Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 14 décembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-bruges-2011-12-14-df2c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
14 décembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

60 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 14.12.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/3208/A Rep. nr. 2011/14729

de heer C. C., carrossier (Ondernemingsnr. … wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester R. D., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invorderingen, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoor gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie optreedt Meester A. D. Z., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend verzoekschrift houdende verzet dwangbevel neergelegd de dato 24 oktober 2007.

Gelet op het vonnis de dato 25 maart 2009 van deze rechtbank ,·vierde kamer.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 16 november 2011, waarna de zaak voor sluiting der debatten gestuurd werd naar de zitting van 30 november 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. De rechtbank verwijst desaangaande naar zijn uiteenzetting gegeven in het tussenvonnis de dato 25 maart 2009, die hier als volledig herhaald wordt beschouwd.

2.2. Eiser vraagt dat : het fiscaal verzoek ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd, de terugbetaling bevolen wordt van alle sommen die op grond van voormeld dwangbevel werden geïnd verhoogd met de moratoire rente, subsidiair dat kwijtschelding verleend wordt van de opgelegde boete, minstens dat deze substantieel verminderd wordt en dat de kosten ten laste van verweerder worden gelegd.

2.3. Verweerder vraagt dat : het verzet tegen het dwangbevel ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen middelen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Blijkens de vaststellingen van de BTW-administratie bedroeg de door eiser aangegeven omzet tegenover de directe belastingen voor de jaren 2001 en 2002 meer dan de omzet die werd opgenomen in de respectieve BTW-aangiften.

Op 31 januari 2005 werd aan eiser een correctieopgave verzonden en op 14 mei 2007 werd, bij gebrek aan akkoord, een proces-verbaal geredigeerd.

Op 26 september 2007 werd vervolgens een dwangbevel uitgevaardigd dat op 27 september 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 13 oktober 2007 aan eiser ter kennisgeving werd verzonden.

3.2.2. Eiser laat gelden dat hij zich, in de periode waarover de controle gaat en die .aanleiding heeft gegeven tot onderhavige vordering, liet bijstaan door het fiscaal kantoor D.-C. en dat naar aanleiding van de fiscale controle is komen vast te staan dat zijn toenmalige boekhouder, D. D., boven zijn medeweten, een aantal zware onregelmatigheden had begaan.

Ook wijst eiser erop dat D. D. bij vonnis de dato 23 december 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zetelende in correctionele zaken veroordeeld is voor de hem ten laste gelegde feiten, vonnis dat kracht van gewijsde heeft verkregen.

Naar luid van eiser was D. D. geen gevolmachtigde boekhouder en heeft hij buiten zijn mandaat gehandeld.

3.2.3. Wat betreft de tussenkomst van een lasthebber wijkt artikel ..6 WIB 1992 niet af van het in artikel 1985 van het Burgerlijk Wetboek uitgedrukte principe volgens hetwelk de lastgeving mondeling mag geschieden. De lastgeving kan zelfs stilzwijgend worden gedaan (Cass. 2 december 1986, Pas.1987, I, 409).

In casu stelt de rechtbank vast dat de voormalige boekhouder van eiser, D. D., gedurende verschillende jaren de aangiften in de directe belastingen ingevuld en ondertekend heeft voor eiser (stuk 8 – administratief dossier).

Hieruit leidt de rechtbank af dat boekhouder D. wel degelijk over een volmacht beschikte om de aangiften te ondertekenen en in te dienen voor eiser. Eiser beweert dienaangaande dat de boekhouder D. D. zou gehandeld hebben buiten mandaat doch brengt desaangaande geen enkel bewijs aan.

Eiser deed een beroep op boekhouder D. D. voor het vervullen van zijn boekhoudkundige en fiscale verplichtingen.

De belastingplichtige heeft de vrije keuze van zijn lasthebber. Hij moet de gunstige of ongunstige gevolgen van zijn keuze dragen. Het staat eiser vrij te waken over de wijze waarop deze zijn verplichtingen nakomt. Hij kan zich op een nalatige of oneerlijke lasthebber verhalen, doch kan een ongelukkige keuze niet aanvoeren om zich aan zijn fiscale verplichtingen te onttrekken (Tiberghien, Handboek voor Fiscaal Recht 2010-2011 ed. Kluwer 2011, n° 1767, 30).

De burgerlijke partijstelling van eiser lastens D. D. werd bij voormeld vonnis de dato 23 december 2009 afgewezen als ongegrond.

Overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW is door eiser een geldboete verschuldigd wegens de overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, dewelke gelijk is aan het dubbel van de ontdoken belasting of niet tijdig betaalde belasting.

Deze boete werd overeenkomstig de schalen voorzien in Tabel … Eerste Afdeling – IV van het (BTW) KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, verminderd tot 20 % van de verschuldigde belasting.

De aan eiser in toepassing van voormelde bepalingen opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome en goedgekeurd bij wet van 3 mei 1995) en 14 IVBPR (Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten opgemaakt te New York en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981).

De rechtbank vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit houdt ook in dat de rechtbank mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en verweerder naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde geldboete (Cass. 24 januari 2002, rolnr. C 000234N, www.cass.be ).

Er zijn ten deze geen redenen voorhanden om aan te nemen dat de straf onevenredig is met de inbreuk van de eiser en verweerder deze boete niet in redelijkheid kon opleggen gelet op hetgeen voorafgaat en meer bepaald het belastingontduikingsoogmerk.

De fiscale vordering mist grondslag.

3.3. nopens de kosten

Gezien eiser grotendeels in het ongelijk gesteld wordt, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

De gerechtskosten belopen het geïndexeerde basisbedrag fier rechtsplegingsvergoeding ad. … EUR, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag veertien december tweeduizend en elf.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.