Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 3 septembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-instance-tribunal-gand-2009-09-03-75ae

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
3 septembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

90 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 03.09.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 SEPTEMBER 2009

Rolnummer AR 02/2566/A

In de zaak van :

D. M. K., zelfstandige. KSO …, met woonplaats te …, …

eiseres,

voor wie optreedt Mter. N. M., met kantoor te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel. Wetstraat 12,

DE BELGISCHE STAAT, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW Ontvangkantoor, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2

verweerder,

voor wie optreedt Mter. E. V. A., met kantoor te …, ….

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 4 juni 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 3 juli 2002 en de conclusies van de partijen. evenals hun stukken.

2. DE VORDERING

De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de E.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas op 23 april 2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 april 2002 door de heer J. V., Gewestelijk Directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW te Antwerpen.

De vordering van de eiseres strekt ertoe het dwangbevel "van nul en generlei waarde" te laten verklaren, hetzij het dwangbevel te laten vernietigen.

3. RELEVANTE FEITEN

3.1.

Op 15 januari 2001 wordt een controle aangevat over de boekhouding van de eiseres die als BTW-belastingplichtige ingeschreven is voor haar activiteit van groothandel van sierartikelen.

Op 27 november 2001 wordt de correctieopgave ontvangen die door de gevolmachtigd boekhouder van eiseres werd ondertekend voor akkoord (stuk 1 en 2 - administratie).

Op 10 december 2001 wordt aan eiseres een eerste betalingsbericht gezonden.

Een derde en laatste betalingsbericht voor vervolgingen wordt verzonden op 4 maart 2002.

Vermits er geen betaling volgt wordt op 23 april 2002 een dwangbevel uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor van Sint-Niklaas, dat op 24 april 2002 wordt uitvoerbaar verklaard door de daartoe gemachtigde directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW te Antwerpen.

Op 7 mei 2002 wordt het dwangbevel betekend door meester P. L., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder (stuk 3 - administratie).

Op 28 mei 2002 wordt door dezelfde gerechtsdeurwaarder uitvoerend beslag op roerend goed gelegd met aankondiging van een verkoopdag op 4 juli 2002 (stuk 4 - administratie). Op 27 juni 2002 wordt door meester P. L., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, proces-verbaal van aanplakking opgemaakt en heeft hij een aanplakbiljet doen uithangen ter aankondiging van de gerechtelijke verkoping op donderdag 4 juli 2002 (stuk 5 - administratie).

Op 3 juli 2002 legt eiseres een verzoekschrift neer op de griffie van deze rechtbank. De vervolgingen werden opgeschort. Ingevolge de gerechtsbrief van 8 juli 2002 werd de zaak vastgesteld ter zitting op 26 september 2002 (stuk 6 - administratie). Op 10 juli 2002 wordt door gerechtsdeurwaarder J. A. een dagvaarding in verzet tegen dwangbevel betekend om te verschijnen voor de 6de Kamer van deze rechtbank op 5 september 2002 (stuk 7 - administratie).

4. BESPREKING

4.1. Met betrekking tot de grief betreffende de verjaring.

4.1.1.

De eiseres voert in eerste instantie aan dat de nagevorderde BTW betrekking heeft op de jaren 1997, 1998 en 1999 en volgens de eiseres minstens gedeeltelijk verjaard is. De niet-gedateerde correctieopgave van de heer W. D. V. brengt volgens de eiseres geen stuiting van de verjaring met zich mee. De eiseres stelt dat de heer D. V. geen mandaat om namens de eiseres enige akkoordverklaring inzake BTW te ondertekenen.

4.1.2.

Overeenkomstig artikel 83 W.BTW wordt de verjaring zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit. wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1 W.BTW. worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting.

4.1.3.

Terecht houdt de administratie voor dat de verjaring wordt gestuit door een akkoord van een gevolmachtigde. aangezien dergelijk akkoord in overeenstemming met artikel 2248 BW een stuitende werking heeft.

De gevolmachtigde heeft evenwel geen datum vermeld bij het akkoord met de correctieopgave.

De administratie stelt dat de controle plaatsvond op 15 januari 2001, en het akkoord op de dienst ontvangen werd op 27 november 2001. Er zijn geen elementen voorhanden die afbreuk doen aan de juistheid van deze gegevens. De verjaring trad in tussen 15 januari 2006 en 27 november 2006. Op 7 mei 2002 werd een dwangbevel betekend door gerechtsdeurwaarder L., en deze betekening vond plaats vóór de voormelde data. De grief van de eiseres met betrekking tot de verjaring van de vordering van de administratie is niet gegrond.

4.1.4.

De eiseres meent dat de gevolmachtigde geen mandaat had tot het sluiten van het voormelde akkoord.

De rechtbank stelt vast dat de eiseres op 15 juni 1997 aan de heer D. V. een mandaat verleende om in het algemeen al te doen wat nuttig of nodig is, "recht van dading inbegrepen voor de verdediging van haar rechtmatige belangen" (stuk 2 - administratie).

4.1.5.

De akkoordverklaring is aldus geldig en stuit dus de verjaring. Door het akkoord erkent de schuldenaar van de belasting de som van 273.633 BEF (6.783.18 EUR) verschuldigd te zijn aan de administratie. Het akkoord doet een nieuwe verjaringstermijn lopen zoals hierboven bepaald.

4.2. Met betrekking tot de grief betreffende de willekeur

4.2.1.

Ten gronde voert de eiseres aan dat de correctieopgave volstrekt willekeurig is. Dit volgt onder meer uit de door de administratie bepaalde forfaitaire "onkosten wagen" en forfaitaire elektriciteitskosten. De eiseres stelt dat zij in deze periode niet over een wagen beschikte. Bovendien zou volgens de eiseres geen 50 %-beperking inzake de autokosten toegepast zijn, maar werd de volle 100 % aan vermeende BTW nagevorderd. Tenslotte voert de eiseres aan dat in de correctieopgave eveneens sprake is van een zestal facturen inzake de leasing van een wagen en herstellingskosten. waaromtrent in het administratie dossier geen stukken te vinden zijn.

4.2.2.

De administratie licht toe dat de woning van de eiseres op 20 augustus 1999 door een brand werd vernield. De administratie heeft samen met de gevolmachtigde boekhouder van de eiseres een wedersamenstelling gemaakt van de boekhouding op basis van de stukken die in het bezit waren van de boekhouder.

4.2.3.

Op grond van artikel 45, § 1 W.BTW en artikeI 1, § 2 van het Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregelingen, komt de belasting, geheven van goederen en diensten die een belastingplichtige bestemd voor privé-doeleinden in geen geval voor aftrek in aanmerking. Met betrekking tot de privé-verplaatsingen werd dus de afgetrokken betasting (50 % van de aangerekende belasting bij toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW) teruggevorderd.

4.2.4.

Overeenkomstig artikel 45, § 2 W.BTW mag de aftrek van de belasting ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten niet betrekking tot die voertuigen, in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting.

4.2.5.

De administratie erkent de vaststelling dat een vergissing werd begaan in het gelijktijdig toepassen van artikel 45, § 1 en artikel 45, § 2 W.BTW in verband met de autokosten. Deze vergissing wordt hier rechtgezet zodat enkel de toepassing van artikel 45, § 2 wordt weerhouden, namelijk de beperking van het recht van aftrek van de BTW op autokosten tot 50 %. Deze dwaling in rechte brengt naar het oordeel van de rechtbank niet de willekeurigheid en nietigheid van de vordering van de BTW met zich mee. In die zin moet aldus in de vordering te worden afgezien van de in rubriek 1 gevorderde BTW van 10.500 BEF (260,29 EUR) voor 1997, 10.500 BEF (260,29 EUR) voor 1998 en 6.300 BEF (156,17 EUR) voor 1999, hetzij tezamen voor 27.300 BEF (676,75 EUR) waarmee de vordering in BTW moet worden verminderd.

4.2.6.

De wijze van de berekening van de verschuldigde BTW wordt door de administratie afdoende toegelicht en door de rechtbank correct en rechtmatig bevonden. De eiseres toont niet aan waaruit de willekeur van de vordering zou bestaan.

4.3. Met betrekking tot de grief betreffende de meeromzet voor het jaar 1998.

4.3.1.

De eiseres betwist tenslotte de door de administratie aangenomen meeromzet voor het jaar 1998.

De meeromzet zou volgens de correctie-opgave voortspruiten uit een akkoord met de administratie van de directe belastingen.

De eiseres ontkent enige kennis omtrent enig akkoord inzake directe belastingen. Ze stelt dat tegen de aanslagen in de personenbelasting betreffende de aanslagjaren 1999 en 2000 bezwaar is aangetekend en deze nog in onderzoek zijn (stukken 1 en 2 - eiseres).

4.3.2.

De administratie licht toe dat de eiseres haar verkoopfacturen niet meer bezat. De omzet werd nagezien op basis van de bedrijfsbankrekening. Voor het jaar 1998 werd een totaal aan ontvangsten en overschrijvingen ten voordele van de belastingplichtige vastgesteld van 11.742.885 BEF (291.098,52 EUR).

In zijn brief van 13 augustus 2001 verantwoord de gevolmachtigd boekhouders 3 transfers ten bedrage van 366.064 BEF (9.074.49 EUR) en stelt dat de omzet inclusief BTW dus 11.376.821 BEF (282.024.03 EUR) bedraagt (stuk 8 - administratie).

Terecht leidt de administratie uit deze gegevens van de belastingplichtige af dat de omzet exclusief BTW 9.402.331 BEF (233.077.70 EUR) bedraagt. De eiseres heeft een BTW-omzet aangegeven van 8.691.749 BEF (215.462.83 EUR) en heeft dus een omzet van 710.582 BEF (17.614,87 EUR) niet aangegeven waarop 21 % BTW moet worden voldaan, hetzij 149.222 BEF (3.699,12 EUR).

De eiseres heeft zich inzake directe belastingen akkoord verklaard op een te weerhouden omzetverhoging van 710.582 BEF (17.614,87 EUR) (cfr. brief van 13 augustus 2001) en heeft vervolgens zich ook uitdrukkelijk akkoord verklaard met het supplement aan verschuldigde BTW (cfr. correctieopgave).

De eiseres heeft bezwaar ingediend tegen de aanslag in de personenbelasting. Bij beslissing van 12 februari 2004 wordt het akkoord van 13 augustus 2001 inzake de omzet van 1998 bekrachtigd. De eiseres heeft tegen deze beslissing geen beroep aangetekend. zodat de beslissing inzake bezwaar van 12 februari 2004 thans een definitief karakter heeft en geldt als bewijs ter zake van de vaststelling van de omzet voor het jaar 1998.

De stelling van de eiseres dat de BTW-administratie zich niet zonder meer kan steunen op de gegevens van de administratie van de directe belastingen, dient niet nader te worden onderzocht. Deze gegevens worden inzake de BTW uitdrukkelijk bevestigd door de voor de eiseres ondertekende correctieopgave.

Het aangerekende supplement van BTW van 21 % op 710.582 BEF (17.614,87 EUR) of 149.222 BEF (3.699,12 EUR) is dus naar recht verantwoord en bewezen.

4.4.

Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, hebben de partijen op de terechtzitting van 4 juni 2009 de toepassing gevraagd van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 900 EUR. De Belgische Staat wordt in overgrote mate in het gelijk gesteld, waardoor het omslaan van de rechtsplegingsvergoeding zich niet opdringt.

Dispositif

OP DIE GRONDEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk. en ongegrond. met uitzondering van hetgeen bepaald is in overweging 4.2.5.

Beveelt de herberekening van vordering van de BTW-administratie overeenkomstig hetgeen is bepaald in de overweging 4.2.5.

Beveelt, voor zoveel als nodig. de terugbetaling van het op grond van eiseres voormelde overwegingen teveel geïnde, vermeerderd met de verwijlintresten.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de verweerder: rechtsplegingsvergoeding : 900 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op donderdag drie september tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

de heer S. R., Alleenrechtsprekend rechter. voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.