Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 22 décembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-hasselt-2011-12-22-92af

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
22 décembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 22.12.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT - 11A KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR 03/1754/A

H. T., wonende te … (Nederland), ….

Eiser, niet verschijnende

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. O. loco mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- de inleidende dagvaarding van 18.06.2003, betekend door gerechtsdeurwaarder B. h. te …;

- de conclusies en stukken van verweerder.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

1. Eiser was op het ogenblik van de feiten geregistreerd onder het BTW-nummer BE …, wegens de activiteit van uitbater van een drankgelegenheid en als dusdanig uit hoofde van zijn economische activiteit onderworpen aan de bepalingen van het BTW­wetboek en de ter uitvoering getroffen besluiten.

2. Eiser diende op bij het bevoegde BTW-controlekantoor een aangifte van aanvang van werkzaamheden in en startte met zijn economische activiteit op 01.01.1994. Op 01.06.1996 beëindigde hij als natuurlijke persoon zijn economische activiteit en werd de handelszaak overgedragen aan de BVBA L. C..

Op 15.01.1998 ondertekende eiser een stopzetting van werkzaamheden (zie stuk 1, bundel verweerder).

3. Naar aanleiding van een controle over de periode eerste kwartaal 1994 t.e.m. tweede kwartaal 1996 werd vastgesteld dat eiser ten onrechte het tarief van 6 % toepaste.

Deze onregelmatigheid resulteerde in een correctieopgave, die op 31.05.1999 werd ondertekend door eiser (zie stuk 2, bundel verweerder).

4. Bij gebreke aan betaling werd eiser bij brief van 10.01.2003 uitgenodigd om over te gaan tot betaling (zie stuk 4, bundel verweerder).

Bij brief van 12.02.2003 stelde de raadsman van eiser dat eiser niet op de hoogte zou zijn van enige BTW-achterstand. Tevens verzocht de raadsman van eiser dat hij de BTW-vordering in maandelijkse schijven van … euro mocht afbetalen (zie stuk 4, bundel verweerder).

Bij brief van 14.02.2003 stelde de wnd. e.a. inspecteur D. S. verbonden aan het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2 dat men niet akkoord kon gaan met de voorgestelde maandelijkse aflossingen van … euro. Tevens wees men erop dat men zou overgaan tot vervolging (zie stuk 5, bundel verweerder).

5. Op 21.05.2003 werd er door de wnd. e.a. inspecteur D. S. verbonden aan het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2 een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel werd op 22.05.2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 6, bundel verweerder).

Middels voornoemd dwangbevel vordert de administratie de betaling van de volgende bedragen :

1° als belasting over toegevoegde waarde : … euro

2° als geldboete : … euro overeenkomstig art. 70, § 1 en 70 § 1bis, W.BTW

3° bedragen te vermeerderen met de intresten van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.05.2003, te vermeerderen met de reeds vervallen intresten ten bedrage van … euro

4° de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van dit dwangbevel ingevolge art. 91, § 4, W.BTW.

5° de vervolgingskosten

6° eiser heeft middels dagvaarding van 18.06.2003 hiertegen verzet aangetekend en een vordering in rechte ingeleid bij deze rechtbank.

ll. BEOORDELING

1. Ontvankeliikheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Aangaande de bevoegdheid van de e.a. inspecteur om in naam van de FOD Financiën een dwangbevel te betekenen :

Eiser houdt vooreerst voor dat de e.a. inspecteur D. S. verbonden aan het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2 niet de bevoegdheid had om een dwangbevel uit te vaardigen.

Overeenkomstig art. 85 W.BTW is bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren de met de eindvordering belaste ambtenaar gehouden om een dwangbevel uit te vaardigen.

Op het ogenblik van de feiten was eiser woonachtig te … en ressorteerde hij onder het controlekantoor Lanaken. De opvolging van de schulddossiers van het BTW-controlekantoor Lanaken valt onder de bevoegdheid van het BTW-ontvangkantoor Hasselt 12.

De heer S. werd op 24.07.2001 belast met de hogere functie van e.a. inspecteur bij het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2 (zie stuk 8, bundel verweerder). De heer M. werd vanaf 23.03.1998 belast met de hogere functie van e.a. inspecteur bij het BTW-controlekantoor Lanaken (zie stuk 9, bundel verweerder).

De heer M. heeft rechtsgeldig het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard dat de heer S. rechtsgeldig heeft opgesteld.

2.2. Redelijke termijn

Eiser houdt voor dat de BTW-administratie niet overeenkomstig de regels van behoorlijk bestuur heeft gehandeld nu zij niet binnen een redelijke termijn heeft gehandeld. Het dwangbevel is het gevolg van een controle die zich pas drie jaar na de werkelijke stopzetting heeft voorgedaan; dat na de controle de overheid nog 4 jaar heeft gewacht om effectief een schrijven te richten aan eiser om uiteindelijk over te gaan tot betekening van een dwangbevel, voor sommige feiten bijna 10 jaar na datum!

Uit het loutere feit dat een dwangbevel werd opgesteld enige jaren ·na de vaststelling volgt niet automatisch de onwaarde van dat dwangbevel.

De verlopen termijn tussen de vaststelling van de inbreuk en het opstellen van het dwangbevel door de BTW-administratie is in casu verantwoord door de administratieve procedure, door de termijn die gelaten werd om eventueel tot een minnelijke overeenkomst te komen en door de houding van eiser.

2.3. Ten gronde

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn dagvaarding nergens melding maakt van een reden ten gronde waarom de vorderingen van de BTW­administratie niet correct zouden zijn. De vorderingen zijn een gevolg van het verkeerd toepassen van het tarief van 6 % door eiser en zijn gegrond op basis van de bepalingen van het BTW-wetboek en de ter uitvoering genomen besluiten.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat eiser op 31.05.1999 de correctieopgave voor akkoord heeft ondertekend.

De vordering van eiser is derhalve ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 22.12.2011 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw M. C., griffier.

M.C. M. C.