagiersruimte.

3.2.1.7. Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie. Het voertuig is uitgerust met 2 rijen zetels zodat de oppervlakte van de passagiersruimte vrij aanzienlijk is. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

De omstandigheid dat de laadruimte in de zijwanden is uitgerust met niet-afgedekte ruiten is enkel een bijkomend element ter appreciatie doch geenszins determinerend.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW. is de aftrek van BTW op facturaties beperkt tot 50 %.

3.2.1.8. Het feit dat de DIV van het Ministerie van Verkeerswezen het kwestieus voertuig als lichte vrachtwagen heeft ingeschreven, kan niet toegerekend worden aan de BTW-administratie.

Verder is het ook zo dat de overheid niet gebonden kan zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW­administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

3.2.2. nopens de boete

Op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW is een evenredige fiscale geldboete verschuldigd wegens de onrechtmatig genoten aftrek van tweemaal het bedrag van de verschuldigde rechten. Deze geldboete werd verminderd overeenkomstig de schalen in bijlage aan het KB nr. 41 van 30 januari 1987, hetzij tot 10 % van de teveel afgetrokken BTW.

Gelet op de hiervoor aangehaalde specifieke omstandigheden komt het opleggen van een boete niet opportuun voor derwijze dat deze moet worden kwijtgescholden.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt voor de eigenlijke betwisting in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB '92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd recent bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder gevorderde BTW ten bedrage van 4.123,54 EUR. gegrond is.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van 410,00 EUR ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiser van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Wijst eiser van het overige af.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 356,97 EUR. rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag éénentwintig februari tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., griffier

N. L. N. H.