Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 6 décembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-disposition-penale-cour-appel-anvers-2011-12-06-ce28

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
6 décembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

86 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.12.2011

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2010/AR/1968

D., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

appellant,

tegen het vonnis gewezen op 30 april 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, vertegenwoordigd door Mr. W. S. loco Mr. B. S., advocaat te …, …,

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, INDIRECTE BELASTINGEN, ADMIN. BTW, MINISTER VAN FINANCIEN, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. INSPECTEUR V/H BTW-ONTVANGKANTOOR TURNHOUT, met maatschappelijke zetel te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 april 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 juni 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. De feiten

1.1. De BVBA D. is uit hoofde van haar activiteiten op het vlak van het plaatsen van vloerbedekking en wandtegels onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Bij notariële akte van 20 februari 2007 heeft eiseres in hoger beroep voor een periode van 15 jaar het vruchtgebruik gekocht van een duplex-appartement gelegen te … (…), … en hebben de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en zijn echtgenote de naakte eigendom van dit duplex-appartement gekocht.

De afsluiting van de BTW - rekening-courant van eiseres in hoger beroep op 31 januari 2008 resulteert in een tegoed in hoofde van de belastingplichtige van een bedrag van € …. Als gevolg van de aanvraag tot teruggaaf van dit BTW-tegoed wordt op 3 maart 2008 een fiscaal toezicht inzake BTW en de ter uitvoering ervan genomen regelen uitgevoerd voor de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007. Tijdens deze controle wordt vastgesteld dat eiseres in hoger beroep tijdens deze periode zes aankoopfacturen in haar boekhouding heeft opgenomen met betrekking tot voormeld duplex-appartement en dat zij de BTW op deze facturen voor een bedrag van € … volledig in aftrek heeft genomen.

Bij aangetekende brief van 10 maart 2008 deelt de administratie mee dat het tegoed van 31 januari 2008, zijnde € … zal worden terugbetaald, maar dat deze terugbetaling geen erkenning inhoudt dat de vraag tot teruggaaf terecht is.

Op verzoek van de BTW-controle te … worden in de loop van 2008 drie bezoeken ter plaatse uitgevoerd door het BTW-controlekantoor van …, waarvan telkens proces-verbaal wordt opgesteld. In het proces-verbaal van 26 februari 2008 wordt vastgesteld dat de benedenverdieping 100 % voor privé woning werd gebruikt (wat bevestigd wordt door de echtgenote van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep) en dat zich op de bovenverdieping een volledig nieuw bemeubelde slaapkamer met douchecabine bevindt.

Omdat eiseres in hoger beroep geen bewijs kan voorleggen van de aanwending van het appartement voor economische doeleinden en gelet op de inhoud van de processen-verbaal, is de administratie van oordeel dat de BTW op de facturen met betrekking tot de aankoop van het vruchtgebruik van het appartement en de garage op basis van artikel 45, § 1 W.BTW niet kan aanvaard worden. Op 6 mei 2008 wordt dan ook een correctieopgave aan eiseres in hoger beroep gestuurd. Bij e-mail van 14 juli 2008 deelt de gevolmachtigde boekhouder van eiseres in hoger beroep mee niet akkoord te gaan met de vooropgestelde wijzigingen.

Op 25 september 2008 wordt een proces-verbaal opgesteld.

1.2. Op 5 november 2008 wordt door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 12 november 2008 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Herentals, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt en dat bij aangetekend schrijven van 20 november 2008 aan eiseres in hoger beroep ter kennis wordt gebracht.

In dit dwangbevel wordt betaling gevorderd van :

- € … als BTW,

- € … als geldboete krachtens artikel 70, § 1 bis W.BTW,

- de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2008,

- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 W.BTW,

- de vervolgingskosten.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 18 december 2008, vordert eiseres in hoger beroep te zeggen voor recht dat het bedrag van € … aan BTW door haar rechtmatig werd afgetrokken conform de artikelen 45 tot 49 W.BTW; te zeggen voor recht dat het dwangbevel tot beloop van € … niet gegrond is; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

2.2. Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af; veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, door verweerder in hoger beroep begroot op en door de rechtbank vereffend op € … rechtsplegingvergoeding.

De eerste rechter oordeelt dat de vaststellingen in het proces-verbaal het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet bewezen is; ten deze levert eiseres in hoger beroep niet het minste bewijs van het tegendeel en faalt zij in haar bewijslast; loutere beweringen die door geen controleerbare gegevens ondersteund worden, vormen geen tegenbewijs. Ondanks de problemen aan het duplex-appartement wordt dit toch reeds grotendeels als privé-woning gebruikt, terwijl het daarentegen niet minst beroepsmatig wordt gebruikt. Het is totaal ongeloofwaardig dat eiseres in hoger beroep de bedoeling heeft de benedenverdieping administratief en de bovenverdieping commercieel aan te wenden en dus volledig professioneel aan te wenden, nu het duplex-appartement reeds grotendeels als privé-woning wordt gebruikt en niet in het minst voor enige commerciële activiteit, zoals vastgesteld bij proces-verbaal van 26 februari 2008. Uit geen enkel objectief element kan worden afgeleid dat eiseres in hoger beroep ooit de bedoeling heeft gehad dit duplex-appartement te gebruiken voor haar economische activiteiten, zoals onder meer de bediening van de markt in West-Vlaanderen, en zij faalt dan ook in haar bewijslast. Uit geen enkel objectief element blijkt dat eiseres in hoger beroep het duplex-appartement daadwerkelijk voor enige economische activiteit heeft bestemd en/of dat zij ooit de bedoeling heeft gehad dit appartement te gebruiken voor enige economische activiteit. De administratie heeft terecht het recht op aftrek verworpen en de gevraagde plaatsopneming is dan ook niet zinvol.

2.3. Eiseres in hoger beroep heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 18 juni 2010, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 8 november 2011.

3. Vorderingen en standpunten van partijen in hoger beroep

3.1. In conclusie vordert eiseres in hoger beroep haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat het bedrag van € … aan BTW rechtmatig werd afgetrokken conform de artikelen 45 tot 49, W.BTW; te zeggen voor recht dat het dwangbevel niet gegrond is; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op € … rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en € … rechtsplegingvergoeding hoger beroep; in ondergeschikte orde, een plaatsopneming te bevelen en het overige naar de rol te verzenden om later recht te doen.

Eiseres in hoger beroep stelt dat zij wel degelijk aantoont dat het investeringsgoed voor economische doeleinden wordt aangewend. Uit de gedane vaststellingen blijkt geenszins dat het appartement enkel privé zou gebruikt worden en dat eiseres in hoger beroep niet de intentie zou hebben het te gebruiken voor economische doeleinden.

3.2. Verweerder in hoger beroep concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot op € … rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Volgens verweerder in hoger beroep voldoet eiseres in hoger beroep niet aan haar verplichting om aan te tonen dat het duplex-appartement voor economische doeleinden wordt gebruikt.

4. Beoordeling

4.1. Artikel 45, § 1, W.BTW bepaalt :

"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."

Het recht op aftrek bestaat in principe uitsluitend in hoofde van belastingplichtigen met recht op aftrek, wat impliceert dat het recht op aftrek van voorbelasting in principe een voorrecht van belastingplichtigen is. De hoedanigheid van belastingplichtige volstaat evenwel niet om de voorbelasting in aftrek te brengen. De belastingplichtige kan de voorbelasting enkel in aftrek brengen in de mate dat hij de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, de door hem ingevoerde en intracommunautair verworven goederen, aanwendt voor het verrichten van bepaalde handelingen, onder meer het leveren van goederen en het verstrekken van diensten onderworpen aan BTW.

De belastingplichtige die het recht op aftrek wenst uit te oefenen, moet zelf het bestaan van dat recht in zijnen hoofde bewijzen. Daarbij is het niet voldoende dat hij aantoont goederen te hebben ontvangen, maar moet hij ook aantonen dat die goederen gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen.

4.2. Eiseres in hoger beroep houdt voor het kwestieuze investeringsgoed door haar voor economische doeleinden wordt gebruikt en dat zij derhalve recht heeft op aftrek van voorbelasting.

Zij voert daartoe aan dat zij vanuit deze vestigingseenheid haar verkoop-, marketing-, promotie- en andere administratieve diensten wenst te ontwikkelen voor haar West - Vlaams cliënteel en stelt dat de volledige beneden- en bovenverdieping administratief en professioneel worden aangewend. Ook verwijst zij naar de basisakte, de hypothecaire volmacht en de aankoopfacturen. Verder stelt zij dat een naamplaatje van de vennootschap aan de deur hangt en dat bij de Kruispuntbank van Ondernemingen melding werd gemaakt van een bijkomende vestiging.

Eiseres in hoger beroep verwijst ook naar twee processen-verbaal, afkomstig van de administratie zelf, waaruit de aanwending voor economische doeleinden zou moeten blijken.

In het proces-verbaal van vaststelling van 30 april 2008 wordt vastgesteld dat er op de bel en op de brievenbus geen enkele benaming voorkomt en dat er enkel melding wordt gemaakt van het nummer 7, waarbij hetzelfde geldt voor de andere appartementen (nummers 1 tot en met 6). Verder wordt in dit proces-verbaal vastgesteld dat er geen vermelding is aangebracht van een eventuele verhuur van appartement 7, noch van één van de andere appartementen in het gebouw.

In het proces-verbaal van 18 juli 2008 wordt enkel vermeld dat de controleambtenaar tevergeefs heeft aangebeld en dat van op de straat bleek dat de overgordijnen gesloten waren en er op het terras geen tuinmeubilair stond.

In voormelde processen-verbaal wordt geen melding gemaakt van de doeleinden waarvoor het appartement wordt gebruikt. Het feit dat er op het terras geen tuinmeubilair stond, is op zich geen aanwijzing dat het appartement al dan niet voor economische doeleinden wordt gebruikt.

In conclusie, neergelegd op 8 december 2010, stelt eiseres in hoger beroep zelf dat het appartement nog niet was opgeleverd, dat de schade in het appartement nog diende hersteld te worden, dat de nodige werken dienden uitgevoerd te worden om er voor te zorgen dat er in het appartement geen vochtprobleem zou kunnen ontstaan en dat het appartement nog diende geschilderd te worden. Uit de vaststelling dat er op 18 juli 2008, hetzij meer dan twee jaar voordien, geen tuinmeubilair op het terras stond, kan dan ook niets afgeleid worden met betrekking tot de uiteindelijke bestemming van het goed.

Eiseres in hoger beroep legt zelf een proces-verbaal van vaststelling van de BVBA V& H C. van 25 juni 2007 voor waarin gedetailleerd kamer per kamer de gebreken van het appartement worden opgesomd. In dit proces-verbaal wordt geen melding gemaakt van bureauruimten of ruimten voor administratie, maar is er uitsluitend sprake van slaapkamers, dakterrassen, toiletten, badkamers, een living, een keuken en berging en over één van de slaapkamers op de benedenverdieping wordt vermeld dat er een U-vormig nachttafeltje aanwezig is en de met laminaat beklede houden constructies waartegen het bed zal geplaatst worden lijmresten vertonen.

Aan de hand van voormelde beweringen en stukken toont eiseres in hoger beroep geenszins aan dat het appartement voor economische doeleinden werd / wordt gebruikt.

4.3. Verweerder in hoger beroep verwijst naar het proces-verbaal van 26 februari 2008 waarin mevrouw V. T., de echtgenote van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep, op dat ogenblik bevestigt dat het benedengedeelte van het appartement voor 100 % voor privébewoning wordt gebruikt en dat de bovenverdieping verder zou kunnen uitgewerkt worden voor economische doeleinden.

Deze vaststellingen leveren krachtens artikel 59, § 1 W.BTW bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Eiseres in hoger beroep tracht weliswaar de juistheid van deze vaststellingen in twijfel te trekken of te minimaliseren, doch brengt geen objectieve bewijzen aan die toelaten te besluiten tot de onjuistheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen.

Verweerder in hoger beroep verwijst ook naar het feit dat op de website van de vennootschap geen enkele verwijzing naar de locatie in West­Vlaanderen is terug te vinden. Met verweerder in hoger beroep dient vastgesteld te worden dat het duplex-appartement zich bevindt op de zevende verdieping en op de dakverdieping en dat het appartement volgens de notariële akte bestaat uit vier slaapkamers, twee badkamers, een douchecel, een living met terras en een open keuken. Eiseres in hoger beroep heeft ook facturen ingebracht waaruit blijkt dat haar een meerprijs van ongeveer € … werd gefactureerd voor het keukenmeubilair en het badkamermeubilair.

Ook de factuur van 28 augustus 2007 voor de aankoop van bureelmeubelen levert niet het bewijs dat eiseres in hoger beroep de bedoeling heeft gehad om het appartement te gebruiken voor haar economische activiteiten, nu uit geen enkel gegeven blijkt waar deze bureelmeubelen werden geleverd en er geen sprake is van deze meubelen in het proces-verbaal van vaststelling van 26 februari 2008.

4.4. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres in hoger beroep niet bewijst dat zij het appartement voor haar economische activiteiten heeft bestemd of gebruikt.

Verweerder in hoger beroep heeft dan ook terecht het recht op aftrek geweigerd.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat de gevraagde plaatsopneming niet zinvol is.

4.5. Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige motieven gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en eiseres in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van verweerder in hoger beroep begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES DECEMBER TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B.

en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier

A.V. L. M. G.

S. B. D. W.