Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 16 septembre 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-gand-2013-09-16-aaa5

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
16 septembre 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 16.09.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 SEPTEMBER 2013

Rolnummer 10/840/A

In de zaak van :

D. K. G., bedrijfsleider, wonende te …, …,

eiser op hoofdvordering, verweerder op tegenvordering,

voor wie optreedt mr. L. D. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, BTW, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-controlekantoor Gent 5, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6/130,

verweerder op hoofdvordering, eiser op tegenvordering,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden een eerste maal gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2012, waarna de zaak op verzoek van de partijen voor sluiting van debatten werd gesteld op de terechtzitting van 17 juni 2013, alwaar zij alsnog in beraad werd genomen.

Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 5 maart 2010, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

2. DE VORDERINGEN

2.1. De hoofdvordering van eiser strekt er achtereenvolgens toe :

- Het proces-verbaal, aan eiser betekend op 27 november 2009, waarin de betaling wordt gevorderd van een bedrag aan BTW van 27.964,11 EUR in hoofdsom, vermeerderd met de administratieve boete van 2.790,00 EUR, te vernietigen;

- Verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die onder voorbehoud van alle rechten bij hem zouden zijn ingevorderd, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van betaling;

- Verweerder te veroordelen tot de kosten van deze procedure, daarin begrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, begroot op 2.000,00 EUR.

2.2. De tegenvordering van verweerder strekt ertoe :

- Eiser te veroordelen tot betaling van de fiscale schuld, gedetailleerd in het proces-verbaal van 27 november 2009, zijnde : BTW : 27.964,11 EUR;

- Fiscale boete overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW, verminderd overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij dit besluit tot 10 %, afgerond op 2.790,00 EUR.

Verweerder nodigt de rechtbank tevens uit akte te nemen van het feit dat de verbaliserende ambtenaar bereid is persoonlijk voor de rechtbank de nodige toelichting te verschaffen over de door hem gedane vaststellingen.

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Op 26 juni 2006 werd aan eiser een vergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een kantoor met verblijfsruimte tot een kantoor met woongelegenheid te …, ….

Op 27 april 2009 diende eiser de aangifte nr. 106 in. Het kadastraal inkomen werd eerder aan eiser betekend op 30 januari 2009.

Eiser maakte ook de facturen en het bouwplan over aan de administratie.

Bij proces-verbaal van 27 november 2009 werd een overzicht opgesteld van de facturen met toepassing van het BTW-tarief van 6 %, met bijhorende uiteenzetting dat het in werkelijkheid zou gaan om de oprichting van een nieuw gebouw, zodat het verlaagde tarief geen toepassing kon vinden.

Op 30 november 2009 volgde een betalingsbericht.

Op 26 mei 2009 zond de administratie aan eiser een minnelijke inregelstelling toe voor goedkeuring en ondertekening.

Vervolgens verrichtte de instrumenterende ambtenaar P. W. op 1 september 2009 een plaatsbezoek op verzoek van de boekhouder van de eiser.

De aangestelde boekhouder van eiser diende vervolgens bij aangetekende brief van 17 september 2009 een bezwaarschrift in.

De ambtenaar in kwestie liet evenwel in zijn repliekbrief van 18 september 2009 weten bij zijn standpunt te blijven.

Op 5 maart 2010 heeft eiser zijn verzoekschrift ingediend ter griffie, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.

4. BEOORDELING

4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de hoofdvordering alvast ontvankelijk worden verklaard.

Ook wat de tegenvordering betreft, is er naar het oordeel van deze rechtbank geen grond om deze als onontvankelijk af te wijzen.

4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak

4.2.1. Eiser blijft erbij dat voor de werken toepassing kan worden gemaakt van het verlaagd tarief van 6 %.

De opmerking van de administratie dat het hier niet zou gaan om een omvorming van een bestaande woning maar wel van de transformatie van een kantoor in een privé-woning, doet volgens eiser niet ter zake. Het zou immers niet relevant zijn of het pand voor de werken al als woning gebruikt werd. Enkel van belang is dat zij na de werken de bestemming van privé-woning krijgt, hetgeen hier zeker het geval zou zijn.

Evenmin zou het gaan om de loutere aanbouw van een nieuwe woning aan een bestaand gebouw. Een deel van de vroegere kantoorruimte (zithoek­wachtkamer) zou immers zijn omgevormd in een garage die thans integraal deel uitmaakt van de woning. De oude keuken zou door de werken dan weer zijn heringericht als badkamer. Dit alles zou zijn gecombineerd met vergrotingswerken van het woongedeelte.

De vaststellingen van de verbaliserende ambtenaar waar verweerder veelvuldig naar verwijst, zijn volgens eiser niet meer dan gevolgtrekkingen, zonder dat men hieruit het bewijs kan afleiden dat er effectief een nieuwe woning werd gebouwd. Voor dergelijke deducties uit gedane vaststellingen zou de omkering van de bewijslast derhalve geen toepassing kunnen vinden.

Eiser merkt tevens op dat men uit de bouwplannen kan afleiden dat de verbouwing voor een relevant deel steunt op het behoud van de oude dragende muren.

Eiser vervolgt dat het door de administratie gehanteerde oppervlaktecriterium niet bindend is. De administratie zou dit overigens zelf ook met zoveel woorden bevestigen In het nummer 37/1528 van haar BTW-commentaar.

Voor wat de totale oppervlakte van het pand na uitvoering van de werken betreft, zouden de oppervlakteberekeningen van de administratie correct zijn. Dit zou echter niet gelden voor de oppervlakteberekening van het nieuwe gedeelte, daar de administratie ten onrechte de huidige badkamer als "nieuw" zou meerekenen. Eiser herhaalt in deze context dat de ruimte waarin vroeger de keuken was gevestigd enkel een bestemmingswijziging heeft ondergaan. De ruimte zou enkel zijn heringedeeld, zonder ingrijpende verbouwingen, om voortaan als badkamer te worden gebruikt.

Eiser voegt hier nog aan toe dat hij voor de werken een renovatiepremie heeft gekregen van de Vlaamse overheid. Daartoe zou hij onder meer hebben moeten aantonen dat het te renoveren gebouw reeds meer dan 25 jaar als woning fungeerde.

Eiser betwist tevens dat de woning onafhankelijk van de kantoorruimte zou kunnen functioneren. Het hele gebouw zou immers slechts één ingang hebben aan de straatzijde, hetgeen volgens eiser betekent dat men telkens de volledige kantoorruimte moet doorkruisen om toegang te krijgen tot de woongedeelten. Ook alle nutsleidingen zouden één circuit vormen.

4.2.2. Na een zeer uitvoerig overzicht van de relevante wettelijke bepalingen, met uitwijding naar de administratieve commentaar en rechtspraak, benadrukt verweerder vooreerst dat de toepassing van het verlaagde tarief van 6 % een uitzondering is op de algemene regel en derhalve beperkend moet worden geïnterpreteerd.

De verbaliserende ambtenaar zou de visu hebben vastgesteld dat er een nieuwe woning werd aangebouwd aan een bestaand gebouw dat dienstig is als kantoor. Deze vaststelling, opgenomen in proces-verbaal, zou gelden als bewijs tot wanneer het tegendeel wordt aangetoond.

Uit het bouwplan zou men duidelijk kunnen afleiden dat het kantoorgedeelte blijft bestaan en slechts een klein aantal bijkomende ruimtes werden gesloopt en vervangen door een volledig nieuw gedeelte.

De muren van de oude keuken zouden niet langer overeenstemmen met de muren van de nieuwe badkamer, hetgeen op zich reeds zou demonstreren dat er sprake was van afbraak en heropbouw.

Het oppervlaktecriterium zou als dusdanig niet onwettig zijn en deel uitmaken van de feitelijke beoordeling door de rechter. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan aldus volgens verweerder worden aangemerkt als een omvorming voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Men zou er kunnen van uitgaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na uitvoering van de werken. Deze administratieve richtlijnen zouden niet indruisen tegen de wet.

De opdeling van de huidige badkamer zou volledig zijn gewijzigd en bovendien werd dit gebouw naar achter toe uitgebreid, aldus verweerder. Aangezien van de oorspronkelijke omtrek van de keuken met andere woorden slechts bitter weinig zou resten, blijft verweerder er bij dat deze moet worden beschouwd als "nieuw''. Alle niet gemeenschappelijke muren van de achterbouw zouden zijn gesloopt om plaats te maken voor een totaal nieuw gedeelte.

Het feit op zich dat aan eiser een renovatiepremie voor de werken werd toegekend zou in de concrete context van dit geschil niet ter zake dienend zijn.

Tot slot laat verweerder nog gelden dat het nieuwe gedeelte onafhankelijk van het oude gedeelte als woning kan functioneren.

4.2.3. Terwijl werken in onroerende staat overeenkomstig artikel 1 van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, onderworpen zijn aan het normale BTW-tarief van 21 % kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6 %.

Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld KB gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé-woning, ouder dan 20 jaar, tot voorwerp hebben".

De betwisting betreft het antwoord op de vraag of de door eiser uitgevoerde werken aan zijn woning moeten worden beschouwd als een "omvorming, verbouwing" dan wel als een nieuwbouw. In het bijzonder moet worden nagegaan of deze werkzaamheden de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele tot voorwerp hebben.

De wetgever heeft de voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Wel werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht.

Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw''. Als nieuwbouw wordt aangemerkt "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur".

In BTW-revue nr. 110/09/1994 werd verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In deze revue werd onder meer het volgende gestipuleerd :

"De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte."

Dit zogenaamde "oppervlaktecriterium" neemt ook in dit dossier een prominente plaats in de argumentatie van de administratie in.

Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben, oordeelt een ruime meerderheid van de rechtspraak terecht dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. van 22 augustus 1986 veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen "omvorming, verbouwing" de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien uit niets blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.

Ook de hierboven aangehaalde mededeling heeft naar het oordeel van de rechtbank geen andere bedoeling en draagwijdte dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen.

Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen. Het toestaan van afwijkingen of uitzonderingen zou de gelijkberechtiging van alle burgers en de rechtszekerheid in het gedrang brengen.

Door het "verdubbelingscriterium" te hanteren voegt de administratie dus evenmin een voorwaarde toe aan het KB nr.20 de dato 20 juli 1970.

Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, blijft bij uitstek een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703-Vr. nr. 585 Gehlen, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).

De criteria die de administratie aanreikt in de richtlijnen en mededeling kunnen niettemin dienstig zijn bij deze globale feitelijke beoordeling, zonder elk afzonderlijk als doorslaggevend te kunnen worden aangemerkt.

4.2.4. De bijzondere bewijswaarde welke kleeft aan de inhoud van het proces­verbaal van een fiscale ambtenaar strekt zich slechts uit tot de materiële vaststellingen van betrokkenen en niet tot de juridische of andere gevolg­trekkingen die de bedoelde ambtenaar aan deze vaststellingen koppelt.

De in proces-verbaal uitgedrukte stelling dat in dit geval een nieuwe woning aan een bestaand gebouw, dat dienst deed als kantoor, werd aangebouwd, betreft volgens de rechtbank de eigen, subjectieve inschatting van de toestand zoals de ambtenaar deze bij het plaatsbezoek heeft waargenomen. Het betreft met andere woorden een fiscaalrechtelijke beoordeling van de werken en niet langer een louter materiële vaststelling van deze werken. Aan dergelijke beoordeling kan geen bijzondere bewijswaarde worden verleend, in die zin dat deze passage van het proces-verbaal stand zou houden tot bewijs van het tegendeel door de belastingplichtige.

Ter terechtzitting van 17 juni 2013 hebben de partijen samen plannen neergelegd, waarvan zij het eens zijn dat deze een beeld geven van respectievelijk de vroegere toestand en de toestand van het pand na uitvoering van de werken.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de kantoorruimte als bestaand werd behouden, doch het aanpalend bureau met zithoek werd omgevormd tot een garage in het pand. Het omgevormde gedeelte bestrijkt iets minder dan de helft van het oorspronkelijke kantoorgedeelte, zodat de administratie alvast faalt in haar poging om te stellen dat slechts een klein aantal bijkomende ruimtes van het kantoorgedeelte werden vervangen, teneinde hiermee aan te tonen dat er geen sprake kan zijn van een omvorming van de bestaande kantoorruimte tot een privé-woning. Ook het kantoorgedeelte blijkt immers een ingrijpende wijziging te hebben ondergaan en werd voor een aanzienlijk deel omgevormd in een garage, dienstig in het kader van de privé-bewoning.

Wat de vroegere keuken betreft, stelt de rechtbank bij vergelijking van de plannen vast dat hierin thans de badkamer werd ondergebracht, met behoud van een groot deel van de oorspronkelijke dragende muur en anderzijds een gevoelige uitbreiding van de bestaande oppervlakte. Het bestaande vertrek werd, aldus uitgebreid en steunt op relevante wijze op de oude dragende muren de volledige zijgevel en de muren van het oude kantoorgedeelte die hier onmiddellijk aan palen, bleven immers integraal bestaan. Het feit op zich dat deze uitgebreide ruimte voortaan anders werd ingedeeld, onder meer door het optrekken van een aantal nieuwe binnenmuren, doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

Tevens staat op het oude plan weliswaar vermeld dat de twee bergingen aan de achterzijde van het pand zouden worden gesloopt, doch de aandachtige studie van het plan met weergave van de toestand na de werken leert dat ook deze ruimtes in werkelijkheid werden herbestemd als keuken, andermaal met een uitbreiding van de totale oppervlakte. Opnieuw werd een gevoelig deel van de bestaande muren behouden.

Wanneer men deze plannen naast elkaar legt, kan de rechtbank het enkel eens zijn met de visie van de eiser dat het bestaande gebouw werd uitgebreid en heringedeeld om dienst te kunnen doen als private woonst, dit grotendeels met behoud van de bestaande dragende structuur. De vergroting van een oud gebouwd door toevoeging van een aantal nieuwe vertrekken en uitbreiding van de bestaande ruimte wordt door de wetgever niet uitgesloten van de toepassing van het verlaagd tarief en komt ook In de door verweerder aangehaalde commentaren niet voor als een handeling die van het 6 %-regime uitgesloten moet worden.

Het bovenstaande heeft tevens tot gevolg dat de administratie evenmin kan worden bijgetreden in haar redenering als zou de heringerichte badkamer als een volstrekt nieuw opgetrokken gedeelte beschouwd kunnen worden voor de toepassing van het zogenaamde oppervlaktecriterium. Wanneer abstractie wordt gemaakt van de aldus ten onrechte “bijgetelde” oppervlakte, komt men tot een uiterst beperkte overschrijding van de administratieve norm welke in het licht van de overige gegevens van het dossier voor de rechtbank niet kan volstaan om de werken niet als een verbouwing in de zin. van rubriek XXXI van tabel A van het KB nr. 20 te aanvaarden.

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat de administratie evenmin het zeil naar zich toe kan trekken op grond van de redenering dat het woongedeelte en het kantoor onafhankelijk van elkaar zouden kunnen functioneren. Het voorgelegde plan van de toestand na uitvoering van de werken laat er geen twijfel over bestaan dat de achterliggende woonvertrekken niet over een eigen ingang beschikken, te onderscheiden van de ingang van het kantoorgedeelte aan de straatzijde. Men moet het kantoor dus noodgedwongen betreden om zich toegang te verschaffen tot het woongedeelte aan de achterzijde. Bovendien wordt eiser evenmin betwist In zijn stelling dat de nutsleidingen van het pand tot één en hetzelfde circuit behoren. In het licht van deze gegevens ziet de rechtbank niet in hoe de woonvertrekken onafhankelijk van het kantoor aan de straatzijde zouden kunnen worden gebruikt.

Samengevat oordeelt de rechtbank dat de door eiser uitgevoerde werken geen nieuwbouw betreffen doch integendeel gekwalificeerd moeten worden als een combinatie van verbouwings- en uitbreidingswerken, waarop het verlaagde BTW-tarief van 6 % toepassing kan vinden.

Op grond van de bovenstaande motieven wordt de hoofdvordering ingewilligd en dient de tegenvordering te worden afgewezen als ontvankelijk, doch ongegrond.

4.3. Voor wat de kosten van het geding betreft

Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in beginsel in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in geld waardeerbaar en moet gelet op de omvang van de bestreden BTW met administratieve boete gesitueerd worden in de schijf van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR, overeenstemmend met een basisbedrag van 2.200,00 EUR, zoals gevorderd door eiser.

Er worden geen bijzondere gronden aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag verantwoorden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt dienvolgens het proces-verbaal, aan eiser betekend op 27 november 2009, waarin de betaling wordt gevorderd van een bedrag aan BTW van 27.964,11 EUR in hoofdsom, vermeerderd met de administratieve boete van 2.790,00 EUR.

Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling van de bedragen die onder voorbehoud van alle rechten op grond van het vernietigde proces-verbaal bij eiser zouden zijn ingevorderd, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van betaling.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding aan de zijde van eiser.

Begroot deze kosten als volgt :

- de basisrechtsplegingsvergoeding : 2.200,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op zestien september tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren :

mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. D. C.

Textes cités

1
AR no 20 art. 11 occurrence