Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 12.12.2001
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent - 13e Kamer – Terechtzitting van 12.12.2001
1999/AR/1706 - In de zaak van :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van FINANCIEN, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Muntstraat 14, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTWOntvangkantoor Roeselare, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,
appellant,
hebbende als raadsvrouw Mr. D. C., advocaat te …, …
tegen :
1. V.C.R. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het H.R. te …, onder het nr. …,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman Mr. B. F., advocaat te …, …
velt het Hof het volgend arrest :
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 16 augustus 1999 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 19 april 1999 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.
Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De feiten
De geïntimeerde, handelaar in tweedehands voertuigen, heeft op 17 en 18 juni 1993 twee beschadigde voertuigen verkocht aan Poolse onderdanen voor respectievelijk … BEF en … BEF. Er werd voor deze voertuigen geen BTW aangerekend en derhalve ook niet afgedragen, omdat de wagens zouden uitgevoerd zijn naar een land buiten de Europese Gemeenschap.
Bij proces-verbaal d.d. 27 april 1995 werd evenwel betaling van de BTW gevorderd omdat (volgens de administratie) gebleken was dat de douanestempels, voorkomend op de uitvoerbewijzen, vals waren. Er werd (voor deze voertuigen) betaling gevorderd van … BEF BTW en een geldboete gelijk aan het dubbele van dit bedrag.
Dit bedrag werd niet betaald.
Met een dwangbevel d.d. 5 augustus 1996, betekend op 2 september 1996, vorderde de appellant voor deze voertuigen een bedrag van … BEF BTW, … BEF verminderde boete en de wettelijke interest vanaf 21 januari 1994.
De vordering
Met dagvaarding d.d. 18 oktober 1996 heeft de geïntimeerde verzet aangetekend tegen dit dwangbevel. Er werd vooral gesteld dat de administratie de echtheid van de douanestempels betwistte maar geen vergelijking toeliet, of mogelijk maakte, met de echte stempels, waardoor de rechten van verdediging werden geschonden.
Het bestreden vonnis
De eerste rechter oordeelde :
- dat uit de redactie van het proces-verbaal d.d. 27 april 1995 bleek dat (volgens de administratie) de uitvoer niet bewezen was "omwille van het feit dat het desbetreffend uitvoerdocument ... een niet regelmatige douanestempel van het kantoor …F. a.d. O. draagt";
- dat de controleur enkel de valsheid vaststelde zonder te stellen dat de geïntimeerde daarvan de auteur was;
- dat de valsheid van de Duitse douanestempel werd afgeleid uit bepaalde details ervan, nader beschreven in het proces-verbaal (en overgenomen in het vonnis);
- dat deze beweerde verschillen tussen de officiële stempel en de stempel voorkomend op de uitvoerdocumenten niet werden vastgesteld door de verbalisant zelf, maar dat de bewering werd gestoeld op een verslag van het 'Zollkriminalamt' van Köln d.d. 11 mei 1994, blijkbaar op verzoek van de Belgische Bijzondere Belastinginspectie bij fax d.d. 26 januari 1994, welke betrekking zou hebben op een ruimere fraudezaak (stukken welke niet werden voorgelegd);
- dat de vaststellingen inzake de valsheid derhalve geen 'eigen' vaststellingen waren van de verbaliserende ambtenaar en dan ook geen bijzondere bewijskracht genoten, zodat de rechter vrij de inhoud van het Duitse verslag kon appreciëren;
- dat de administratie de echtheid en de belastbare grondslag dient te bewijzen aan de hand van controleerbare vaststellingen en dat, nu geen afdruk van de echte stempels werd voorgelegd, elke controle onmogelijk was;
- dat de bewijsvoering van de administratie was tot stand gekomen met schending van de algemene rechtsbeginselen van de rechten van verdediging en de gelijkheid van wapens en ze derhalve onwettig en onbestaande was;
- dat het verslag van het Zollkriminalamt, waardoor de valsheid van de stempels zou moeten bewezen worden, dagtekende van 11 mei 1994, dat het niet werd medegedeeld noch in het debat gebracht en dat pas voor het eerst melding werd gemaakt van de valsheid in het proces-verbaal d.d. 25 april 1995 (zonder verwijzing naar het verslag van het Zollkriminalamt dat pas voor het eerst in conclusie d.d. 14 februari 1997 werd vermeld);
- dat de belastingplichtige dan ook niet binnen een redelijke termijn op de hoogte was gesteld of werd gehoord (schending van de hoorplicht);
- dat zulks een schending uitmaakt van de rechten van verdediging omdat niet kan uitgesloten worden dat de geïntimeerde mogelijks in staat zou geweest zijn bewijsmateriaal te verzamelen nopens de realiteit van de uitvoer, wanneer zij tijdig zou ingelicht geweest zijn of zou gehoord zijn omtrent deze feiten;
- dat, nu de administratie zelf blijkbaar niet in staat was om de valsheid te onderkennen en zij daarvoor beroep diende te doen op vreemde diensten, van de belastingplichtige (een gewone handelaar) niet kon geëist worden dat hij een dergelijk onderzoek wel moet kunnen verrichten (schending van het redelijkheidsbeginsel) en de belastingplichtige mocht aannemen dat de stempels echt waren.
Op grond van deze redengeving werd het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard.
Het hoger beroep
De administratie houdt voor :
- dat de handelaar het bewijs moet leveren van de uitvoer en dat hij zich niet kan verschuilen achter de nalatigheid of de fraude van de medecontractant;
- dat het enig mogelijke bewijs van de uitvoer het officieel douanedocument is;
- dat, wanneer de Belgische administratie gegronde twijfels heeft over de juistheid van de voorgelegde documenten, zij zich noodzakelijkerwijze moet wenden tot de buitenlandse (hier Duitse) douane om zekerheid te krijgen over de authenticiteit van de stempel en dat deze procedure een zekere tijd in beslag neemt;
- dat de vaststellingen van het Zollkriminalamt objectief zijn, dat de aangetroffen verschillen uitvoerig werden beschreven en dat er geen redenen zijn om aan de integriteit van deze overheid te twijfelen;
- dat zelfs bij tijdige mededeling aan de geïntimeerde deze dit gegeven niet had kunnen ontkrachten;
- dat de onregelmatigheid van de douanedocumenten dan ook vaststaat.
Nadat de geïntimeerde de ontvankelijkheid van het hoger beroep had betwist, voorhoudende dat het geschil betrekking had op een vordering welke kleiner was dan … BEF, berekende de administratie de waarde van de vordering op meer dan dit bedrag om in een laatste conclusie te stellen dat, hoe dan ook, hoger beroep mogelijk was omdat ingevolge art. 6 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, steeds vatbaar zijn voor hoger beroep.
Ten gronde houdt de administratie voor dat, in beginsel, voor elke levering van goederen BTW verschuldigd is en dat er enkel vrijstelling wordt verleend wanneer de materiële uitvoer bewezen wordt - wat in de praktijk gebeurt door voorlegging van een douanedocument. Zij stelt dat de eerste rechter de bewijswaarde van het proces-verbaal sterk heeft geminimaliseerd, dat de echte stempels aan de rechter werden voorgelegd zodat hij kon overgaan tot vergelijking, dat geen bewijs werd geleverd van de invoer in Polen en dat de uitvoer dus niet werd bewezen. Zij beweert ook dat de belastingplichtige de bewijslast draagt en dat derhalve niet aan de administratie kan gevraagd worden het bewijs te leveren dat niet werd uitgevoerd.
De administratie stelt ook dat de rechten van verdediging niet werden geschonden omdat de controle pas plaats had op 10 augustus 1994, de redenen van de valsheid omstandig werden uiteengezet in het proces-verbaal en omdat de belastingplichtige steeds, op eenvoudig verzoek, alle gewenste bijkomende informatie kon krijgen. Zij meent ook dat er geen sprake kan zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel omdat het de eerste maal was dat de geïntimeerde wagens had uitgevoerd zodat er geen vaste gedragslijn van de overheid kan ingeroepen worden.
In haar laatste besluiten herhaalt de administratie dat de handelaar het recht op vrijstelling moet bewijzen. In deze conclusie roept zij ook voor het eerst argumenten in welke voordien niet werden vermeld, te weten :
- inzake de verkoopfactuur d.d. 17 juni 1996 voor het voertuig VW Golf : dat de uitvoer diende te gebeuren voor 17 juli 1993 (binnen de termijn van één maand) en dat de stempel van het douanekantoor enkel een jaartal maar geen maand of dag vermeldt zodat niet wordt bewezen dat de uitvoer tijdig gebeurde;
- inzake de factuur d.d. 18 juni 1993 voor het voertuig Toyota Carina : dat dit document werd afgestempeld in het kantoor van vertrek op 18 juni 1993 en dat de douanestempel welke de uitvoer moet bewijzen de datum draagt van 17 juni 1993.
De geïntimeerde - die niet meer heeft geantwoord op de laatste conclusie van de administratie - voerde aanvankelijk aan dat het hoger beroep niet ontvankelijk was.
Ten gronde stelt de geïntimeerde dat de uitvoer wordt bewezen door de douanedocumenten en dat de administratie moet·bewijzen dat er geen uitvoer is geweest. Omtrent de bewijswaarde van het proces-verbaal wijst zij er op dat de gegevens in verband met de douanestempels geen 'eigen' vaststellingen zijn van de verbalisant en dat de echte stempels niet werden voorgelegd. Zij herhaalt ook dat haar rechten van verdediging werden geschonden. Zij stelt dat zij mocht vertrouwen op de juistheid van de douanedocumenten.
Beoordeling
Het hoger beroep is ontvankelijk : de door de administratie ingeroepen wet van 23 maart 1999, art. 6 laat geen discussie meer toe.
De belastingplichtige draagt de bewijslast van de uitvoer; de administratie dient niet te bewijzen dat de voertuigen niet zouden uitgevoerd zijn.
De gegevens waarop de administratie in haar laatste conclusie heeft gewezen, kunnen niet worden afgedaan als nieuw en laattijdig omdat ze zijn afgeleid uit de stukken welke de geïntimeerde zelf voorlegt, te weten de douanedocumenten welke de uitvoer zouden moeten bewijzen.
De administratie houdt terecht voor dat de datum van de douanestempel op het document inzake de Toyota Carina onmogelijk de juiste datum kan zijn omdat het een datum is van voor het opstellen van de factuur en de afstempeling door het kantoor van vertrek. Dit douanedocument is daarom niet bewijskrachtig zodat de uitvoer van dit voertuig niet bewezen voorkomt.
Ook het document inzake de uitvoer van het voertuig VW Golf is niet bewijskrachtig omdat de douanestempel geen dagtekening draagt, zodat niet kan nagegaan worden of deze stempel werd aangebracht binnen de voor de uitvoer gestelde termijn.
Het verzet tegen het dwangbevel is om deze redenen ongegrond zodat het bestreden vonnis moet hervormd worden.
Het is niet dienend de andere argumenten van de partijen te onderzoeken daar ze niet kunnen leiden tot een andere beslissing.
Dispositif
Op deze gronden,
het Hof,
gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende;
verklaart het verzet tegen het dwangbevel d.d. 5 augustus 1996 ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten, deze in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant begroot op … BEF rechtsplegingvergoeding eerste aanleg, … BEF uitgavenvergoeding en … BEF rechtsplegingvergoeding, dit alles volgens opgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, recht doende in burgerlijke zaken van twaalf december tweeduizend en één.
Aanwezig :
de heer L. G., Kamervoorzitter; alleenrechtsprekend en
mevrouw M. V., griffier.
M. V. L. G.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.