Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 7 décembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-bruges-2011-12-07-162b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
7 décembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 07.12.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 10/911/A Rep. nr. 2011/14399

De heer V. P., garagehouder (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester L. C. (balie Brugge) loco Meester R. D., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

1. de FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :

- e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30, woonstkiezend, voor zover als nodig, in de kantoren van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

- de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te BRUGGE, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

eerste verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

2. de heer D. D., gewezen boekhouder, wonende te …, …,

3. het fiscaal bureau D.-C. BVBA, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

tweede en derde verweerders,

voor wie is opgetreden Meester J. V. M. (balie Brugge) loco Meester R. en Meester F. V., beiden advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend dagvaardingsexploot de dato 26 mei 2004 houdende verzet tegen het dwangbevel betekend de dato 16 december 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 9 november 2011.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiser bezit wegens de uitoefening van de economische activiteit van garagehouder tot 30 april 2004 de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.

Op 9 oktober 2003 heeft een ambtenaar van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in zijn hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum Brugge, een toezicht aangevat over de toepassing door eiser van de BTW-wetgeving en BTW-reglementering over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Op 27 oktober 2003 werd een correctieopgave ondertekend waarin het totaal bedrag aan verschuldigde rechten bepaald werd op 11.772,64 EUR te vermeerderen met de bij toepassing van artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW voorziene geldboeten. Eiser verzocht om kwijtschelding of vermindering van de aangerekende boete.

De verschuldigde rechten blijkens de correctieopgave en de intresten werden ingevorderd door het invorderingsorder gekend bij RCIV onder de referte … en er werd vermeld dat de vordering van de boete volgt.

Op 3 december 2003 werd door E. D. B., eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings­ en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum Brugge, voor de vaststelling van de boete een proces-verbaal opgemaakt.

Een invorderingsorder gekend bij RCIV onder referte … ter invordering van een totale boete ad. 16.640 EUR werd op 8 december 2003 opgemaakt.

Op 16 december 2003 werd aangaande de navordering van de boete, door de met invordering belaste ambtenaar per aangetekende brief kennis gegeven van het dwangbevel.

Op 12 december 2003 had BVBA G. B. een verzoekschrift tot kwijtschelding minstens herleiding van de boete ingediend, wat resulteerde in een beslissing de dato 20 januari 2004 waarbij de boete herleid werd tot 40 % van de verschuldigde rechten.

Op 30 maart 2004 heeft de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel opgemaakt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 31 maart 2004 door de daartoe door de gewestelijke directeur van de BTW-administratie te Brugge gedelegeerde ambtenaar. Het voormeld dwangbevel werd bij gerechtsdeurwaardersexploot op 5 april 2004 betekend aan eiser.

Bij dagvaardingsexploot de dato 26 mei 2004 tekende eiser verzet aan tegen het voornoemd dwangbevel en tegen de beslissing de dato 20 januari 2004 omtrent de kwijtschelding der boete waardoor de boete herleid werd naar een bedrag van 3.610 EUR.

Tevens vordert eiser de solidaire veroordeling van tweede en derde verweerders tot betaling aan eiser van een provisionele schadevergoeding ad. 10.000 EUR.

2.2. Eiser vraagt dat : de hoofdvordering van eiser ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, gezegd wordt voor recht dat de in het dwangbevel bepaalde boete niet verschuldigd is aan eerste verweerder, dat ontheffing verleend wordt van de betwiste aanslagen ad. 16.640 EUR en ad. 11.772,64 EUR, de tegenvordering van tweede en derde verweerders afgewezen wordt als onontvankelijk minstens ongegrond en tweede en derde verweerders solidair veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding ad. 10.000 EUR provisioneel en verweerders veroordeeld worden tot de gedingkosten.

2.3. Eerste verweerder vordert dat : het verzet ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de kosten ten laste van eiser gelegd worden.

2.4. Derde en vierde verweerders vorderen dat : de hoofdeis afgewezen wordt als onontvankelijk minstens ongegrond, eiser veroordeeld wordt tot betaling aan tweede verweerder van de som van 3.698,58 EUR, meer de gerechtelijke intresten en de kosten en subsidiair dat, voor zover de rechtbank zou oordelen dat door verweerder enig bedrag zou verschuldigd zijn aan eiser, dit gecompenseerd wordt met het bedrag verschuldigd door eiser aan verweerder en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard wordt.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid van de vordering lastens eerste verweerder

Eerste verweerder voert geen middelen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering zou kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de ontvankelijkheid van de vordering lastens tweede verweerder

a.Tweede verweerder werpt op dat de vordering lastens hem onontvankelijk is gelet op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zetelende in correctionele zaken de dato 23 december 2009 (stuk 1 - bundel tweede en derde verweerders).

b. Artikel 23 Ger.W. luidt : "Het gezag van het rechtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan het hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is".

c. Bij voormeld vonnis de dato 23 december 2003, statuerend op burgerlijk gebied, werd de vordering van de burgerlijke partij P. V. (huidige eiser) lastens beklaagde D. D. (tweede verweerder) ongegrond verklaard daar "het causaal verband tussen de beweerde fout en de zogenaamde schade niet zeker is en daar de bewijslast en het bewijsrisico terzake volledig op degene die beweert schade te hebben geleden, rusten". (stuk 1 - bundel tweede en derde verweerders).

De onderhavige vordering betreft eveneens een vordering in schadevergoeding gesteld op dezelfde gronden door eiser lastens tweede verweerder zodat deze vordering het zelfde voorwerp en oorzaak heeft als deze door eiser gesteld in de strafprocedure.

Onderhavige vordering in schadevergoeding werd derhalve door eiser lastens tweede verweerder ingesteld op grond van dezelfde oorzaak en heeft hetzelfde voorwerp als de vordering door eiser gesteld in de strafprocedure en bestaat tussen dezelfde partijen.

Het gezag van gewijsde van de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering geldt inter partes.

Het gezag van gewijsde dat kleeft aan wat voormeld vonnis de dato 23 december 2009 op burgerlijk gebied tussen partijen heeft beslist, met name de ongegrondheid van de burgerlijke vordering van eiser gesteld lastens tweede verweerder, verhindert krachtens artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek dat onderhavige vordering opnieuw wordt ingesteld.

d. De vordering van eiser lastens tweede verweerder is onontvankelijk

3.3. nopens de buitenzakenstelling van derde verweerder

a. Derde verweerder verzoekt om buitenzakenstelling nu de door eiser ingeroepen fouten allen dateren van vóór de oprichting der BVBA Fiscaal Bureau D.-C. de dato 6 januari 2003.

b. Luidens artikel 17 Ger.W. houdt de ontvankelijkheid van een vordering verband met de hoedanigheid van de eisende partij en het belang van de eisende partij om de vordering in te dienen.

In casu heeft eiser zowel de vereiste hoedanigheid als het vereiste belang om de kwestieuze vordering in te stellen lastens derde verweerder.

c. De vordering is dan ook ontvankelijk en het verzoek tot buitenzakenstelling wordt dan ook afgewezen.

3.4. nopens de grond

A. nopens de vordering lastens eerste verweerder

a. Eiser tekent verzet aan tegen de vordering van de blijkens de correctieopgave verschuldigde rechten en tegen de bij het proces-verbaal van 3 december 2003 opgelegde boete ten belope van het dubbel van de rechten met betrekking tot bepaalde in de correctieopgave vermelde overtredingen.

b. Aangaande het verzet aangetekend door eiser tegen de verschuldigde rechten, stelt de rechtbank vast dat eiser zich blijkens de door hem ondertekende correctieopgave de dato 27 oktober 2003 akkoord verklaard heeft met de kwestieuze vordering. Eiser ontkent trouwens het tekort aan aangegeven omzet niet.

Het feit dat, zoals eiser laat gelden, tweede verweerder wanpraktijken gehanteerd heeft om de boekhouding er gunstiger te doen uitzien door de niet aangifte van de omzet en de inboeking van fictieve facturen, heeft geen relevantie met betrekking tot de gegrondheid van de kwestieuze aanpassingen, waarmee eiser zich akkoord verklaarde.

Uit het administratief dossier blijkt dat eiser op 1 september 2003 aan tweede verweerder volmacht verleend heeft om hem ten aanzien van de fiscale administratie te vertegenwoordigen.

Eiser die de vrije keuze van lasthebber heeft, moet de gunstige of ongunstige gevolgen van zijn keuze dragen. Bovendien staat het hem vrij te waken over de wijze waarop deze zijn verplichtingen nakomt.

De kwestieuze rechten werden terecht door eerste verweerder lastens eiser gevorderd. Het verzet mist op dit onderdeel grondslag.

c. Aangaande boete werd aan eiser conform artikel 70, § 1 W.BTW een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Bij beslissing van 20 januari 2004 werd voormelde geldboete door eerste verweerder herleid tot 40 % van de verschuldigde rechten.

Eiser betwist deze geldboete stellende dat hij niet op de hoogte was van de malafide praktijken gepleegd door zijn boekhouder, tweede verweerder, en dat er in zijnen hoofde geen bedrieglijk opzet bewezen is en vordert kwijtschelding minstens mindering der geldboete.

Een boete van 40 % op het verschuldigde bedrag aan rechten heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en de algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22199).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de Rechtbank (onder meer) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de Rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

De belastingplichtige heeft de vrije keuze van zijn lasthebber. Hij moet de gunstige of ongunstige gevolgen van zijn keuze dragen. Het staat hem vrij te waken over de wijze waarop deze zijn verplichtingen nakomt. Hij kan zich op een nalatige of oneerlijke lasthebber verhalen, doch hij kan een ongelukkige keuze niet aanvoeren om zich aan zijn fiscale verplichtingen te onttrekken (Tiberghien, Handboek voor Fiscaal Recht 2010-2011 ed. Kluwer 2011, nr. 1767, 30).

Concreet is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard van de overtredingen (fictieve aftrek, vermindering van het bedrag van de aankopen om zo een behoorlijke nettowinst te realiseren zonder de omzet te moeten verhogen) eiser bewust beroep gedaan heeft op een opgezet systeem om zich tegenover de maatschappij onrechtmatige financiële voordelen toe te eigenen.

Het door eiser aangehaalde gegeven, zonder enige specificatie terzake, dat in andere dossiers waar tweede en derde verweerder in betrokken zijn, verminderde geldboeten zouden toegepast zijn, mist relevantie nu eiser er blijkbaar vanuit gaat dat in alle dossiers van klanten van tweede en derde verweerder zonder onderscheid de wettelijke boeten dienden opgelegd te worden.

De door eerste verweerder opgelegde geldboete ad. 40 % beantwoordt aan een juiste toepassing van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten.

De voormelde boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar ook een beteugelend karakter en een afschrikwekkend oogmerk.

Het verzet mist op dit onderdeel grondslag.

B. nopens de vordering gesteld door eiser lastens derde verweerster

a. Eiser vordert lastens derde verweerster een provisionele schadevergoeding van 10.000 EUR.

b. Nu de kwestieuze fouten die door eiser worden ingeroepen alleen dateren van vóór de oprichting van derde verweerster (BVBA Fiscaal Bureau D.­C. werd opgericht op 6 januari 2003) en aldus derde verweerster nog niet bestond op het ogenblik dat de kwestieuze feiten zich hebben afgespeeld, mist de vordering lastens derde verweerster grondslag;

C. nopens de tegenvordering van tweede verweerder lastens eiser

a. Bij conclusie de dato 18 mei 2011 stelt tweede verweerder een tegenvordering in lastens eiser in betaling van een bedrag van 3.698,58 EUR. Deze tegenvordering betreft de teruggave van een aantal sommen (1.219,63 EUR inzake directe belastingen en 2.478,95 EUR inzake BTW) waarvan tweede verweerder beweert dat deze sommen betalingen betreffen die hij zou gedaan hebben voor eiser.

b. Tweede verweerder legt desaangaande een aantal rekeninguittreksels voor waarop stortingen van bepaalde bedragen werden aangestipt. De rechtbank stelt vast dat deze stortingen geen melding maken van een referte aangaande het dossier waarop ze zouden betrekking hebben.

Uit onderzoek, gevoerd door eerste verweerder, met betrekking tot de kwestieuze stortingen is gebleken dat de kwestieuze stortingen op het rekeningnummer van het RCIV Mechelen niet toegerekend werden op schulddossiers van eiser.

Nu tweede verweerder niet bewijst dat de kwestieuze door hem gedane stortingen betrekking hebben op eiser en toegerekend werden op de schulden van eiser, mist de tegenvordering grondslag.

D. Nopens de tegenvordering van derde verweerster

a. Derde verweerster vordert een schadevergoeding van eiser ten bedrage van 1.000 EUR wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering.

b. Een tergende en roekeloze vordering onderstelt bewust misbruik of werkelijke onverschoonbare lichtzinnigheid bij het gebruik ervan, hetgeen niet bewezen is. Het is niet omdat een eis ongegrond is dat ze tergend en roekeloos zou zijn.

Derde verweerster bewijst ook de schade in haar hoofde niet.

c. De tegenvordering tot schadevergoeding is dan ook ongegrond.

3.5. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en dient conform artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten te dragen.

De gerechtskosten belopen het basisbedrag der geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. 1.210,00 EUR in hoofde van eerste verweerder, ad. 1.210,00 EUR in hoofde van tweede verweerder en ad. 1.210,00 EUR in hoofde van derde verweerster.

3.6. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiser lastens eerste verweerder, de Belgische Staat, ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de vordering van eiser lastens tweede verweerder, D. D., onontvankelijk.

Verklaart de vordering van eiser lastens derde verweerster, BVBA Fiscaal Bureau D.-C., ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de tegenvorderingen van tweede en derde verweerders, lastens eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eerste, tweede en derde verweerders begroot de geïndexeerde basisrechtsplegingsvergoeding ad. 1.210,00 EUR elk.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag zeven december tweeduizend en elf.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.