Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 18.01.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR.nr. 01/0965/A :
van
de heer V. W. B., varkenshandelaar, wonende te …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door meester J. S., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat nr.12, in de persoon van
- de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr.30, en woonst kiezende bij zijn ambtsgenoot te 8000 Brugge, G.Vincke Dujardinstraat 4,
- de heer Hoofdcontroleur der BTW te Tielt, wiens kantoren gevestigd zijn te 8700 Tielt, Administratief centrum, Tramstraat nr.50,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 december 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de geding inleidende dagvaarding van 27 november 1992 met verzet tegen het dwangbevel dat op 16 oktober 1992 is uitgevaardigd;
2. de conclusie voor verweerder van 23 september 1993 die opnieuw ter zit ting van 21 december 2004 is neergelegd;
3. de conclusie voor eiser van 23 maart 2001;
4. de conclusie voor verweerder van 14 november 2002;
5 de conclusie voor eiser van 14 mei 2003 en
6. de conclusie voor verweerder van 23 december 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiser was betrokken in een zaak van sluikinvoer van vleeswaren vanuit Turkije, in principe bestemd voor Ivoorkust (Afrika), maar waarvan gebleken is dat het vlees in België aan zijn bestemming (doorvoer) onttrokken werd : het hoogwaardig vlees werd vervangen door kalfspoten om verscheept te worden naar Ivoorkust. De container werd evenwel door de douane in Zeebrugge onderschept. De feiten speelden zich af in 1989.
De Administratie van Douane en Accijnzen stelde proces-verbaal op door weergave van de verhoren van de verschillende personen die bij de onderscheiden transacties betrokken waren. Dat proces-verbaal werd op 3 januari 1992 afgesloten. Naast de invoerrechten en de landbouwheffingen werd ook de verschuldigde BTW vermeld, namelijk 6 % op een totale belastbare basis van … frank (… euro), wat een bedrag van … frank (… euro) BTW gaf.
Op 16 juli 1992 heeft de hoofdcontroleur D. C. van het controlekantoor Tielt voor de BTW op zijn beurt een proces-verbaal opgesteld waarin hij zich baseert op het (aangehecht) proces-verbaal van de Douane van 3 januari 1992. Daarin wordt gesteld dat eiser, samen met vijf andere personen, als dader of mededader heeft deelgenomen aan de frauduleuze invoer en dat op grond van de feiten, de volgende bedragen door eiser verschuldigd zijn :
- BTW : … frank (… euro);
- proportionele geldboete gelijk aan het dubbele van de BTW of … frank (… euro) en
- de in artikel 91, § 1, W.BTW bedoelde interest op … frank (… euro) vanaf 6 september 1989.
Op basis van dat proces-verbaal van 16 juli 1992 heeft de Ontvanger te Roeselare op 16 oktober 1992 een dwangbevel uitgevaardigd ten nadele van eiser voor dezelfde bedragen als hierboven vermeld, meer de moratoire interest op de verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving of betekening van dat dwangbevel en meer de vervolgingskosten.
Het dwangbevel werd op 12 november 1992 bij gerechtsdeurwaarders exploot aan eiser betekend.
Met een dagvaarding van 27 november 1992 stelde eiser zijn huidige vordering in.
De betreffende feiten hebben het voorwerp uitgemaakt van een strafrechtelijke vervolging voor de Correctionele Rechtbank van Doornik (nadat de Correctionele Rechtbank van Brugge de zaak op grond van de Wet op het Taalgebruik in gerechtszaken had verzonden). Bij vonnis van 3 oktober 1996 van die rechtbank werden de betrokkenen, waaronder eiser, strafrechtelijk veroordeeld. Tegen dat vonnis werd hoger beroep ingesteld.
In de loop van die beroepsprocedure heeft eiser met de Administratie van Douane en Accijnzen een transactie gesloten. Na besprekingen is eiser ingegaan op het voorstel om een bedrag van … frank (… euro) te betalen aan de Ontvanger van Douane en Accijnzen in ruil voor een afstand van de vordering door de Administratie van Douane en Accijnzen tegen eiser. De Administratie van Douane en Accijnzen benadrukte in haar aanbod dat het geen enkele nadelige erkenning inhield jegens andere betrokken instanties of administraties. De betaling gebeurde nadat de advocaat van eiser aan de Inspectie van de Douane en Accijnzen geschreven had op 11 maart 1999 dat die betaling ook geen erkenning inhield in hoofde van eiser, meer bepaald wat betreft zijn dader- of mededaderschap of medeplichtigheid aan het misdrijf van onttrekking of zelf belanghebbende bij de fraude en dat het evenmin een erkenning inhield als zou hij voor de BTW de bestemmeling of eigenaar van de fraudegoederen geweest zijn.
Van de strafzaak, in graad van beroep, werd kennelijk geen verder werk meer gemaakt.
2. De vorderingen van de partijen
Eiser vordert dat de rechtbank het genoemde dwangbevel zou nietig, minstens onwettelijk of ongegrond zou verklaren en zou zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben. Minstens vordert eiser de kwijtschelding van de geldboete. Hij vordert ook dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de moratoire interest.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BESPREKING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Gevolgen van de transactie met de Administratie van Douane en Accijnzen
Eiser meent ten onrechte dat uit de transactie met de Administratie van Douane en Accijnzen kan afgeleid worden dat jegens verweerder kan ingeroepen worden dat eiser niet betrokken was bij de frauduleuze transacties. Eiser laat weliswaar met reden gelden dat artikel 263 AWDA en vooral artikel 264 AWDA impliceren dat de Administratie van Douane en Accijnzen, om te kunnen de transactie te sluiten, zich op het standpunt heeft moeten stellen dat er aan het oogmerk van eiser om opzettelijk fraude te plegen kan getwijfeld worden. Toch is verweerder door deze stellingname van de Administratie van Douane en Accijnzen niet gebonden.
De rechtbank moet dan ook (nog steeds) onderzoeken of eiser in het kader van de betreffende feiten als BTW-plichtige kan beschouwd worden.
2.2. Het bewijs van de BTW-schuld
Verweerder beroept zich op zijn proces-verbaal dat volledig gebaseerd is op het proces-verbaal van 3 januari 1992 van de Administratie van Douane en Accijnzen.
Eiser roept in dat op basis daarvan niet blijkt dat hij een dader, mededader of medeplichtige was aan de frauduleuze ontrekking van de vleeswaren.
Verweerder beschouwt eiser als een mededader en stelt dat dit volstaat om eiser, op grond van artikel 70 § 4, 2de lid W.BTW (als hoofdelijk gehoudene wegens deelname aan de invoer) voor het volle bedrag van de BTW, de interesten en de opgelopen boeten als belastingplichtige te behandelen.
Een grondige lezing van het proces-verbaal laat de rechtbank slechts toe te concluderen dat eiser wel degelijk bewust heeft meegewerkt en dus heeft deelgenomen aan de opgezette transacties die geleid hebben tot de frauduleuze onttrekking in 1989 van 20 ton vlees aan hun bestemming van doorvoer en dus aan de invoer van dat vlees. Verweerder geeft op een correcte manier weer uit welke fasen en bestanddelen de onttrekking bestond en op welke manier eiser aan die transacties actief heeft meegewerkt.
Het komt erop neer dat de indruk gewekt werd dat een lading van een goeie 20 ton hoogwaardig rundsvlees ('filet pur') door de vennootschap waarvan eiser zaakvoerder was, werd aangekocht in Zwitserland om het naar Turkije te vervoeren, terwijl dat vlees nooit in Turkije is binnengekomen. Ongeveer zes maanden later duikt een gelijkaardige lading vlees op die vanuit Hamburg (container met Duitse douanezegel) vervoerd wordt, over België met bestemming Ivoorkust en dus in het regime van de doorvoer. Hoewel die lading volgens de documenten van Turkije afkomstig was, blijkt dat ze op 5 september 1989 door een zekere C. vanuit Antwerpen naar Hamburg is gereden. Het sanitair attest dat die zending begeleidt, is hetzelfde als het attest dat de eerst genoemde zending met bestemming Turkije, had begeleid. Het transport wordt op 6 en 7 september 1989 gevolgd tot op het Belgisch grondgebied. Op het moment dat het transport in Zeebrugge (waar het naar Ivoorkust moest verscheept worden) gecontroleerd wordt, blijkt dat de Duitse douanezegel verbroken is en dat in de container niet langer hoogwaardig vlees steekt, maar kalfspoten.
Na lezing van het proces-verbaal staat volgens de rechtbank vast dat eiser op de volgende manieren zijn medewerking heeft verleend :
- eiser laat zijn vennootschap R. C.V. gebruiken om in maart 1989 het vlees te kopen;
- eiser bezorgt aan R. M. een cheque op naam van R. C.V. waarmee voor de huur van de trekker waarmee het transport van Straatsburg naar Turkije had moeten gebeuren, een waarborg van … frank (… euro) verstrekt wordt;
- eiser betaalt zelf (of althans zijn vennootschap) de facturen voor de huur, een tankbeurt, een wasbeurt en de herstellingskosten (spiegel) voor de vrachtwagen en dit voor de periode van 3 tot 28 maart 1989, periode waarin met de trekker 6.566 km is gereden;
- eiser gaat in juli 1989 de (toen al aan een andere tussenpersoon geleverde) kalfspoten betalen, namelijk … frank (… euro);
- eiser gaat op zoek naar een (andere) opslagplaats voor de kalfspoten en vindt die begin augustus 1989 bij T. in …;
- eiser helpt mee om in de frigo's van T. de deksels van de dozen waarin de kalfspoten zijn verpakt, te vervangen omdat op de eerst aangebrachte deksels nog de initialen van de oorspronkelijke leverancier van de kalfspoten staan en dat spoor moet uitgewist worden;
- op 7 september 1989 volgt eiser met zijn eigen personenwagen de vrachtwagen met oplegger en container waarin de lading kalfspoten zitten, wanneer die bij T. in … wegrijdt richting …;
- diezelfde dag laat eiser de lege verpakkingen ophalen door een kennis;
- op 9 september 1989 komt eiser nog de resterende dozen kalfspoten met een oud bestelwagentje ophalen en dat in twee keer; volgens eiser zelf heeft hij die kalfspoten zelf mogen verkopen voor eigen rekening en kreeg hij … frank (… euro) per kilogram voor ongeveer 6.000 kg.
Het is duidelijk dat de medewerking van eiser noodzakelijk was voor het uitvoeren van de transacties van onttrekking aan de doorvoer.
Waar eiser wil voorhouden dat hij in maart 1989 gewoon vlees kocht en doorverkocht en daarbij zich engageerde om voor het vervoer naar de bestemming die de koper aangaf, namelijk in Turkije, in te staan, en vervolgens die vervoeropdracht doorgaf aan een zekere P. die op zijn beurt het vervoer door een zekere C. liet uitvoeren, blijkt evenwel dat eiser zelf de huurkosten voor de vrachtwagen heeft betaald en dat die vrachtwagen zelfs 26 dagen gehuurd werd. De versie van eiser wordt dus ongeloofwaardig gemaakt door objectieve vaststellingen in het dossier (facturen en betalingen).
Tevens moet eiser op de hoogte geweest zijn van het opzet en de bedoeling die stak achter het herinpakken en inladen van de kalfspoten. Kalfspoten zijn trouwens slachtafvallen. Vermits de dozen onidentificeerbaar moesten gemaakt worden, moet het voor eiser duidelijk geweest zijn dat het de bedoeling was één en ander te verdoezelen.
In de gegeven omstandigheden heeft verweerder met reden geoordeeld dat eiser gehouden is tot het betalen van de BTW die op de frauduleuze invoer van het vlees betrekking heeft, meer de wettelijke aanhorigheden.
2.3. De administratieve geldboete
De rechtbank heeft wel degelijk de mogelijkheid om met volle rechtsmacht de wettigheid, opportuniteit en de hoogte van een fiscale boete te toetsen, zelfs als ze geen strafrechterlijk karakter heeft (Gedr.St. van de Senaat, zitting 1998-1999, nr. 966/11, p. 213, waar het amendement nr. 10, dat de verduidelijking voorzag om aan de rechtbanken de bevoegdheid te geven omtrent de opportuniteit van een fiscale administratieve sanctie te oordelen, werd ingetrokken, nadat de Minister gesteld had dat deze bevoegdheid reeds besloten was in de omschrijving 'geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet' waardoor de toevoeging in plaats van een verduidelijking overbodig werd geacht).
In zijn arrest van 24 januari 2002 heeft het Hof van Cassatie (T.F.R. 2002, 763-764) geoordeeld dat de stelling als zou de rechterlijke controle van een administratieve boete slechts de mogelijkheid bieden om te oordelen of die sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, met uitsluiting van de bevoegdheid om de straf te verminderen beneden het wettelijk tarief, strijdig is met het recht.
In de definiëring die het Hof van Cassatie gemaakt heeft van de administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter (Cass. 25 mei 1999), ligt besloten dat die geldboete op zich - naast het essentiële doel te bestraffen en herhaling te voorkomen - beoogt een vergoeding te vormen voor de schade die aan de Administratie werd toegebracht door het begaan van de gesanctioneerde overtreding.
Met beide facetten van de administratieve geldboete moet worden rekening gehouden.
Gelet op de hoger vermelde overwegingen met betrekking tot de bewuste betrokkenheid van eiser bij de transacties, bestaat er geen reden om de boete volledig kwijt te schelden.
De rechtbank aanvaardt nochtans wel dat eiser niet de drijvende kracht was achter de fraude en eerder een werkinstrument was waarvan enkele personen met wezenlijk criminele ingesteldheid zich hebben bediend. In feite heeft eiser zich laten meeslepen allicht met de idee om wat financieel voordeel te halen.
De rechtbank houdt ermee rekening dat de strafrechtelijke behandeling van het dossier in ruime mate het afschrikeffect (om herhaling te vermijden) heeft bereikt. Daarnaast hebben de feiten ook bij de Administratie van de BTW bijkomende kosten veroorzaakt : het onderzoek en de opvolging veronderstellen het inschakelen van verschillende diensten en personeelsleden. Nochtans was met betrekking tot het onderzoek en de vaststelling van de feiten en de gevolgtrekkingen het voornaamste werk al gedaan door de Administratie van de Douane en Accijnzen op wier proces-verbaal verweer zich volledig heeft kunnen beroepen.
Met het feit dat er naast eiser nog een viertal andere mededaders bij de fraude betrokken waren, kan de rechtbank geen rekening houden. Dat zou in strijd zijn met het hoofdelijk karakter van de schuld, zoals voorzien in artikel 70, § 4, 2de lid W.BTW.
Rekening houdend met al deze omstandigheden brengt de rechtbank de administratieve geldboete van 200 procent terug tot 50 procent van de BTW, zijnde een bedrag in hoofdsom van … frank of … euro.
3. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.
4. Uitvoerbaarheid bij" voorraad
Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger.Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.
Eiser laat na te bewijzen dat hij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de hem toekomende (terug)betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel dat op 16 oktober 1992 ten nadele van eiser is uitgevaardigd (RCIV nr. …) voor het gedeelte met betrekking tot de administratieve geldboete dat het bedrag in hoofdsom van … frank (… BEF of … euro) te boven gaat evenals voor de op dat gedeelte betrekking hebbende interesten.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het vernietigde gedeelte van het genoemde dwangbevel aanslag zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de moratoire interest.
De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en verwijst elk van de partijen in haar eigen (overige) gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.
De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien januari tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.