Cour d'appel de Gand, 25 avril 2001 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 25 avril 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Gand, 25 avril 2001Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2001-04-25-06b0

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
25 avril 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

71 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 25.04.2001

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue orginale

HOF VAN BEROEP GENT, 13e Kamer - terechtzitting van 25/4/2001

1995/AR/2657

In de zaak van :

BELGISCHE STAAT/ADMINISTRATIE VAN DE BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor van St.-Niklaas. met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus

appellant,

hebbende als raadsman Mr. V. P., advocaat te …, …

tegen :

J. P., bakker, wonende te …, …,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. V. M., advocaat te …, …

Velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 29 november 1995 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 26 juni 1995 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het geschil betreft een verzet tegen en dwangbevel inzake de BTW en een eis van de geïntimeerde wegens tergend en roekeloos beslag.

De bestreden heffing werd gevestigd op grond van gegevens gevonden in een 'zwarte' boekhouding van een leverancier van de geïntimeerde, de NV N. M. van Gent en Brugge.

De geïntimeerde riep voor de eerste rechter o.m. in dat de aanslag nietig was omdat de administratie geen toelating had bekomen om de gegevens van dit dossier ook tegenover hem te gebruiken.

De eerste rechter heeft het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard omdat niet werd bewezen dat de administratie een geïndividualiseerde toelating had verkregen om het strafdossier lastens de NV N. M. ook te gebruiken tegenover de geïntimeerde.

De Belgische Staat stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Hij stelt dat een dergelijke specifieke toelating niet nodig is en besluit verder ten gronde tot de afwijzing van het verzet. Hij steunt op de gegevens van het strafdossier, op het proces-verbaal en op vermoedens.

De geïntimeerde bestrijdt de gegrondheid van het dwangbevel en herneemt, bij incidenteel beroep, zijn vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag.

Beoordeling

1. Ten onrechte beweert de geïntimeerde - daarin gevolgd door de eerste rechter - dat de administratie niet zou kunnen steunen op de gegevens van een strafdossier dat werd opgesteld lastens andere verdachten. Wanneer de administratie op rechtsgeldige wijze toelating bekomt om het strafdossier in te zien, kar. zij de gegevens van dit dossier ook gebruiken tegenover derden.

De toelating tot inzage, verleend door de Procureur-generaal, is algemeen en beperkt het gebruik van de aangetroffen gegevens niet tot de personen welke werden vermeld in de vraag tot kennisname van het dossier.

Het bestreden vonnis moet dan ook om deze reden hervormd worden.

2. Ten deze blijken de beweerde zwarte leveringen enkel uit een vermelding op een klantenlijst (listing blijkbaar opgemaakt met computer) welke werd aangetroffen bij de NV N. M., en waar naast de naam van de geïntimeerde, in potlood, een code werd aangebracht welke (volgens de verklaringen afgelegd tijdens het strafonderzoek) aanwijst dat bij elke officiële levering een niet-gefactureerde hoeveelheid wordt bijgeleverd. Een afschrift van de listing wordt voorgelegd. De listing draagt als datum 22 november 1985 en vermeldt enkel de naam, het adres, BTW-nummer en andere algemene gegevens nodig voor de facturatie. De listing vermeldt geen leveringen.

De aangetroffen gegevens werden opgenomen in een proces-verbaal van de bevoegde ambtenaar. Het is duidelijk dat de vermelding (in het proces-verbaal) dat de geïntimeerde de daarin vermelde leveringen van bloem omving die niet het voorwerp uitmaakten van een factuur, geen feit is dat door de ambtenaar persoonlijk werd vastgesteld, maar slechts een gegeven dat deze ambtenaar afleidt uit de vermeldingen op de aangetroffen listing en de afgelegde verklaringen. De vermelding in het proces-verbaal geldt dan ook slechts tot het bewijs van het tegendeel wat betreft het feit dat de code werd aangetroffen en dat de in het proces­verbaal opgenomen verklaringen werden afgelegd. Noch de inhoud van de verklaringen, noch de juistheid van de verklaringen genieten de bijzondere bewijskracht.

De beweerde 'zwarte' leveringen worden derhalve niet bewezen door het proces­verbaal.

3. De administratie kan echter de leveringen bewijzen met andere middelen, o.m. door vermoedens.

De inschrijving op de listing van de leverancier vormt een eerste vermoeden dat op zichzelf evenwel onvoldoende nauwkeurig is om een grondslag te vormen voor een aanslag.

Als andere dienende vermoedens worden ingeroepen :

(1) - het feit dat de geïntimeerde een regelmatige afnemer is van de NV N. M. van Gent en Brugge;

(2) - het feit dat de verantwoordelijke personen van deze NV hebben bekend dat er een fraudemechanisme bestond;

(3) - het feit dat de aangetroffen klantenlijsten het bestaan van dit fraudemechanisme bevestigen;

(4) - het feit dat de verantwoordelijken van de voornoemde NV bij definitief arrest werden veroordeeld voor fraude;

(5) - het feit dat deze NV met het Ministerie van Financiën een fiscaal compromis heeft afgesloten om het geschil te beëindigen;

(6) - het feit dat een groot aantal bakkers, vermeld op de klantenlijsten, een fiscaal compromis hebben afgesloten en de aankoop zonder factuur hadden toegegeven;

(7) - het feit dat in de correctionele veroordeling van de verantwoordelijken van de voornoemde NV werd gesteld dat het van algemene bekendheid is dat de fraude in de bloem- en maalderijsector algemeen is;

(8) - het feit dat op de teruggevonden lijst, naast de naam van de geïntimeerde de codeletters 1/NM werden aangebracht, wat, volgens de bedienden van de NV N. M., wijst op de niet gefactureerde levering van 2.200 kg bloem per officiële, wel gefactureerde, levering;

(9) - op blz. 18 van de conclusie wordt gesteld dat de ambtenaren ''hebben vastgesteld dat de hoeveelheden aangekochte producten die zonder facturen werden geleverd, staan vermeld in een zwarte boekhouding van de leveranciers";

(10) - op blz. 20 van de conclusie wordt vermeld dat, bij het vaststellen van de heffing verschuldigd door de NV N. M., rekening werd gehouden "met de argumenten van de NV zoals o.m. de tijdelijke onderbreking van de zwarte leveringen";

(11) - op blz. 23 van dezelfde conclusie wordt gesteld "dat de NV N. M. van Gent en Brugge de zwarte verkopen boekte op aparte lijsten en dat deze systematische verkopen steeds samenvielen met een 'officiële’ levering".

Het gegeven vermeld sub (1) brengt geen vermoeden van 'zwarte' leveringen : het feit op een regelmatige wijze aankopen te hebben gedaan, kan geen fraude bewijzen !

De door de administratie ingeroepen middelen bevatten verder een reeks gegevens welke ten overstaan van de geïntimeerde geen vermoeden kunnen scheppen, te weten deze vermeld sub (2), (3), (4), (5) en (6), omdat ze allen betrekking hebben op het fraudemechanisme dat werd opgezet door de verantwoordelijken van de NV N. M. maar geen elementen bevatten welke toelaten aan te nemen dat ook de geïntimeerde niet gefactureerde leveringen heeft bekomen.

Ook het gegeven vermeld onder (7) is door zijn algemeenheid niet bewijskrachtig : het feit dat een gebruik algemeen verspreid is, houdt immers niet in dat 'alle' bakkers, zonder enige uitzondering, ‘zwarte' leveringen vragen en gebruiken.

Het gegeven sub (8) is hetzelfde als hetgeen vermeld staat in het proces-verbaal. De herhaling ervan kan dan ook niets bijbrengen.

Het punt (9) is geenszins bewezen daar de ambtenaren niet persoonlijk hebben 'vastgesteld' dat de aangekochte producten vermeld zijn in een zwarte boekhouding. Minstens moet worden vastgesteld dat aan het Hof geen bewijs wordt voorgelegd van een dergelijke inschrijving.

Het punt (10) pleit eerder tegen het standpunt van de administratie : wanneer wordt aangenomen dat er een tijdelijke onderbreking zou geweest zijn in de zwarte leveringen, dan zou immers ook voor de berekening van de door de geïntimeerde verschuldigde belasting, daarmee rekening moeten gehouden worden.

Ook van enige boeking van de zwarte aankopen op een aparte lijst, punt (11) wordt aan het Hof geen bewijs voorgelegd.

Het geheel van de voorgebrachte vermoedens is derhalve niet voldoende gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend, om te besluiten tot het bestaan van de in het proces-verbaal vermelde zwarte leveringen aan de geïntimeerde.

Het verzet tegen het dwangbevel is dan ook gegrond om deze redenen.

4. Uit de voorgelegde stukken blijkt :

- dat aan de geïntimeerde een betalingsbericht werd gestuurd op 22 november 1991, met aanmaning te betalen binnen de drie dagen;

- dat op 10 december 1991 een dwangbevel werd betekend met verplichting te betalen binnen de 24 uren;

- dat het beslag pas werd gelegd op 17 december 1991.

Daaruit volgt dat de eis tot het bekomen van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag, ongegrond is en terecht werd afgewezen door de eerste rechter.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gedeeltelijk gegrond en vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat de administratie geen gebruik kon maken van inlichtingen afkomstig uit een strafdossier lastens een derde.

Verklaart voor het overige het principaal hoger beroep, alsook het incidenteel beroep, ongegrond.

En ten gronde oordelend.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel gegrond om de hierboven aangehaalde gronden en verklaart de ambtelijke aanslag en het dwangbevel ongegrond.

Veroordeelt de appellant tot alle kosten, deze in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de geïntimeerde begroot op … fr. kosten eerste aanleg en … fr. rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, DERTIENDE KAMER rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 25 APRIL TWEEDUIZEND EN EEN, door :

alleenrechtsprekend Kamervoorzitter L. G.,

bijgestaan door griffier C. S.

S. G.