Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 12.10.1998
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIJFDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 96/1959/A Rep. nr. 98/10464
NV M., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …
eiseres,
voor wie is opgetreden meester V. D., advocaat te …, …,
tegen :
BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te Oostende, Vrijhavenstraat 1
verweerder,
voor wie is opgetreden meester L. D. S., advocaat te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 19.06.1996.
De rechtbank nom kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werd gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 14.09.1998.
Artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
Naar aanleiding van een strafonderzoek lastens de genaamden P. J. en S. A., verdacht van valsheid in geschrifte en BTW-fraude, werd door de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie vastgesteld dat een aantal handelaars en vennootschappen in 1991 en 1992 in hun boekhouding gebruik zouden hebben gemaakt van valse facturen van de firma’s AS P., de firma van S. A., en L.-techniek, de firma van P. J..
Een van deze firma's zou de NV M., huidige eiseres betreffen.
Aldus werd door de C.D.G.E.F.I.D. vastgesteld dat de NV M. in haar boekhouding gebruik zou hebben gemaakt van 15 valse facturen van de firma AS P. en van 10 valse facturen van de firma L.-techniek.
Hiervoor werd gesteund op de verklaring van S. A., zaakvoerder van de firma AS P., die deze valsheid ten aanzien van de onderzoekers bevestigde, en waarvan proces-verbaal werd opgemaakt.
Naar aanleiding van voornoemd onderzoek en in het bijzonder de verklaring van S. A. werden door de Bijzondere belastinginspectie twee berichten van wijziging van aangifte d.d. 25.11.1994 opgesteld met betrekking tot de aanslagjaren 1991 en 1992.
De NV M. repliceerde hierop bij deurwaardersexploot d.d. 26.12.1994 dat zij zich niet akkoord kon verklaren met de aangekondigde aanslagen om reden dat de facturen niet vals waren en de gefactureerde goederen ook effectief geleverd werden. Zij voegde hiertoe bij het deurwaardersexploot een getypte verklaring ondertekend door S. A. waarin deze zijn vroegere verklaringen intrekt.
Hierover ondervraagd op 08.02.1995 verklaart S. A. in het kader van het voormeld strafonderzoek, dat deze getypte verklaring door hem onder bedreiging van de afgevaardigd-bestuurder van de NV M. werd ondertekend.
Na inzage genomen te hebben van het BTW-dossier en het dossier directe belastingen, bevattende de voornoemde berichten van wijziging, werd door de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, zesde inspectie Antwerpen, een proces-verbaal d.d. 25.01.1996 opgesteld waarbij de aftrek van BTW verbonden aan de kwestieuze facturen werd verworpen.
Een dwangbevel zou zijn uitgevaardigd op 28.02.1996 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29.03.1996, deze stukken liggen evenwel niet voor.
Huidige vordering betreft een verzet van eiseres tegen voornoemd dwangbevel.
III. BEOORDELING
1. Ter beoordeling van onderhavige betwisting dient uitgegaan van twee principes :
De bewijslast nopens het verschuldigd zijn van BTW rust op de Administratie. Zij mag dit bewijzen door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. (art. 59, par. 1 W.BTW).
De belastingplichtige die een recht op aftrek laat gelden, moet aantonen dat het gaat om belasting geheven van aan hem geleverde goederen en verleende diensten door hem gebruikt voor die handelingen zoals bedoeld in art. 45, par. 1 W.BTW.
2. De rechtbank is van oordeel dat de Administratie door gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens het bestaan bewijst van de onregelmatigheid van de facturen, voorwerp van onderhavige discussie.
Eiseres verliest uit het oog dat de Administratie haar vermoeden niet steunt op de berichten van wijziging als dusdanig doch dat deze berichten van wijziging waarnaar zij refereert in haar proces-verbaal d.d. 25.01.1996 op hun beurt refereren naar het gevoerde strafonderzoek, zoals voormeld, en inzonder de daarin opgenomen verklaringen van S. A., leverancier van de NV M., die daarin toegeeft dat hijzelf met fictieve facturen werkte en dat dit vermoedelijk ook het geval was met de facturen van de firma L.-techniek aan de NV M..(st. 1 verweerder)
Inzonder wat de firma L.-techniek betreft is uit het voormelde straf-onderzoek gebleken dat 95 % van de facturen van L.-techniek afkomstig is van de firma AS P., waarbij S. A. verklaarde dat hij een pak blanco facturen ondertekend voor voldaan heeft gegeven aan de zaakvoerder van L.-techniek en dat hij geen goederen heeft geleverd aan L.-techniek.
Men kan hierbij niet voorbijgaan aan het onbetwistbare feit dat S. A. er geen enkel belang bij heeft te gaan voorstaan dat deze facturen fictieve facturen betreffen daar waar dit geen waar zou zijn geweest, nu hij zich, als leverancier en opsteller van deze facturen, door deze verklaring plichtig weet aan strafrechtelijke feiten en meteen ook blootstelt aan strafrechtelijke vervolging.
Samen met de verklaring van S. A. is er ook de vaststelling dat de geleverde hoeveelheden materialiter alleen al niet kunnen worden ondergebracht bij of vervoerd worden door eiseres.
3. Het behoort derhalve aan eiseres aan te tonen dat zij terecht aanspraak maakt op aftrek en m.a.w. dat het hier gaat om effectief geleverde goederen.
De rechtbank kan enkel vaststellen dat eiseres geen enkel bewijsstuk nopens de zogenaamd geleverde goederen en diensten voorlegt.
De getypte verklaring van S. A. d.d. 14.12.1994 is uiteraard met de nodige omzichtigheid te benaderen. Zij is niet alleen tegenstrijdig aan zijn eerder afgelegde verklaring, zij zou bovendien - hoewel betwist door eiseres - onder bedreiging zijn opgesteld. Het is trouwens hoogst merkwaardig dat eiseres op de allerlaatste dag van de termijn voorzien door art. 346 WIB met deze verklaring op de proppen kwam, dan nog bij deurwaardersexploot.
Ook afschriften van cheques waarmee de 'geleverde' goederen zouden zijn betaald, leveren niet het bewijs van een effectieve levering, nu net uit het gevoerde strafonderzoek blijkt dat deze cheques door S. werden geïnd om vervolgens de geinde bedragen terug te geven met inhouding van commissie.
Eiseres toont evenmin aan de hand van de nodige verantwoordingsstukken aan, in zoverre dient aangenomen dat de zogenaamd geleverde goederen niet bij haar werden gestockeerd doch rechtstreeks op de werven werden geleverd, op welke werven deze goederen dan wel werden geleverd.
4. Rest de facturen d.d. 15.10.1991 BVBA D-D. en de factuur d.d. 06.12.1991 op naam van NV F..
Wat de laatste factuur betreft is het reeds duidelijk dat een belastingplichtige bezwaarlijk BTW in aftrek kan brengen van de leveringen op naam van andere ondernemingen.
Wat de factuur D-D. betreft zou bij het onderzoek ter plaatse zijn vastgesteld geworden dat de op de facturen vermelde goederen niet aanwezig waren op de maatschappelijke zetel.
Voorts blijkt uit een antwoordschrijven d.d. 30.09.1994 van de accountant van de firma D-D. aan de Bijzondere belastinginspectie dat de bestelling van de goederen werd geplaatst door de firma NV P. die evenwel verzocht twee facturen op te stellen, een aan de NV M. en een aan de NV P.. De Administratie houdt voor dat eiseres nochtans de helft van de BTW op alle geleverde meubels heeft afgetrokken, wat eiseres niet betwist.
Hoe dan ook waar de goederen werden geleverd op de zetel van eiseres, er nadien niet meer konden worden aangetroffen, dient eiseres het bewijs te leveren dat voor de levering of onttrekking recht op volledige of gedeeltelijke aftrek is ontstaan. Zij legt dit bewijs niet voor. Er dient derhalve van uitgegaan dat deze goederen nooit voor bedrijfsdoeleinden werden aangeschaft.
Deze verworpen uitgave leidt derhalve terecht tot een weigering van het recht op aftrek van BTW temeer eiseres dit recht op aftrek niet bewijst.
De rechtbank stelt vast dat het PV d.d. 25.01.1996 tevens melding maakt van een factuur D. ten bedrage van 320.000 frank die als verworpen uitgave wordt aanzien en waarvan de aftrek door de Administratie wordt geweigerd.
Ten aanzien van deze factuur wordt door eiseres klaarblijkelijk geen betwisting gevoerd.
5. Boeten
De geldboete opgelegd met toepassing van art. 70 W.BTW is geen strafsanctie doch een overwegend administratieve sanctie en valt derhalve buiten toepassing van art. 6 EVRM.
De rechtbank kan dan ook slechts de werkelijkheid en de wettelijkheid van de opgelegde boete beoordelen en vermag zich niet uit te spreken over de opportuniteit van de administratieve boete.
Evenmin behoort het aan de rechtbank deze administratieve geldboete te verminderen of kwijt te schelden. Enkel de Minister van Financiën vermag dit of de door hem gedelegeerde ambtenaar.
Eens de fiscale onregelmatigheid bewezen is, wordt de administratieve boete toegepast. De boete wordt bepaald conform het geldende barema zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Op grond van wat voorafgaat staat ontegensprekelijk vast dat eiseres de bedoeling heeft gehad, gebruik makend van fictieve facturen, de belasting te ontduiken. Het frauduleus karakter van de overtreding in hoofde van eiseres is aangetoond.
Het KB nr. 41 is in case niet van toepassing.
Er is voldaan aan de materiele motiveringsplicht gezien de beslissing gesteund is enerzijds op de wetteksten en anderzijds op de feiten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet dienend terzake en/of overbodig.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingskosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder niet te begroten bij gebrek aan opgave.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op twaalf oktober negentienhonderd achtennegentig.
Aanwezig zijn :
I. D., alleenrechtsprekend rechter
K. D., griffier
K. D. I. D.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.