Cour d'appel de Gand, 17 octobre 2001 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 17 octobre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Gand, 17 octobre 2001Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2001-10-17-0f5c

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
17 octobre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

53 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 17.10.2001

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van beroep te Gent - 13de Kamer

1996/AR/1743 - In de zaak van :

…, electrotechnicus, wonende te …, …

appellant,

hebbende als raadsman Mr. R. L., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te Gent 11, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 17,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. V. P., advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 4 juli 1996 heeft de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 25 april 1996 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer.

De feiten

De feiten kunnen kort samengevat worden als volgt :

- de appellant was herberguitbater;

- bij een onderzoek lastens de brouwerij NV B., leverancier van de appellant, werden een aantal leveringsbons aangetroffen waarvoor geen factuur werd opgemaakt;

- de afgevaardigde-beheerder van de brouwerij erkende dat een fraudecircuit bestond waarbij Ieveringen aan herberguitbaters of aan bierhandelaars, werden ingeschreven als verkopen aan verenigingen of 'verkoop brouwerij';

- er werd een proces-verbaal opgesteld en de brouwerij alsmede het grootste gedeelte van de afnemers op wiens naam niet gefactureerde leveringen werden vastgesteld, hebben de verschuldigde BTW, vermeerderd met een boete, vrijwillig betaald;

- de appellant bleef ontkennen dat hij dranken had aangekocht zonder factuur;

- nadat hem een dwangbevel werd betekend, heeft de appellant verzet aangetekend op 9 september 1993.

In besluiten wordt beweerd dat de hoofdsom en de interest daarop werd betaald op 10 mei 1994.

Het bestreden vonnis

Op grond van de vermeldingen in het proces-verbaal van vaststelling, gepaard aan een aantal andere vermoedens, zoals daar zijn : het feit dat de appellant een regelmatige afnemer was van de brouwerij B., het feit dat de leveringsbons wijzen op een professionele aankoop en het systematisch onderscheid dat werd gemaakt tussen nog openstaande bonnen en facturen (wat zinloos werd gemaakt wanneer de appellant niet zou behoord hebben tot de reeks van frauduleuze afnemers heeft de eerste rechter het verzet afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep

De appellant houdt voor dat de bewijskracht van het proces-verbaal beperkt is tot hetgeen de ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld en dat slechts ernstige, nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende vermoedens als bewijs kunnen aanvaard worden.

Hij meent dat de heffing uitsluitend gebaseerd is op het proces­ verbaal lastens de brouwerij Bios en dat er geen andere ernstige vermoedens bestaan. Hij betwist dat de boekhouding van de brouwerij tegenover hem bewijskracht zou hebben en stelt dat er geen bewijs is dat de dranken werkelijk geleverd werden. Hij beweert dat hij er geen belang bij had 'zwarte' leveringen te aanvaarden omdat hij zich ten overstaan van de brouwerij had verbonden tot een minimumafzet en het dus voor hem belangrijk was deze afzet te behalen. De appellant heeft ook klacht neergelegd tegen de brouwerij, wegens valsheid in geschrifte. Deze klacht werd door het parket geseponeerd.

In hoofdorde vraagt de appellant derhalve zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren. Subsidiair vraagt hij de aanrekening van 89.925 BEF betaalde BTW en de kwijtschelding van de boete. Ook stelt hij d;:i.t di:; inti:;re,:;t niet verdê'r kan Inren oelet op de betalino

per 17 mei 1993 en dat de interest hoogstens kan berekend

worden op een hoofdsom van 124.500 BEF.

In latere conclusie heeft hij zijn vordering uitgebreid; hij vordert de terugbetaling van 230.587 BEF (bedrag betaald op 17 mei 1993), vermeerderd met de interest.

De administratie vraagt de afwijzing van het hoger beroep.

Beoordeling

Het staat vast dat de brouwerij B. een aantal leveringsbons heeft opgemaakt inzake leveringen welke zouden gedaan zijn aan de appellant, en dat voor deze (betwiste) leveringen geen factuur werd opgemaakt. Dit gegeven vormt een vermoeden van 'zwarte' leveringen aan de appellant.

In zijn verklaring, naar aanleiding van zijn strafklacht (afgelegd op 13 maart 1995 ten overstaan van de Gerechtelijke politie) verklaarde de appellant dat de valsheid van de brouwerij bestond : "uit het feit dat op de facturen, op mijn naam gesteld, een lager bedrag vermeld werd dan dat er op de bestelbons voorkwam en er dus in werkelijkheid geleverd werd" en "ik ontving wel de facturen doch ik controleerde die niet omdat ik al weken aan de brouwerij betaalde op basis van de voorgelegde leveringsbons en waarop de verschuldigde BTW aangerekend en betaald werd". Aldus erkende de appellant uitdrukkelijk dat de (bij de brouwerij) aangetroffen bestelbons overeenstemden met werkelijke leveringen en dat voor die leveringen geen factuur werd opgemaakt. Gelet op deze bekentenis is het niet nuttig nog verdere vermoedens aan te halen.

Nu voor deze leveringen geen factuur werd opgesteld, werd de BTW op de verkoop van de dranken niet afgedragen aan de Belgische Staat en werd het dwangbevel terecht uitgevaardigd. Het verzet is dus minstens ongegrond in zover het gericht is tegen de hoofdsom.

Inzake de door de appellant gevraagde compensatie, moet vastgesteld worden dat alleen de aan de Staat betaalde BTW kan in mindering gebracht worden aan de hand van de voorlegging van facturen (wat te dezen niet kan), zodat deze vraag niet gegrond is.

Inzake de geldboete : het wordt niet meer betwist dat het Hof kan oordelen zowel over de opportuniteit als over de wettelijkheid van de boete. Dit volgt uit een arrest d.d. 24 februari 1999 van het Arbitragehof, d.i. uitgesproken nadat het bestreden vonnis werd geveld.

De bewering (van de appellant) dat hij niet wist dat op de facturen niet alle leveringen werden vermeld, is volkomen ongeloofwaardig.

Te dezen zijn er evenwel geen redenen om deze boete te verminderen daar de feiten duidelijk blijk geven van het opzet belasting te ontduiken en er geen verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn.

Het bestreden vonnis moet derhalve bevestigd worden.

Dispositif

Op deze gronden,

het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op … BEF rechtsplegingvergoeding, volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken van zeventien oktober tweeduizend en één.

Aanwezig :

de heer L. G., Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en

mevrouw M. V., griffier.

M. V. L. G.