Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 30 juin 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-tribunal-bruxelles-2010-06-30-3dba

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
30 juin 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

137 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 30.06.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste Kamer

AR 2007/1013/A

- Federale belastingen – BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De heer S. M., wonende te …, …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. S. D., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Brussel 4, met burelen te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3102,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 09/06/2010, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- de dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevelen; op verzoek van eiser betekend aan verweerder op 03/01/2007;

- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 21/09/2009;

- de besluiten en de synthese besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 12/10/2007 en 21/04/2010;

- de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 21/01/2010;

- de stukken van eiser, neergelegd ter griffie op 25/05/2010; en

- de stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 09/06/2010.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 09/06/2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1.

1.1. Eiser was als muzikant actief en ingeschreven als BTW-belastingplichtige sinds 07/05/1986.

1.2. Op 24/04/1989 werd door dhr. A. P. een controle uitgevoerd bij eiser voor wat betreft de periode 01/01/1987 tot 31/12/1988. Op basis van deze controle stelde deze een regularisatieopgave op met datum 24/04/1989. Hierin werd vastgesteld dat voor een bedrag van 89.908 BEF (thans 2.228,76 euro) aan BTW geen aangifte werd gedaan.

Alzo werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :

In hoofde van BTW : 89.908 BEF (thans 2.228,76 euro),

Verminderde proportionele boete : 13.350 BEF (thans 330,94 euro),

Intresten aan 0,8 percent per maand vanaf 21/01/1989. (stuk 2 verweerder)

Op 24/04/1989 tekende eiser een akkoord voor de aangehaalde verschuldigde BTW. (stuk 3 verweerder)

Nu deze sommen niet werden betaald, werd hiervoor op 30/11/1989 een dwangbevel uitgevaardigd met nummer …, uitvoerbaar verklaard op 06/12/1989. (stuk 1 verweerder)

1.3. Op 13/04/1989 werd door dhr. E. V. een controle uitgevoerd bij eiser voor wat betreft de periode 01/01/1988 tot 31/12/1988. Op basis van deze controle stelde deze een regularisatieopgave op met datum 13/04/1989. Hierin werd vastgesteld dat voor een bedrag van 174.059 BEF (thans 4.314,81 euro) aan BTW geen aangifte werd gedaan.

De volledige vaststellingen hierin opgenomen kunnen niet bepaald worden nu het stuk dat door beide partijen wordt neergelegd klaarblijkelijk niet volledig is (stukken 5 van zowel eiser als verweerder). Hoe dan ook tekende eiser op 28/12/1989 een akkoord voor de aangehaalde verschuldigde BTW. (stuk 7 verweerder)

Nu deze sommen niet werden betaald, werd hiervoor op 03/03/1992 een dwangbevel uitgevaardigd met nummer …, uitvoerbaar verklaard op 05/03/1992. (stuk 4 verweerder)

Hierin werd vastgesteld dat verschuldigd is :

In hoofde van BTW : 174.059 BEF (thans 4.314,81 euro),

Verminderde proportionele boete : 51.000 BEF (thans 1.264,26 euro),

Boete ex art. 70, § 4 W.BTW (niet tijdige aangifte) : 12.000 BEF (thans 297,47 euro),

Intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21/01/1989.

1.4. Op 15/05/1990 werd een bijzondere rekening opgesteld (stuk 9 verweerder) waarin een niet betaald saldo van 3.689 BEF (thans 91,45 euro) werd vastgesteld, meer een boete.

Nu deze sommen niet werden betaald, werd hiervoor op 04/02/1994 een dwangbevel uitgevaardigd met nummer …, uitvoerbaar verklaard op 10/02/1994. (stuk 8 verweerder)

Hierin werd vastgesteld dat verschuldigd is :

In hoofde van BTW : 3.689 BEF (thans 91,45 euro),

Boete wegens laattijdige betaling : 450 BEF (thans 11,16 euro),

Boete wegens niet tijdige aangifte : 1.050 BEF (thans 26,03 euro),

Intresten aan 0,8 % per maand.

1.5. Bij een navolgende controle voor de periode van 01/10/1989 tot 30/06/1990 reageerde eiser zelfs niet op enige oproeping zodat op 12/02/1991 een ambtshalve aanslag werd gedaan.

Hierin werd vastgesteld dat nog verschuldigd zijn :

In hoofde van BTW : 268.321 BEF (thans 6651,50 euro),

Proportionele boete : 79.500 BEF (thans 1.970,75 euro),

Boete wegens niet tijdige aangifte : 40.000 BEF (thans 991,57 euro);

Intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21/07/1990.

Nu deze sommen niet werden betaald, werd hiervoor op 09/12/1994 een dwangbevel uitgevaardigd met nummer …, uitvoerbaar verklaard op 12/01/1995. (stuk 10 verweerder)

1.6. In uitvoering van deze BTW-schulden volgde nog een hele reeds betekeningen en ingebrekestellingen, waarna eiser uiteindelijk bij dagvaarding van 03/01/2007 deze schulden wenst aan te vechten.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2. De vordering van eiser strekt ertoe :

- vast te stellen dat de vordering tot voldoening van de belasting zoals deze voortspruit uit het dwangbevel van 3 maart 1992 verjaard is;

- de bestreden dwangbevelen te vernietigen, minstens te zeggen voor recht dat de Heer M. de in deze dwangbevelen gevorderde sommen niet verschuldigd is;

- de opgelegde BTW-boeten onwettig te verklaren en in ondergeschikte orde deze geldboeten kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen;

- de uitvoering van de betwiste dwangbevelen te verbieden;

- in ondergeschikte orde [...] de Heer M. toe te staan zijn schuld af te lossen mits betaling van een maandelijks bedrag van 50,00 euro.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiser.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

3. Verweerder werpt geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van eiser op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. Deze is ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

4. In dagvaarding voerde eiser aan dat het dwangbevel van 03/03/1992 zou verjaard zijn. Gelet op de bijgebrachte stukken stelt eiser in besluiten dat hij zich ter zake naar de wijsheid gedraagt.

In deze kan vastgesteld worden dat de BTW-schuld die ten grondslag ligt aan het dwangbevel van 03/03/1992 niet verjaard is ingevolge de volgende stuitingsdaden :

- erkenning voor akkoord van de regularisatieopgave door eiser op 28/12/1989 (art. 2248 BW juncto art. 83, § 1 W.BTW);

- betekening van een bevel tot betaling van 20/03/1992;

- notificatie van het dwangbevel op 15/01/1997;

- notificatie van het dwangbevel op 19/11/2001; en

- betekening van een bevel tot betaling van 14/11/2006.

De BTW-schuld is dus niet verjaard.

5.

5.1. Eiser beklaagt zich vervolgens over de schending van de redelijke termijn. De administratie heeft 3 jaar gewacht om het dwangbevel van 03/03/1992 te betekenen en 4 jaar om het dwangbevel van 04/02/1994 te betekenen. Vervolgens werd gewacht tot 2006 om de BTW-schuld op te eisen.

Volgens eiser is dit een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Verweerder stelt dat eiser op voorhand reeds op de hoogte was van de verschuldigde bedragen door de ondertekening voor akkoord van de regularisatieopgaven, bijzondere rekening en procedure van ambtshalve aanslag. Eiser had dus reeds eerder kennis van de onderliggende BTW-schuld.

5.2. De BTW-administratie dient in de procedure houdende vaststelling en inning van de BTW-schulden op te treden conform de beginselen van behoorlijk bestuurd. Dit houdt onder meer in dat de nodige zorgvuldigheid moet aan de dag gelegd worden en dat deze met de nodige diligentie dient op te treden. Er kan dus sprake zijn van een schending van de redelijke termijn bij de vaststelling en inning van een BTW-schuld, rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak.

Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met het feit of er een schending is van de rechten van verdediging van eiser, met name of door de lange wachttijd de mogelijkheden om de heffing ten gronde te betwisten aangetast werden.

Bovendien geldt voor wat betreft de opgelegde administratieve geldboeten artikel 6 EVRM, nu dergelijke geldboeten te beschouwen zijn als een straf in de zin van dit verdrag.

5.3. Bij de beoordeling van de al dan niet schending van de redelijke termijn dienen alle concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking genomen te worden.

a. Vooreerst verwijt eiser de BTW-administratie slechts opgetreden te zijn ter inning van de onderliggende BTW-schulden in 2006. Hoewel dit een zeer lange termijn lijkt indien men de onderliggende BTW-schulden in ogenschouw neemt (die betrekking hebben op de periode van 1987-1990), is de rechtbank van oordeel dat bij de invordering van de onderliggende BTW-schulden geen schending van de redelijke termijn voorhanden is.

Eiser voert immers zelf aan dat hij weinig vermogend was. In het licht hiervan kan van de diensten van verweerder niet verwacht worden dat zij nutteloze uitvoeringshandelingen zouden stellen. Dit zou bovendien de kosten ten laste van, eiser enkel verder hebben doen oplopen.

b. De volgende vraag is of bij de vaststelling van. de onderliggende BTW-schulden met de nodige diligentie is opgetreden door de belastingadministratie.

Wat betreft het dwangbevel van 30/11/1989 (nummer …) moet vastgesteld worden dat de hierin opgenomen BTW-schuld reeds werd vermeld in een regularisatieopgave van 24/04/1989 en dat eiser zich op diezelfde dag akkoord verklaarde met de vastgestelde BTW-schuld. De controle gebeurde ook op dezelfde dag. De BTW-schuld is dus onmiddellijk vastgesteld, eiser is hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht en verklaarde zich hiermee akkoord.

Op 30/11/1989 werd reeds overgegaan tot betekening van het dwangbevel voor de vastgestelde BTW-schuld en de opgelegde boete. De redelijke termijn is voor wat betreft de in dit dwangbevel opgenomen sommen dus niet overschreden.

c. Wat betreft het dwangbevel van 03/03/1992 (nummer …) moet vastgesteld worden dat de hierin opgenomen BTW-schuld reeds werd vermeld in de betreffende regularisatieopgave en dat eiser zich op 28/12/1989 akkoord verklaarde met de vastgestelde BTW-schuld.

Gelet hierop kan het verweerder niet verweten worden slechts op 03/03/1992 overgegaan tot zijn tot het uitvaardigen van een dwangbevel, hetwelk verjaringsstuitend bedoeld was in het licht van de niet betaling door etser.

Deze redenering gaat evenwel niet op voor de hierin opgenomen geldboeten. Eiser verklaarde zich op 28/12/1989 immers enkel akkoord met de vastgestelde verschuldigde BTW, niet met de opgelegde geldboeten. Gelet op de zeer eenvoudige aard van de betwisting (bepalen van de omvang van de geldboete waarvan de feiten niet werden betwist) is er dus geen enkele verantwoording waarom de volgende stap in de vaststelling en het opleggen van de geldboeten (met name het betekenen van een dwangbevel) meer dan drie jaar diende te wachten. Eiser dient· dan ook ontheven-te worden van de in het dwangbevel van 03/03/1992 (nummer …) opgenomen geldboeten.

d. Wat betreft het dwangbevel van 04/02/1994 (nummer …) dient vastgesteld te worden dat deze werd betekend in uitvoering van een bijzondere rekening van 15/05/1990. Deze bijzondere rekening werd evenwel op diezelfde dag reeds aangetekend betekend aan eiser, zodat er ook op dit punt geen schending van de redelijke termijn is. Eiser had op dat moment, indien er onduidelijkheid was over de verschuldigde BTW, de nodige stappen kunnen nemen om deze BTW-schuld aan te vechten.

Gelet hierop kan het verweerder niet verweten worden slechts op 04/02/1994 overgegaan tot zijn tot het uitvaardigen van een dwangbevel, hetwelk verjaringsstuitend bedoeld was in het licht van de niet betaling door eiser.

Deze redenering gaat evenwel niet op voor de hierin opgenomen geldboeten. Gelet op de zeer eenvoudige aard van de betwisting (bepalen van de omvang van de geldboete waarvan de feiten niet werden betwist) is er geen enkele verantwoording waarom de volgende stap in de vaststelling en het opleggen van de geldboete (met name het betekenen van een dwangbevel) meer dan drie jaar diende te wachten. In het licht van artikel 6 EVRM is deze termijn niet te verantwoorden. Eiser dient dan ook ontheven te worden van de in het dwangbevel van 04/02/1994 (nummer …) opgenomen geldboeten.

e. Wat betreft het dwangbevel van 09/12/1994 (nummer …) dient vastgesteld te worden dat deze werd betekend in uitvoering van een beslissing tot ambtshalve taxatie van 12/02/1991. Deze gebeurde omdat eiser geen aangifte had gedaan en niet reageerde op een controle.

Verweerder houdt wel voor dat deze beslissing aan eiser werd betekend, doch hiervan ligt geen enkel bewijs voor. Bijgevolg is niet bewezen dat eiser tijdig op de hoogte werd gebracht van deze BTW-schuld, zodat het hem zeker moeilijker werd om de vastgestelde BTW te betwisten op het moment dat, bijna vier jaar later, het dwangbevel werd betekend. Om deze reden is er een schending van de redelijke termijn en dient eiser ontheven te worden van de in dit dwangbevel opgenomen BTW en administratieve geldboeten. Bovendien is evenmin bewezen dat de op grond van artikel 67, al. 2 W.BTW vereiste procedure bij een ambtshalve aanslag werd gevolgd.

6. Eiser stelt dat de opgelegde geldboetes niet proportioneel zijn.

In zoverre deze vordering betrekking heeft op de geldboeten opgenomen in de dwangbevelen van 03/03/1992 (nummer …), 04/02/1994 (nummer …) en 09/12/1994 (nummer …) dient dit argument niet verder onderzocht te worden, nu om de aangehaalde redenen eiser hiervan kan ontheven worden.

Wat betreft het dwangbevel van 30/11/1989 (nummer …) is er geen reden om deze boete te verminderen omdat deze disproportioneel zou zijn.

Er moet aangenomen worden dat de rechtbank bij de beoordeling van een boete op basis van artikel 70, § 1 W.BTW een even ruime controle moet kunnen uitoefenen - niet enkel van de wettigheid van de boete, maar ook van de opportuniteit hiervan zoals deze bestaat in hoofde van de administratie.

Artikelen 70, § 1 W.BTW moet op deze wijze geïnterpreteerd worden dat de rechter met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen over de kwijtschelding of vermindering van een administratieve geldboete. Hierbij moet de rechtbank kunnen nagaan of alle wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder de evenredigheid, werden nageleefd bij het opleggen van de boete (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 79/2008, 15/05/2008, overweging BS). In een andere interpretatie is deze bepaling immers niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 gec. G.W. en artikel 6 Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (zie Grondwettelijk Hof (overweging B6.2 van datzelfde arrest)).

De omvang van de toetsingsbevoegdheid van de hoven en rechtbanken moet dus even ver gaan als de wettelijke mogelijkheden die de administratie of de minister hebben om een administratieve boete kwijt te schelden, met name ook op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18/03/1831.

In deze werd de geldboete opgelegd ingevolge het gebrek aan aangifte van bepaalde inkomsten (en bijgevolg betaling van BTW). Noch de werkloosheid van eiser, noch de beperkte inkomsten die hij genoot kunnen ook maar de minste rechtvaardiging vormen voor het niet aangeven van bepaalde inkomsten. Bovendien blijkt uit dit dossier dat dezelfde nalatige houding van eiser een constant en duurzaam fenomeen was. Eiser had blijkbaar gedurende de hele periode van 1987 tot en met 1990 lak aan zelfs de meest elementaire fiscale regels. Gelet hierop is de reeds proportioneel verminderde boete allerminst disproportioneel.

7. Eiser stelt dat de opgelegde geldboetes niet correct gemotiveerd zijn.

In zoverre deze vordering betrekking heeft op de geldboeten opgenomen in de dwangbevelen van 03/03/1992 (nummer …), 04/02/1994 (nummer …) en 09/12/1994 (nummer …) dient dit argument niet verder onderzocht te worden, nu om de aangehaalde redenen eiser hiervan kan ontheven worden.

Wat betreft het dwangbevel van 30/11/1989 (nummer …), is de daarin opgenomen geldboete afdoende gemotiveerd in de regularisatieopgave van 24/04/1989. Zowel de feitelijke grondslag (overtreding die aanleiding geeft tot de toegepaste geldboete), als de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen worden hierin vermeld. Eiser was dus afdoende in de mogelijkheid om de redenen en de rechtsgrond van deze opgelegde geldboete te onderzoeken en desgevallend te betwisten.

Van enige tegenstrijdigheid tussen de regularisatieopgave en het dwangbevel is evenmin sprake. In de regularisatie werd immers reeds aangekondigd dat de geldboete zou worden verhoogd indien diende overgegaan te worden tot betekening (en de rechtsgrond hiervan).

Bijgevolg is de nog ter discussie staande geldboete correct gemotiveerd.

Terecht merkt verweerder wel op dat deze boete dient te beperkt te worden tot 220,63 euro (8900 BEF), rekening houdende met de vernietiging van art. 2 van het KB 30/01/1987 (R.v.St. nr. 57.134, 20/12/1995).

8. Uiterst ondergeschikt vordert eiser betalingstermijnen van 50,00 euro per maand.

Het komt de rechtbanken niet toe betalingstermijnen toe te staan in afwijking van de dwingende wettelijke regeling dienaangaande. Deze bevoegdheid komt exclusief toe aan de ontvanger. (Cass. 24/04/2008, rolnummer F.06.0042.N; zie ook B. VANERMEN, “Actualia fiscaal executierecht" in H. COUSY en E. DIRIX (red.), Themis cahier nr. 58 - Insolventie en beslagrecht, Brugge, Die Keure, 2010, p. 100-101).

4. KOSTEN WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGVERGOEDINGEN

9. Gelet op de mate waarin de vordering van eiser deels gegrond is, komt het raadzaam voor belde partijen te veroordelen tot het dragen van de helft van de gedingkosten.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond.

Ontheft eiser van :

- de in het dwangbevel van 03/03/1992 (nummer …) opgelegde administratieve geldboetes van 51.000 BEF (thans 1.264,26 euro) en 12.000 BEF (thans 297,47 euro), alsmede de intresten die hierop betrekking hebben;

- de in het dwangbevel van 04/02/1994 (nummer …) opgelegde administratieve geldboetes van 450 BEF (thans 11,16) en 1.050 BEF (thans 26,03 euro), alsmede de intresten die hierop betrekking hebben;

- alle in het dwangbevel van 09/12/1994 (nummer …) opgenomen bedragen hoofdens verschuldigde BTW-administratieve geldboeten en intresten.

Zegt dat de in het dwangbevel van 30/11/1989 (nummer …) opgenomen geldboete beperkt blijft tot 220,63 euro (8900 BEF).

Verwerpt de vordering van eiser voor het overige als niet gegrond.

Veroordeelt beide partijen tot het dragen van de helft van de gedingkosten en begroot deze kosten als volgt :

- eiser : 260,83 euro (dagvaardingskosten) en 2.000,00 euro (rechtsplegingsvergoeding);

- verweerder : 2.000,00 euro (rechtsplegingsvergoeding)

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 30 juni 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier

I. D. J. V. B.