Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 28 juin 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-instance-tribunal-bruges-2004-06-28-ed52

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
28 juin 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

53 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 28.06.2004

Résumépas fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 02/1889/A Rep.nr.2004/9069

de heer B. F., aannemer, wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester K. G., advocaat te …

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, met burelen gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester F. H., advocaat te … loco Meester F. W., advocaat te …

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 18 juni 2002.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 26 april 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW- registratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van aannemer in vloer- en wandbekleding.

Op 15 juni 2001 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 2000.

Door de controlerende ambtenaar werd op 4 maart 2002 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 7 maart 2002 werd door de eerstaanwezend inspecteur a.i van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 8 maart 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door B. G., eerstaanwezend inspecteur a.i., daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 3 juni 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres.

2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiser is sinds mei 1993 voor zijn activiteit van aannemer in vloer- en wandbekleding geregistreerd als BTW-belastingplichtige. In de periode 1997 t.e.m. 2000 werd er geen omzet aangegeven in de aangiften van de éénmanszaak.

Op 19.09.1994 werd de BVBA B. – D M. opgericht met eiser als zaakvoerder. Voormelde vennootschap is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer … ingevolge de activiteit van aanneming in vloer- en wandbekleding.

Sinds de oprichting van de BVBA B. - D. M. in 1994 werden de ontvangsten van de economische activiteit van aanneming in vloer- en wandbekleding aangegeven in de periodieke BTW-aangiften van de vennootschap.

In de BTW-aangiften van de eenmanszaak van eiser werden enkel nog doorfacturaties aan de BVBA B. - D. M. opgenomen en dit m.b.t. door hem in 1993 en 1994 verworven investeringsgoederen dewelke ter beschikking van de vennootschap werden gesteld. De doorfacturaties werden gespreid over vijf jaar.

3.2.2. Het recht op aftrek is overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW alleen en uitsluitend verbonden aan handelingen die binnen de werkingssfeer van het W.BTW vallen. De voorbelasting in verband met handelingen buiten de werkingssfeer is van iedere aftrek uitgesloten, met uitzondering van het bepaalde in artikel 45, § 1, 4° en 5° ten aanzien van sommige handelingen van verzekeraars, financiële instellingen en wisselagenten.

Overeenkomstig artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde komt voor de aftrek in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Uit het bestemmingsprincipe van artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door hem uitgeoefende recht op aftrek bestaat Het is met andere woorden eiser, en niet verweerder, die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek vervuld zijn.

In de gecontroleerde periode 1997-2000 heeft eiser voor … EUR in aftrek gebracht, terwijl de omzet voor deze periode amper … EUR bedroeg en betrekking had op recuperatie van investeringsgoederen die ter beschikking werden gesteld van de vennootschap (aannemingswerken vloeren en tegels werden in voormelde periode niet verricht). Deze terbeschikkingstelling van boekhoudkundig geheel of gedeeltelijk afgeschreven materiaal veronderstelt evenwel geen in te brengen kosten van betekenis in hoofde van eiser.

Verder is uit het bezoek ter plaatse gebleken dat de zogenaamde kijkwoning voor privé-behoeften werd aangewend en niet voor handelingen in het kader van een economische activiteit die rechtop aftrek verlenen.

De vordering van eiser dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als ·niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde recbtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op achtentwintig juni tweeduizend en vier.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. H.

Textes cités

1
AR no 3 art. 11 occurrence