Droit à déduction, Cession d’actions · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 7 octobre 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction, Cession d’actions

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-cession-actions-tva-tribunal-2024-10-07-a18c

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
7 octobre 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

93 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre orientale, division Bruges du 07.10.2024

WF 714-15-21/018211

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Cession d’actions

Dispositions légales

Art. 45, §1 CTVA

Résumé

1. Faits et antécédents de procédure

Le demandeur a été identifié à la TVA pour son activité de holding.

A la suite d'un contrôle de la TVA, une infraction au droit à déduction a été constatée. Un relevé de régularisation a été établi, sur lequel le demandeur a partiellement marqué son désaccord. Le litige portait sur le rejet du droit à déduction de la TVA relative à des factures de sociétés de consultance suite à la cession des participations du demandeur dans une autre société. Un procès-verbal a ensuite été établi, contre lequel le demandeur a fait opposition.

2. La décision

Le tribunal a estimé que les services dont se prévaut le demandeur (et pour lesquels il a déduit la TVA) n'ont pas été utilisés pour effectuer des opérations imposables. Les services des sociétés de consultance étaient en effet directement liés à la cession d'actions effectuée par le demandeur, ce qui constitue une opération exemptée.

La vente elle-même des actions ne fait pas partie de l'activité économique taxable du demandeur. Le demandeur ne prouve pas que le but de la vente des actions était de renforcer sa position sur le marché ou d'atteindre cet objectif. Le demandeur ne démontre pas que l'intention était de vendre les actions et de les réinvestir dans le développement de son activité en tant que contribuable.

Le droit à la déduction a été rejeté à juste titre.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10

Vonnis van 07/10/2024

Rol: 22/2945/A

S. bv (KBO: 044...16), maatschappelijke zetel te ...,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester V. B., advocaat te …

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën wiens kabinet is gevestigd aan de Wetstraat 12 te 1000 Brussel op vervolging en benaarstiging van:

1- de adviseur (ontvanger) van de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, Team Invordering Rechtspersonen Kortrijk waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

2- de adviseur-generaal (centrumdirecteur) van de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Administratie KMO, centrum KMO Kortrijk waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

hebbende als vertegenwoordiger de heer X, attaché (ref.: …)

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend d.d. 20 oktober 2022.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 9 september 2024.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE044...16, voor de activiteit van holding. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Een controle werd aangevat bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2018.

Tijdens de fiscale controle werd, volgens de administratie, onder meer een inbreuk vastgesteld op de aftrekregeling t.a.v. handelingen die de belastingplichtige niet zou gebruikt hebben voor het verrichten van de in artikel 45 § 1 WBTW bedoelde handelingen. Er werd een correctieopgave opgesteld en verstuurd op 16 oktober 2020 die op 9 november 2020 werd gevolgd door een gewijzigde correctieopgave. Op 12 november 2020 werd de correctieopgave nogmaals aangepast, omwille van een vergissing in de berekeningen, waarmee eiseres op 20 november 2020 gedeeltelijk niet akkoord ging. Eiseres ging enkel niet akkoord met de verworpen BTW die drukt op volgende facturen:

174066 d.d. 31/10/2017 van leverancier S. VOF met maatstaf 184.893,00 EUR en BTW 38.827,53 EUR;

174068 d.d. 11/08/2017 van leverancier L. I. AG met maatstaf 199.528,00 EUR en BTW 41.900,88 EUR;

174069 d.d. 11/08/2017 van leverancier D. P. UK LLP met maatstaf 5.320,86 EUR en BTW 1.117,38 EUR;

174070 d.d. 11/08/2017 van leverancier A.&O. (Belgium) LLP met maatstaf 51.190,55 EUR en BTW 10.750,02 EUR.

Bovenstaande facturen hebben allen betrekking op bijstand door consultancybedrijven naar aanleiding van de verkoop van de participaties van eiseres in de NV D. T..

Op 10 december 2020 werd een proces-verbaal opgesteld. Verschuldigd is als BTW 92.595,81 EUR, als proportionele geldboete 9.250,00 EUR en nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2016.

Op 11 maart 2021 tekent eiseres bezwaar aan. Bij beslissing van 10 februari 2022 met als kenmerk 71...11 wordt het bezwaar afgewezen.

Door eiseres wordt een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 20 oktober 2022.

2. Eiseres vraagt dat:

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

voor recht wordt gezegd dat de BTW-vordering die voortvloeit uit de kennisgeving van proces-verbaal dd. 10 december 2020 en op basis waarvan op 16 december 2020 een betaalbericht met kenmerk 50...18 werd gestuurd ten bedrage van 92.595,81 EUR aan BTW in hoofdsom, 9.250,00 EUR aan boetes en 25.979,16 EUR aan interesten (berekend tot 16 december 2020), of in totaal 127.824,97 EUR te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten vanaf 20 mei 2020 nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en dat de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mag hebben; ondergeschikt de opgelegde boete kwijt wordt gescholden, minstens uitstel van tenuitvoerlegging van de sanctie wordt toegekend;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 129.979,16 EUR, verhoogd met moratoriuminteresten vanaf 1 februari 2021 tot datum van terugbetaling;

verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand.

3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A.Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve moet opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B.Betreffende de grond

Artikel 45 WBTW

Comform artikel 45, §1 WBTW heeft een BTW-belastingplichtige (o.a.) het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem invoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of diensten gebruikt voor het verrichten van de belastbare handelingen (1°), handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 (2°) en handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen volgens de door of vanwege de minister van financiën te bepalen voorwaarde, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap (4°).

De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45, §1 WBTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.

Op 4 juli 2017 verkoopt eiseres haar aandelen in D. T. NV, dit samen met alle andere aandeelhouders van D. T. NV zodat S. D. Luxembourg alle aandelen in D. T. NV verwerft.

Eiseres heeft naar aanleiding van de verkoop van deze aandelen kosten gemaakt teneinde haar te laten bijstaan door een aantal consultancy bedrijven. De BTW verschuldigd op de facturen die werden uitgeschreven naar aanleiding van deze bijstand werd telkens integraal in aftrek gebracht door eiseres. Het betreft volgende facturen:

174066 d.d. 31/10/2017 van leverancier S. VOF met maatstaf 184.893,00 EUR en BTW 38.827,53 EUR;

174068 d.d. 11/08/2017 van leverancier L. I. AG met maatstaf 199.528,00 EUR en BTW 41.900,88 EUR;

174069 d.d. 11/08/2017 van leverancier D. P. UK LLP met maatstaf 5.320,86 EUR en BTW 1.117,38 EUR;

174070 d.d. 11/08/2017 van leverancier A.&O. (Belgium) LLP met maatstaf 51.190,55 EUR en BTW 10.750,02 EUR.

De rechtbank stelt vast dat de diensten waarop eiseres beroep heeft gedaan (en waarvan zij de BTW in aftrek heeft genomen) niet werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De diensten van de consultancybedrijven hielden wel degelijk rechtstreeks verband met de aandelenoverdracht die eiseres heeft bewerkstelligd, zijnde een vrijgestelde handeling.

De vaststelling of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen een inkomende — en uitkomende handeling is een feitenkwestie die telkens in concreto dient te worden beoordeeld dit gelet op de verscheidenheid van handelstransacties en de verschillende modaliteiten van iedere transactie. Het verdisconteringscriterium is één van de criteria op basis waarvan tot een rechtstreeks en onmiddellijk verband kan worden besloten, maar is niet het enige criterium. Dit geldt des te meer indien de kosten pas gemaakt zijn of gekend zijn nadat de uitgaande handeling reeds is voltrokken.

De rechtbank is van oordeel dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de prestaties van de consultancybedrijven (inkomende handeling waarop BTW drukt) en de vrijgestelde handeling van de verkoop van aandelen. Het verband bestaat er hier onder meer in dat de kosten rechtstreeks voortvloeien uit de vrijgestelde aandelentransactie. Alle adviezen hebben louter en alleen betrekking op deze specifieke transacties. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat de tegenprestatie (kostprijs) van het advies werd gekoppeld aan het al dan niet succesvol afronden van de transactie en vervolgens een percentage bedroeg van de overnameprijs die werd verkregen voor de aandelen.

Het feit dat de kosten niet opgenomen zijn geweest in de overnameprijs doet hieraan geen afbreuk.

Een belastingplichtige heeft ook recht op aftrek wanneer de kosten voor de diensten deel uitmaken van de algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten (Hvj 29 oktober 2009, S., C 29/08, EU:C:2009:665; HvJ 18 juli 2013, A.-3. M. E. 1, C 124/12, EU:C:2013:488). Dit betekent dat indien de belastingplichtige gegevens kan voorleggen die aantonen dat de aangekochte diensten uitsluitend hun oorzaak vinden in haar economische activiteit, er een recht op aftrek ontstaat (Brussel 18 januari 2017, Fisc, Koer. 2017, afl. 6, 584).

Hoger werd reeds gesteld dat de verkoop zelf van de aandelen door eiseres geen deel uitmaakt van de belaste economische activiteit van eiseres. Het is logisch de kosten die hiermee in rechtstreeks verband staan vervolgens te beschouwen als algemene kosten van eiseres die als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door eiseres geleverde goederen of verrichting diensten.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres het tegendeel niet bewijst en dat uit niks blijkt dat de diensten van de consultancybedrijven uitsluitend hun oorzaak vinden in de economische activiteit van eiseres. Eiseres bewijst niet dat het verkopen van de aandelen tot doel had haar marktpositie te verstevigen of dit te bewerkstelligen. Uit de stukken voorgelegd door eiseres blijkt niet welke bedragen ontvangen uit de verkoop van de aandelen effectief geïnvesteerd zijn om de eigen marktpositie te versterken.

Het grootste deel van de ontvangen gelden werd gebruikt door eiseres voor activiteiten die niet aan BTW onderworpen zijn. Eiseres toont niet aan dat het de bedoeling was om de aandelen te verkopen en te herinvesteren in de ontplooiing van haar activiteit als belastingplichtige.

Verweerder heeft derhalve terecht de aftrek van BTW verworpen.

Betreffende de opgelegde geldboete

Krachtens artikel 70, §1 WBTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een boete opgelegd gelijk aan het dubbel van de niet-tijdig betaalde BTW. De boete werd evenwel verminderd in toepassing van artikel 70bis, §1 WBTW en tabel H van de bijlage bij het KB nr. 41 tot een bedrag van 9.205,00 EUR, zijnde 10% van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting.

Een geldboete van 10% op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter.

Het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM staat er niet aan in de weg dat aan de fiscale administratie reeds de taak kan worden opgelegd administratieve geldboetes met een repressief karakter op te leggen bij overtredingen van de belastingwet, voor zover de belastingplichtige de sancties ter beoordeling kan voorleggen aan een rechter met volle rechtsmacht.

Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit het voorgaande blijkt dat eiseres ten onrechte BTW in aftrek heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboete gepast is. Er moet tevens rekening mee gehouden worden dat de geldboete een ontradend effect moet hebben. De rechtbank ziet geen redenen die een uitstel of kwijtschelding zouden kunnen verrechtvaardigen. Het doel van de sanctie zou ook niet bereikt worden zonder een effectieve geldelijke straf.

C. Betreffende kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerders begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag zeven oktober tweeduizend vierentwintig.

Aanwezig zijn:

H. N., alleen rechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

Textes cités

4

Décisions similaires

8