Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement de la Cour d'Appel de Hasselt du 27.10.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE A.R. nr. 06/2388/A
G. F., wonende te·…, …,
eiser, vertegenwoordigd door Mr. H. D., advocaat te …, …, en vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst van Financiën (voorheen Ministerie van Financiën, Belastingen en Invorderingen, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, directie BTW Hasselt, Voorstraat, 43 - 45 Hasselt,
verweerder, vertegenwoordigd door Mr. D. D. Ioco Mr. R., advocaat te …, …,
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het geregistreerd exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder L. R., met standplaats te …, van 16 januari 1986;
- de conclusies en de stukken van partijen;
- de herneming der zaak voor de thans anders samengestelde zetel.
I. Voorgaanden en vordering
1. Door de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie werd op 11 december 1980 een proces-verbaal opgesteld lastens eiser, F. G., die op dat ogenblik de hoedanigheid van belastingplichtige bezat voor de toepassing van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en geregistreerd was onder het BTW-nummer ….
Volgens voormeld proces-verbaal zou eiser aan verweerder de som van … BEF (thans € …) verschuldigd zijn voor niet afgedragen BTW bij de verkoop van tweedehandse auto's.
Op basis van voormeld proces-verbaal werd door de ontvanger van de BTW op 11 december 1980 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 15 december 1980 uitvoerbaar werd verklaard door de gewestelijk directeur.
Het dwangbevel werd aan eiser betekend bij exploot van 18 december 1980.
Bij exploot van 23 december 1985 werd het proces-verbaal van 11 december 1980 en het dwangbevel van dezelfde datum opnieuw aan eiser betekend en werd hem tevens bevel tot betaling gedaan. Eiser tekende bij exploot van 16 januari 1986 hiertegen verzet aan.
Eiser vorderde om het bestreden dwangbevel te horen vernietigen. In hoofdorde beriep hij zich op de verjaring en in ondergeschikte orde dat hij niet gehouden was tot BTW-schulden opzichtens verweerder.
Bij tussenvonnis van 19 februari 1990 werd het verzet ontvankelijk verklaard.
Bij tussenvonnis van 20 januari 1992 werd geoordeeld dat er m.b.t. de vordering van verweerder geen verjaring was ingetreden. Voor het overige werd de zaak naar de rol verwezen vermits verweerder had nagelaten te besluiten over de overige door eiser ingeroepen middelen.
Nadat de zaak op 6 december 1995, overeenkomstig art. 730, § 2 Ger.W., ambtshalve werd weggelaten, werd zij op verzoek van eiser in 2006 terug op rol gebracht onder nummer 06/2338/A.
Eiser vordert thans, krachtens zijn laatste conclusies, neergelegd ter griffie op 3 juli 2008, de nietigverklaring van het dwangbevel van 11 december 1980, alsmede de terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.
2. Betreffende dezelfde onderliggende feiten werd lastens eiser ook een onderzoek gevoerd door de Administratie van de Directe Belastingen dat leidde tot aanvullende aanslagen van 23 december 1992 betreffende de aanslagjaren 1976 tot en met 1980 inzake directe belastingen.
Eiser diende op 31 maart 1993 een bezwaarschrift in tegen deze aanvullende aanslagen.
Dit bewaarschrift werd bij beslissing van de gewestelijke directeur van Hasselt van 1 oktober 1996 afgewezen, waarna op 7 november 1996 door eiser voorziening werd aangetekend bij het hof van beroep te Antwerpen.
In haar tussenarrest van 17 juni 2003 oordeelde de zesde kamer van het hof van beroep te Antwerpen :
"Overwegende dat voor het vestigen van de betwiste aanslagen werd gesteund op gegevens van het gerechtsdossier ten laste van eiser en anderen;
Dat de Procureur-generaal te Antwerpen op 28 november 1980 toelating verleende tot inzage van het strafdossier, onder verwijzing naar een brief van de administratie van 30 oktober 1980;
Dat deze aanvraag tot machtiging zich evenwel niet in het dossier bevindt; Dat uit het administratief dossier en met name uit een brief van 8 januari 1981 van de BBl Hasselt A gericht aan de directeur BTW te Hasselt ... blijkt dat reeds op 8 mei 1980 en 26 november 1980 verslagen werden opgesteld op basis waarvan op 2 december 1980 door de directeur BTW een beslissing tot invordering van BTW en boeten ten laste van eisers werd genomen;
Dat eveneens blijkt dat ambtenaren van de BBl aanwezig waren tijdens huiszoekingen uitgevoerd in het kader van het gerechtelijke onderzoek en dat zij inzage hebben kunnen nemen van de inbeslaggenomen stukken;
Dat eiser hieruit meent te kunnen afleiden dat de BBl niet gesteund heeft op de inzage van het strafdossier na de toelating door de procureur-generaal, doch op informatie waarvan zij voordien reeds in het bezit was en die in principe gedekt is door het geheim van het vooronderzoek;
Overwegende dat de voorlegging van deze stukken zich opdringt teneinde het Hof toe te laten na te gaan of de inlichtingen waarop gesteund werd om de betwiste aanslagen te vestigen, op regelmatige wijze verkregen zijn;"
In haar eindarrest van 20 januari 2004 oordeelde het hof van beroep :
"Dat in de berichten van wijziging de winst berekend wordt op aankopen en verkopen verricht door eiser, waarbij aankoopfacturen, resp. verkoopfacturen werden opgesteld op naam van derden en de aan- en verkopen die belast worden deze zijn die opgenomen zijn in het proces-verbaal dat inzake BTW werd opgesteld door leden van de BBl-district Hasselt A;
Dat dit proces-verbaal in ontwerp werd overgemaakt aan de directie BTW-Hasselt, die het na goedkeuring, op 2 december 1980 overmaakt aan de inspecteur van de BBl te Hasselt met het verzoek "het proces-verbaal aan te vullen met de datum van machtiging om het gerechtelijk dossier in te zien van de heer procureur-generaal";
Dat hieruit blijkt dat het kwestieuze proces-verbaal werd opgesteld vooraleer de betrokken ambtenaren toelating hadden tot inzage in het strafdossier;
Dat uit het administratief dossier tevens blijkt dat reeds een verslag was opgemaakt op 8 mei 1980 en 26 november 1980 op basis waarvan BTW en boeten werden gevorderd van eiser;
Dat deze verslagen zich niet in het administratief dossier bevinden en het Hof bij tussenarrest van 17 juni 2003 aan verweerder bevolen heeft om deze stukken voor te Ieggen teneinde het Hof toe te laten na te-gaan of de inlichtingen waarop gesteund werd om de betwiste aanslagen te vestigen, op regelmatige wijze verkregen zijn."
Vermits verweerder de bij tussenarrest van 17 juni 2003 gevraagde stukken niet voorlegde, oordeelde het hof van beroep dat het in de onmogelijkheid werd gesteld om de rechtsgeldigheid van de aanslagen inzake de directe belastingen te onderzoeken en de aanslagen om deze reden vernietigd dienden te worden.
II. Beoordeling
1. Het verzet van eiser werd reeds ontvankelijk verklaard bij tussenvonnis van 19 februari 1990.
Verweerder besluit thans tot de "nietigheid" van het verzet van eiser zonder desbetreffend enig middel te ontwikkelen. Het betreft klaarblijkelijk een loutere stijlformule, die niet verder dient onderzocht te worden.
2. Eiser argumenteert dat de vordering van verweerder inzake BTW gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal met schending van het geheim van het gerechtelijk onderzoek.
Verweerder betwist zulks door te verwijzen naar het gegeven dat, vooraleer op 11 december 1980 het proces-verbaal werd opgesteld op basis waarvan de vordering van de BTW-Administratie werd gegrond, op 28 november 1980 toelating tot inzage van het strafdossier werd verleend door de procureur-generaal bij het hof van beroep, toelating die verweerder bereikte op 3 december 1980.
3.1. Uit de vermeldingen van het proces-verbaal van 11 december 1980 zelf blijkt enerzijds dat het gerechtelijk onderzoek werd gevoerd met actieve medewerking van de ambtenaren van de Bijzondere Belastinginspectie en dat anderzijds de gegevens waarop het proces-verbaal is gesteund niet bekomen werden tengevolge van inzage in het strafdossier na toelating hiertoe vanwege de procureur-generaal, maar op basis van eigen vaststellingen van deze ambtenaren tijdens het gevoerde strafrechtelijk onderzoek.
In de aanhef van voormeld proces-verbaal zelf wordt immers uitdrukkelijk gesteld :
"De ondergetekenden D. C. J., hoofdcontroleur van de belasting over de toegevoegde waarde en B. G. G.M., adjunct-verificateur van de belasting over de toegevoegde waarde, beiden, gehecht aan de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie - District Hasselt A waarvan de kantoren gevestigd zijn te Hasselt, Elfde Liniestraat 4;
Verklaren te hebben vastgesteld, tijdens een onderzoek naar de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en ter uitvoering ervan gegeven regelen, in samenwerking met de heer D. G., Eerstaanwezend gerechtelijk agent-inspecteur, officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de heer Procureur des Konings te Hasselt, taak welke voorgeschreven door de heer Onderzoeksrechter P. J-.P. …".
3.2. In het kader van de procedure i.v.m. de directe belastingen stelde het hof van beroep te Antwerpen vast dat in het administratief dossier er reeds P.V.'s voorkwamen van de BTW-Administratie van voor de datum waarop de procureur-generaal toelating gaf tot inzage in het strafdossier.
Ondanks het tussenarrest van het hof van beroep legde verweerder de P.V.'s van 8 mei 1980 en 26 november 1980 niet voor, evenmin als in huidige procedure.
Vastgesteld dient daarenboven te worden dat verweerder in het kader van huidige procedure in het geheel geen administratief dossier meer voorlegt, terwijl dit nochtans bestaande is gelet op de verwijzing ernaar door het hof van beroep in haar arresten van 17 juni 2003 en 20 januari 2004.
Hierdoor stelt verweerder deze rechtbank evenzeer in de onmogelijkheid om de rechtsgeldigheid van de totstandkoming van de aanslag die ten grondslag ligt aan het betwiste dwangbevel te onderzoeken.
Hierbij dient aangehaald te worden dat het hof van beroep in haar arrest van 20 januari 2004 reeds tot de vaststelling kwam dat uit het (thans niet bijgebrachte) administratief dossier bleek dat het proces-verbaal van 11 december 1980, waarop de BTW-invordering van verweerder in casu is gebaseerd, werd opgesteld vooraleer de betrokken ambtenaren toelating hadden tot inzage in het strafdossier.
3.3. Verweerder toont dan ook niet aan dat de betrokken BTW-heffing werd gebaseerd op ander dan onwettig of onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, zodat tot de nietigheid dient te worden besloten en tot de gegrondheid van het verzet van eiser.
4. Eiser vordert om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die op grond van het betrokken dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.
Alhoewel uit de voorgelegde gegevens niet blijkt of op basis van het kwestieuze dwangbevel effectief bedragen werden ingehouden, wordt deze vordering van eiser door verweerder niet betwist en kan er worden op ingegaan.
Eventueel uitgevoerde betalingen zouden immers onverschuldigd zijn en dienen te worden teruggegeven.
5. Gelet op de gegrondverklaring van het verzet van eiser dient verweerder veroordeeld te worden tot de kosten.
Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding dient rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat, en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 1 januari 2008 (artt. 13 en 14).
Partijen zijn het er, althans krachtens hun laatste neergelegde conclusies, over eens dat het basisbedrag van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in het K.B. van 26 oktober 2007, en waaromtrent zij niet vragen om af te wijken, € … bedraagt.
De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak, na herneming der zaak, de tussenvonnissen van 19 februari 1990 en 20 januari 1992 verder uitwerkend;
Verklaart het verzet van eiser gegrond.
Doet het dwangbevel van 11 december 1980 teniet en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke interesten.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding. Stelt deze kosten ten voordele van eiser vast op € … kosten dagvaarding, € … rolrechten voor hernieuwde rolzetting en € … rechtsplegingsvergoeding.
Aldus-gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 27 OKTOBER 2008, alwaar zetelden;
De Heer J.-M. J., enige rechter,
De Heer R. D., griffier.
R. D. J.-M. J.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.