Disposition commune · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 14 décembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition communeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-commune-cour-appel-gand-2010-12-14-a3fb

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
14 décembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 14.12.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van Beroep te Gent, 5de kamer

Nr. 2007/AR/936

in de zaak van :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van de Minister van Financiën te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. F. loco mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

tegen :

1. A. M., wonende te …, …,

2. Z. K., wonende te … (…), …, doch woonst kiezend ten kantore van zijn raadsman mr. C. D., te …, …,

geïntimeerden,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. T. loco mr. C. D., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 5 april 2007 werd door·de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 16 januari 2007 waarbij het verzet van de geïntimeerden tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door D. L. B., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge op 6 oktober 1998, geviseerd·en uitvoerbaar verklaard op 6 oktober 1998 door D. G., eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge en betekend op 8 oktober 1998 bij gerechtsdeurwaardersexploot, werd ingewilligd.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden af te wijzen als niet gegrond, dit alles met veroordeling van de geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen.

Op hun beurt vorderen de geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

Feitelijke gegevens

De geïntimeerden zijn eigenaar van een woning te …, …, waarvoor op 12 oktober 1990 een bouwvergunning tot renovatie werd verleend. Op 20 september 1991 werd door de gemachtigde ambtenaar vastgesteld dat de werken niet werden uitgevoerd volgens de afgeleverde bouwvergunning. De geïntimeerden waren verplicht een regularisatie door te voeren en dienden daarop op 22 juli 1993 aangepaste regularisatieplannen in. De bouwvergunning werd verleend op 13 januari 1995.

Op basis van de bouwaangifte werden door de appellant een aantal overtredingen vastgesteld, waarbij o.m. werd vastgesteld :

"Uit het plan blijkt dat slechts de funderingen en de kelder zijn blijven bestaan. Alle binnen- en buitenmuren werden opnieuw gebouwd met uitzondering van de gemeenschappelijke zijmuren links en rechts van de woning en de afsluitmuren langs de …. Uit het dossier (...) van het kadaster te … blijkt dat ter plekke een nieuw gebouw werd opgericht" ( ...).

De geïntimeerden waren daar niet mede akkoord en hielden vol dat alle oude dragende muren werden behouden. Uiteindelijk werd wegens niet betaling een dwangbevel uitgevaardigd. Tegen dit dwangbevel werd verzet aangetekend. Op verzet van de geïntimeerden verklaarde de eerste rechter dit verzet gegrond.

Het is tegen voormeld vonnis dat hoger beroep werd ingesteld.

Beoordeling

1. Door de geïntimeerden wordt de nietigheid van het dwangbevel opgeworpen wegens onrechtmatige gegevensuitwisseling. Ook zou het dossier een aantal stukken niet bevatten.

In dat verband verwijst de appellant naar artikel 93quaterdecies W.BTW dat aan de administratie toelaat beroep te doen op gegevens in handen van derden. Dit verhindert niet dat het derden onderzoek slechts een subsidiair onderzoeksrecht is van de fiscale administratie dat ondergeschikt is aan het fiscaal onderzoek bij de belastingplichtige zelf, aldus de geïntimeerden.

Te dezen dient aangenomen dat .artikel 93quaterdecies W.BTW wel degelijk toepasselijk is. Daarin wordt bepaald dat de bestuursdiensten van de Staat (…) gehouden zijn wanneer ze daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de aanslag of de invordering van de belastingen, alle inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing van alle in hun bezit zijnde akten (…) inzage te verlenen welke de bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht. Daardoor werd aan de Belgische Staat een aanvullend controlemiddel toegekend. Het was derhalve perfect mogelijk dat door de stad Brugge een lijst werd overgemaakt waaruit bleek dat aan de geïntimeerden een bouwvergunning werd verleend, waarna pas kennis werd genomen van het dossier "bouwaanvraag" alsook van het dossier in het kadaster.

De geïntimeerden bestrijden verder het standpunt van de appellant omdat voor dergelijke gegevensuitwisseling geen rechtsgrond zou bestaan terwijl de spontane en geautomatiseerde gegevensuitwisseling in strijd is met de Wet op de privacy. Wat het gebrek aan rechtsgrond aangaat laten de geïntimeerden verstaan dat de Wet van 28 juli 1938 die aan de oorsprong ligt van artikel 93quaterdecies W.BTW, enkel kan worden toegepast bij voorafgaandelijk verzoek van de controlerende ambtenaar.

Nochtans blijkt uit de rechtspraak dat een spontane gegevensuitwisseling wel degelijk toegelaten is tussen de fiscale administraties voor zover de bepalingen rond het beroepsgeheim werden nageleefd. Wat dit laatste aspect betreft werd enkel een bouwvergunning medegedeeld. De stad Brugge was niet gevat om een fiscaal onderzoek te doen en heeft enkel de bouwvergunning zijnde een·stuk dat ook in handen is van de geïntimeerden spontaan overgemaakt.

2. Vervolgens laten de geïntimeerden gelden dat het dwangbevel nietig is omdat in het P. V. verwezen wordt naar de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, alsook omwille van het feit dat de verbalisanten zelf de materiële vaststellingen niet hebben gedaan. Wat dit laatste punt aangaat blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens dat de vaststellingen inzake de aard van de gedane werken gebeurden aan de hand van de ingediende bouwaangifte en de erbij gevoegde plannen. Aan de hand van deze gegevens werd weergegeven welke muren werden behouden en welke muren nieuw waren. Met reden stelde de eerste rechter dat vermits in de bouwvergunning van 13 januari 1995 uitdrukkelijk is voorzien dat de regularisatieplannen stipt moeten worden nageleefd, dit laat veronderstellen dat het om een tweede bouwvergunning gaat nadat de gemachtigde ambtenaar bouwovertredingen had vastgesteld. De aanschrijving van de administratie is echter geen bindend recht doch geeft een interpretatie of een richtlijn weer van de BTW­administratie, die niet noodzakelijk door het Hof moet worden gevolgd. Een proces-verbaal wordt niet nietig omdat geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat het proces­verbaal nietig zou zijn omwille van een verwijzing naar een niet bindende aanschrijving.

De appellant zou uit het geheel van de stukken en documenten kunnen afleiden dat de oude woning danig ontmanteld en afgebroken werd dat de woning niet meer op relevante wijze steunt op de oude dragende muren. In het proces-verbaal werden de feitelijke motieven weergegeven op basis waarvan de rechten verschuldigd zijn.

Zelfs de appellant stelt dat de circulaire niet bindend is. Het opzet van de administratie bestond er enkel in het toelichten van het BTW-standpunt met daaraan verbonden de nodige aanbevelingen.

Derhalve rijst de vraag naar het toepasselijke tarief.

3. Alwaar werken in onroerende staat overeenkomstig art. 1, 3° van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals dat besluit toen van toepassing was, onderworpen waren aan het BTW-tarief van 20,5 % kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6 %. Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld KB gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé­woning, ouder dan 15 jaar, tot voorwerp hebben".

De betwisting betreft het antwoord op de vraag of de door de geïntimeerden uitgevoerde werken aan hun woning moeten worden beschouwd als een "omvorming, verbouwing" dan wel als een nieuwbouw. Inzonderheid moet worden nagegaan of deze werkzaamheden de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele tot voorwerp hebben.

De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Zoals hiervoor uiteengezet werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht.

Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe·vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw". Als nieuwbouw wordt aangemerkt "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur".

Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben moet vastgesteld worden dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen omvorming, verbouwing de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.

De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan.

Wat de uitgevoerde werken aangaat kan nuttig verwezen worden naar stuk 8 in het bundel van de geïntimeerden zijnde een brief van het studiebureel V. d.d. 9 november 1998. Uit deze brief worden volgende vaststellingen gehaald :

"In antwoord op uw vragen omtrent de restauratie van het pand "Het Spaans Heester" op adres in rand vermeld, kunnen wij u bevestigen dat het hier geenszins gaat om een nieuwbouw, noch om een vernieuwbouw.

Volgende argumenten zijn te weerhouden

1. De Stad Brugge heeft steeds geëist dat het bestaande gebouw maximaal werd behouden met respect voor de buitengevels, de binnenmuren, de bomen, het algemeen gabarit, enz.

In die zin werd de eerste bouwaanvraag op datum van 12/01/1990 door het College van Burgemeester en Schepenen geweigerd om "de sloop van waardevolle inwendige elementen (kelders, balklagen, …) onaanvaardbaar werd geacht". (zie bijlage 1). De plannen werden alsdan aangepast met behoud nu van alle muren. De vergunning werd hierop afgeleverd in datum van 12/10/1990 (zie bijlage 2).

2. Op 13/01/1995 werd een aanvullende bouwvergunning afgeleverd gelet op bepaalde bijkomende eisen en aanpassingen uitgaande van de technische Stad Brugge. U zult zich herinneren dat wij zeer geregeld controle gehad hebben van de dienst Monumentenzorg waarbij telkenmale nieuwe eisen werden naar voor gebracht omtrent het herbruiken en behouden van waardevolle elementen. (zie bijlage 3).

3. De bestaande kelderverdieping, die op de zijde van de reie een volwaardige bouwlaag vormt met ramen en deur werd integraal behouden. Er werd geen enkele muur afgebroken en er werden geen muren toegevoegd. De uitgemetselde boogplafonds werden bewaard. Wel werden op diverse plaatsen losse stenen hermetseld. De openingen in de achtergevel (kant reie) werden bewaard zoals origineel aanwezig.

4. Op het nivo van het gelijkvloers en de dakverdieping werden alle muren behouden, versterkt en in orde gesteld. Zoals op de plannen werd aangegeven, zijn alle dragende muren ter plaatse gebleven. Op de binnenkant van deze muren werd een steen tegengemetseld om het geheel te stabiliseren en terug veilig te stellen. De buitengevels, parementwerk, werden in tegenstelling tot de aanduiding op de plannen niet afgebroken en nieuw gemetseld.

Na het verwijderen van de cementlaag bleek immers dat de gevelstelen dermate waardevol en mooi waren dat wij voorgesteld hebben om ze te kuisen en zichtbaar te laten. U herinnert zich dat wij hieromtrent moeilijkheden hebben gehad met de Stad Brugge die ten alle prijze de buitengevels wenste gekaleid te zien. Het heeft heel wat moeite en tijd gekost om hen te doen inzien dat de gevel in die staat kon behouden blijven.

Wij hadden daarenboven tijdens de opkuis oude metselwerklagen gevonden (vooral op de kant reie), die qua tekening zeer specifiek waren en die wij zichtbaar wilden houden.

De buitengevels werden derhalve niet vernieuwd, doch gerestaureerd, waarbij de slechte en losse zones werden uitgenomen, opgekuist en teruggeplaatst.

5. De balklagen van de vloeren werden gerecupereerd, opgekuist en behandeld en vervolgens teruggeplaatst met behoud van hun vorm, tekening, uitzicht, enz.

6. Het dak, dat in slechte staat was, werd volledig afgenomen. De pannen werden alle nagezien, gereinigd en vervolgens herbruikt. Uiteraard werd een gedeelte van de dakgebinten vernieuwd gelet op de stabiliteitsproblemen hieromtrent.

7. Op de binnenzijde van het gebouw werden op het gelijkvloers uiteindelijk toch een paar muren vernieuwd doordat zij tijdens de ontmanteling van het dak losgekomen waren en het om statbiliteitsredenen niet verantwoord was om die muren te behouden. Andere muren, zoals deze tussen zithoek en eethoek, die eerst zou afgebroken worden, werd dan toch behouden rekening gehouden met de waardevolle schouw tegen deze muur.

8. Er is geen vergroting tussen de originele toestand en de huidige toestand.

Als besluit moeten wij derhalve stellen dat de restauratie en renovatie van het pand geenszins kan beschouwd worden als een nieuwbouw of als een vernieuwbouw. Buiten de technische uitrusting (electriciteit, sanitair en verwarming), werden alle elementen, muren, constructies en dgl. maximaal behouden en gerestaureerd. De materialen werden alle gerecupereerd, opgekuist en teruggeplaatst. Dit was daarenboven een dwingende eis van de Stad Brugge, de Dienst Monumentenzorg en Stedebouw en werd in die zin wekelijks gecontroleerd.

De werken werden alle beschouwd als renovatie en restauratie van de bestaande toestand met maximaal behoud van materialen, uitvoeringen, enz.”.

Tot daar de opmerkingen van de architect van de geïntimeerden.

Anders dan de appellant is het Hof van oordeel dat het een grondige renovatie betreft. Partijen zijn het eens dat de funderingen en de kelder zijn blijven bestaan. Ook de gemeenschappelijke zijmuren en de muur langs de … is blijven bestaan. Tevens gaan zij akkoord dat het dakgebinte voor een gedeelte vernieuwd werd gelet op stabiliteitsproblemen.

De appellant is voorts van mening dat de rest van de buitengevels en alle binnenmuren werden afgebroken. Alleen langs de kant van de Reie werd het linker gedeelte nog een stuk behouden. De overige buitenmuren en binnenmuren zouden zijn gesloopt en opnieuw gebouwd. De technische raadsman spreekt zulks niet tegen en verwijst naar stabiliteitsproblemen daar het niet verantwoord was deze te behouden.

Buiten de technische uitrusting werden alle elementen, muren en constructies maximaal behouden en gerestaureerd. Dit was een dwingende eis van de stad Brugge, de dienst monumentenzorg en Stedenbouw. Tenslotte is er geen vergroting tussen de originele toestand en de huidige toestand. De vergelijking tussen de oude toestand en de nieuwe toestand laat niet toe te besluiten dat het hier een nieuwbouw betreft.

Het hoger beroep is derhalve niet gegrond. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd. Tenslotte moet de appellant als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden tot de kosten van het hoger beroep begroot op … rechtsplegingsvergoeding (vordering tussen de 10.000,01 en 20.000,00 EUR).

OP DlE GRONDEN,

Dispositif

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Textes cités

1
AR no 20 art. 11 occurrence