Droit à déduction de l’impôt, secret professionnel · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 20 juin 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, secret professionnelTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-secret-professionnel-tribunal-anvers-2012-06-20-0274

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
20 juin 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

42 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 20.06.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op twintig juni tweeduizend en twaalf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :

Inzake AR nr. 11/1102/A

M. BVBVA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij meester S. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector Belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de BTW te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij de heer J. S., in hoedanigheid van e.a. inspecteur,


Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 11/02/2011;

- de beschikking verleend, overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 11/03/2011,

- de conclusies van partijen,

- de stukken van verwerende partij.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 mei 2012.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/148, uitgevaardigd op 13 december 2010 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2010, van nul en generlei waarde te verklaren, eiseres te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen, en teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald, beslagen en/of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke intresten vanaf de datum van de betalingen, beslagen of inhoudingen en vermeerderd met de kosten van het geding.

Beoordeling

Krachtens artikel 45, § 1 W.BTW, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteiten die onderworpen zijn aan de BTW.

De belastingplichtige, die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

De belastingplichtige dient dan ook het bewijs te leveren dat hij de goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteiten die onderworpen zijn aan de BTW.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat :

- voor het recht op aftrek in beginsel een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang vereist is tussen de gebruikte goederen of diensten en de in een later stadium verrichte handelingen (H.v.J. 8 juni 2000 inzake C-98/98, http://eur­lex.europa.eu/nl/index.htm );

- wanneer door een belastingplichtige ontvangen goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de BTW vallen, er geen sprake kan zijn van heffing van belasting in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting (H.v.J. 12 februari 2009 inzake C-515/07, http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm ).

Eiseres levert niet het minste bewijs dat zij de tijdens de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 aan haar geleverde goederen en verleende diensten heeft bestemd voor economische activiteiten die onderworpen zijn aan de BTW zodat zij in haar bewijslast faalt en de BTW-aftrek dan ook terecht werd verworpen.

Verder staat het ontegensprekelijk vast dat eiseres sedert het jaar 2007 slechts handelingen heeft verricht die geen recht op aftrek verlenen zodat de administratie terecht de aftrek van de BTW geheven op bedrijfsmiddelen heeft herzien.

Het louter en éénmalig recupereren van enkele kosten bij een zusterbedrijf kan immers niet als een economische activiteit voor de toepassing van de BTW beschouwd worden.

Het dwangbevel beantwoordt aan de wettelijke motiveringsplicht zelfs wanneer het een vergissing bevat, voor zover het de belastingplichtige in staat stelt de gegrondheid van het dwangbevel te beoordelen; niettegenstaande het bestreden dwangbevel artikel 10, § 1, 5° KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW vermeldde, terwijl voor sommige bedrijfsmiddelen artikel 10, § 1, 1° van voornoemd KB van toepassing was, was eiseres ongetwijfeld in staat de gegrondheid van het dwangbevel te beoordelen; in het proces-verbaal, dat bij het bestreden dwangbevel was gevoegd, werd uitvoerig de motieven vermeld waarom een herziening werd doorgevoerd en er wordt geen nieuw motief ingeroepen door de toepassing van voornoemd artikel 10, § 1, 1° in plaats van voornoemd artikel 10, § 1, 5°.

Het bestreden dwangbevel is, ondanks voornoemde vergissing, dan ook voldoende gemotiveerd en rechtsgeldig.

De geldboete van 10 % is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

M. V. E. P. W.

Textes cités

3