Cour d'appel de Gand, 12 juin 2006 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 12 juin 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Gand, 12 juin 2006Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2006-06-12-35aa

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
12 juin 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

44 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 12.06.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Uittreksel uit de minute berustende ter griffie van het Hof van beroep te Gent.

Het Hof van Beroep te Gent, 3e kamer, rechtdoende in correctionele zaken heeft het volgend arrest geveld :

not. 20.47.100470/93 :

bij wie zich voegde als burgerlijke partij :

NV K.B.C.-V., met zetel te …, …

NV F. AG, met zetel te …, …

tegen :

1. Nr. 2215

V. d. V. A., G., zaakvoerder, geboren te … op …, wonende te …, …

2. Nr. 2216

V. M., M., handelaarster, van Nederlandse nationaliteit, geboren te …, wonende te …, …

Verdacht van :

A.I. om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader (art. 66 S.W.B.)

Op 11 februari 1992 werd door de Procureur des Konings te Antwerpen de onderzoeksrechter gevorderd tot een gerechtelijk onderzoek lastens M. F. en V. D. V. A. uit hoofde van de tenlasteleggingen :

A. valsheid in geschriften en gebruik;

B. ophalen afvalolie zonder erkenning;

C. niet naleven van de voorwaarden van de vergunning voor het opslaan en zuiveren van afvalolie (kaft VIII, stuk 4574).

De tekst van het gedrukte formulier dat als vordering werd gebruikt, verwijst naar de bij die vordering gevoegde stukken. Uit deze stukken blijkt dat het misdrijven betrof die in verband stonden met het geheel van de beroepsactiviteiten van eerste beklaagde. De stukken verduidelijken de feiten die in de vordering van het gerechtelijk onderzoek werden beoogd. Zij kunnen en moeten mede in aanmerking worden genomen ter interpretatie en ter bepaling van de feiten die het voorwerp uitmaakten van de strafvordering die aldus werd ingesteld.

Nopens de huiszoekingen

1. Op 12 september 1991 werd door opperwachtmeester C. R. en wachtmeester D. R. een proces-verbaam opgesteld waarin gesteld werd dat hen tijdens het inwinnen van informatie voor een ander onderzoek een attest bij ontvangst van afvalolie werd vertoond. Op dit attest zagen zij de naam van eerste beklaagde staan. Zij voegden er aan toe : “Wegens andere tussenkomsten inzake milieu inbreuken is V. D. V. ons bekend. Wij hebben twijfels of V. D. V. in het bezit is van een erkenning als ophaler”. Op grond hiervan werd een verder onderzoek uitgevoerd waarbij bleek dat eerste beklaagde niet beschikte over een erkenning als ophaler van afvalolie.

Op 9 november 1992 werd door onderzoeksrechter G. beschikkingen tot huiszoeking afgeleverd op het adres “…, …, M. F.” en te “…, …, BVBA A. M. E.” en dit telkens “teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek”. Deze huiszoekingen werden uitgevoerd op 19 januari 1993. Bij de huiszoeking bij de BVBA A. vroegen de verbalisanten de vereiste vergunningen op vooraleer tot de huiszoeking zelf over te gaan.

Op dezelfde datum werd door onderzoeksrechter G. een beschikking tot huiszoeking afgeleverd op het adres “…, langs de expressweg, gekend in kadaster Sectie …, V. D. V. K., en V. D. V.S.”, op het adres “…, …, BVBA V. D. V.A.” en op het adres “…, …” telkens “teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek”. De huiszoeking te … werd op 19 januari 1993 uitgevoerd door eerste opperwachtmeester D. V. Y. en eerste wachtmeester B. A. De huiszoeking te …, …, gebeurde door opperwachtmeester F., bijgestaan door eerste wachtmeester V. D. Y.. De huiszoeking te …, …, werd uitgevoerd door eerste opperwachtmeester C..

Op 15 januari 1993 werd door onderzoeksrechter G. opnieuw een beschikking tot huiszoeking op het adres …, …, afgeleverd "teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek".

Voor de uitvoering van de huiszoekingen op 19 januari 1993 zijn opperwachtmeester C. en wachtmeester D. omstreeks 6 uur in de morgen overgegaan tot de briefing van drie bijkomende ploegen die elk afzonderlijk een huiszoekingsbevel dienden uit te voeren.

2. Ook wat betreft de regelmatigheid van de huiszoekingen kan vooreerst verwezen worden naar de motieven van de eerste rechter die hier als herhaald dienen beschouwd te worden.

Ten aanzien van de door de onderzoeksrechter gegeven delegatie dient hierbij nog het volgende opgemerkt te worden.

Artikel 89bis Sv. noch enige andere wetsbepaling vereist dat de beslissing waarbij de onderzoeksrechter voor de uitvoering van een huiszoeking delegatie geeft aan een officier van gerechtelijke politie, opgave bevat van de feiten waarvoor de onderzoeksrechter geadieerd is of van hun voorlopige kwalificatie. De perken van het gerechtelijk onderzoek worden enkel bepaald door de saisine van de onderzoeksrechter die op haar beurt bepaald wordt door de vorderingen tot gerechtelijk onderzoek van de Procureur des Konings, zoals deze in casu onder meer blijkt uit de daarbij gevoegde stukken. Een vermelding op het huiszoekingsbevel van het misdrijf waarvoor de opdracht tot huiszoeking wordt afgeleverd kan deze saisine niet aanvullen noch wijzigen.

Voor de wettigheid van de delegatie volstaat het dat de officier van gerechtelijke politie die met de uitvoering van de huiszoeking gelast is, over de nodige gegevens beschikt die hem moeten toelaten te weten aangaande welk misdrijf de onderzoeksrechter zijn onderzoek voert en welke nuttige opsporingen en inbeslagnemingen hij in verband daarmee kan verrichten zonder de perken van het gerechtelijk onderzoek en van zijn opdracht te buiten te gaan.

Voor de wettigheid van de huiszoeking is geen uitdrukkelijke vermelding van het misdrijf op het huiszoekingsbevel vereist. De afwezigheid van enige vermelding op het huiszoekingsbevel in verband met het misdrijf staat er niet aan in de weg dat de rechter, op grond van alle gegevens waarover de partijen tegenspraak kunnen voeren, de regelmatigheid van het huiszoekingsbevel en van zijn uitvoering inzonderheid de context van de vermelde saisine en van de delegatie onderzoekt. De afwezigheid van de vermelding tast op zich dan ook niet de regelmatigheid van de delegatie tot huiszoeking aan, noch levert zij een schending van art. 8 E.V.R.M. en art. 17 I.V.B.P.R. op.

De verbalisanten hebben in casu een regelmatige delegatie ontvangen zoals blijkt uit de hiervoor geschetste omstandigheden waarin de huiszoekingen werden bevolen en uitgevoerd. Voor de uitvoering van de huiszoekingen werden de verbalisanten gebrieft omtrent het onderzoek en hun opdracht. Opperwachtmeester C. was zelf goed op de hoogte van de misdrijven die dienden onderzocht te worden gezien hij zelf de initiële processen-verbaal heeft opgesteld.

Er zijn in dit verband geen redenen voorhanden om opperwachtmeester C. te horen als getuige. Het voorliggende strafdossier bevat alle noodzakelijke gegevens en stukken om de regelmatigheid van de huiszoekingen te kunnen beoordelen. Een getuigenverhoor kan deze beoordeling op geen enkele wijze beïnvloeden of nieuwe gegevens die bij deze beoordeling van belang zijn, aan het licht brengen.

Ten onrechte houden beklaagden nog voor dat de beschikkingen tot huiszoeking nietig zouden zijn op grond van art. 62bis § 2 SV.

Beklaagden tonen niet aan dat het in art. 62bis § 2 SV bepaalde geschonden werd. De Onderzoeksrechter oordeelt soeverein omtrent de spoedeisendheid.

Nopens de houding van de leidende onderzoeker

Wat betreft de houding van de leidende onderzoeker verwijst het Hof eveneens naar de motieven van de eerste rechter die hier als herhaald dienen beschouwd te worden.

Het feit dat sommige door opperwachtmeester C. gebruikte uitdrukkingen voor kritiek vatbaar zouden kunnen zijn, doet niets af aan de waarde van zijn onderzoeksverrichtingen. Tweede beklaagde stelt hierbij dan ook ten onrechte de objectiviteit van deze verbalisant in vraag.

In ieder geval wordt vastgesteld dat de beklaagden omtrent alle in het strafdossier vermelde gegevens verweer hebben kunnen voeren. Zij hebben volop hun rechten van verdediging kunnen laten gelden zodat van een schending van art. 6 E.V.R.M. geen sprake kan zijn. Er is geen enkele onderzoeksdaad of onderzoekshandeling aangetast door een nietigheid die ook maar enigszins invloed zou kunnen uitoefenen op de beoordeling van de bewijselementen die in deze zaak werden verzameld.

Nopens de feiten

Tenlasteleggingen Al 1, All 2 en B1 :

Op 25 augustus 1989 werd bij de NV AG, thans NV. F. AG een ongeval d.d. 30 juni 1989 aangegeven waarbij enerzijds de PVBA R.- EN V. V. D. V. met als bestuurder van het voertuig V. P. en anderzijds C. D.. betrokken waren.