Cour d'appel de Gand, 16 mars 2000 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 16 mars 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Gand, 16 mars 2000Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2000-03-16-3d5e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
16 mars 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

82 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 16.03.2000

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 11 F1e Kamer

Nr. 1996/FR/331

In de zaak van :

C. A., rustend bakker, en zijn echtgenote,

V. D. G. A., zonder beroep, samenwonende te …, …,

eisers, ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. J. R., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 Brussel, in de persoon van de Directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9000 GENT, Savaanstraat 11 ,

verweerder, ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. P. M., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Gent van 19 november 1996, waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1987 (kohierartikel 160201) en 1988 (kohierartikel 160211) werd afgewezen;

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig hun aangiften in de personenbelasting hebben ingediend en de belastingen aanvankelijk overeenkomstig deze aangiften werden gevestigd;

Overwegende dat de eisers op 25 september 1991 per aangetekend schrijven op de hoogte werden gebracht dat de onderzoekstermijn in toepassing van het artikel 240, 3° alinea werd verlengd en waarbij hen verder werd medegedeeld dat zij belastingontduiking pleegden door aankopen van bloem zonder factuur bij de NV N. M. v. G. en B. (in het kort NMGB) nl. 7.500 kg in 1986 en 10.500 kg in 1987;

Overwegende dat aan de eisers op 26 september 1991 een bericht van wijziging werd verstuurd waarbij hen werd medegedeeld dat in toepassing van artikel 259, 2° lid WIB/oud een supplementaire aanslag zal worden gevestigd berekend op een meerwinst van respectievelijk … F (1986) en … F (1987) en dat tevens zal worden overgegaan tot een belastingverhoging van 20 %;

Overwegende dat het bericht van wijziging uitvoerig verwijst naar het strafonderzoek ingesteld lastens P. d'A. en consoorten, waarvan de administratie toelating tot inzage heeft bekomen vanwege de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Brussel, alsmede naar het bijgevoegde afschrift van het proces-verbaal opgesteld door W. U., hoofdcontroleur van de BTW;

Overwegende dat bij gebreke aan antwoord aan de eisers op 29 oktober 1991 een kennisgeving van aanslag van ambtswege werd verstuurd met overname van en met verwijzing naar de gegevens opgenomen in het voormelde bericht van wijziging;

Overwegende dat niettegenstaande de eisers lieten weten niet akkoord te gaan de aanslag toch werd gevestigd zoals aangekondigd, met dien verstande dat voor ieder van de aanslagjaren slechts een belastingverhoging van 10 % werd toegepast;

Overwegende dat door de eisers bezwaar werd ingediend; dat zij staande hielden :

- dat de eiser longpatiënt is en dat de werkelijke uitbating van de bakkerij werd overgelaten aan de zoon P.; dat zij persoonlijk nooit hebben deelgenomen aan illegale praktijken; dat zij met het oog op een mogelijke overname er belang bij hadden een zo hoog mogelijke omzet te realiseren;

- dat de gegevens teruggevonden in de boekhouding geenszins kunnen bewijzen dat zij meel in het zwart aankochten;

- dat het codecijfer "2" teruggevonden in de klantenlijst van de leverancier en de verklaringen dienaangaande door de directie en het personeel van de leverancier niet bewijskrachtig zijn en niet op hun juistheid werden getoetst;

- dat zij niet kunnen instaan voor boekhoudkundige inschrijvingen bij de leverancier waarin zij geen medezeggingschap hebben;

- dat de zwarte boekhouding van de leverancier niet dienstig kan zijn voor het belasten van derden, zodat deze in de regel niet kunnen belast worden op gronden van vaststellingen in een zwarte boekhouding gedaan;

Overwegende dat de directoriale beslissing deze bezwaren ongegrond verklaarde;

Overwegende dat door de eisers een voorziening werd ingediend; dat zij dezelfde argumentatie ontwikkelden als tijdens de bezwaarprocedure dat zij aanvullende stukken ter griffie hebben neergelegd op 25 juli 1997;

Overwegende dat de eisers in hun conclusie neergelegd op 23 december 1999 vorderen dat de conclusies van de administratie neergelegd op 29 mei 1998 uit de debatten worden geweerd, daar deze werden neergelegd buiten de termijn van dertig dagen zoals bepaald in artikel 382 WIB/92;

1. Nopens de vermeende laattijdige neerlegging van de conclusies van de administratie op 29 mei 1998

Overwegende dat uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken dat :

- de directoriale beslissing werd gewezen op 19 november 1996 en dat daarvan op dezelfde dag kennis werd gegeven aan de eisers;

- het administratief dossier met de «samenvattende nota» werd neergelegd op 26 mei 1997;

- de eisers tijdig aanvullende stukken hebben neergelegd op 25 juli 1997;

- de conclusies van de administratie werden neergelegd op 29 mei 1998;

Overwegende dat in artikel 332 van het Wetboek van lnkomstenbelastingen/92 wordt bepaald : « De directeur der directe belastingen heeft het recht ter griffie van het hof inzage te doen nemen van het dossier en van de nieuwe stukken gedurende dertig dagen welke volgen op de in de artikelen 379 en 381 toegestane termijnen.

Hij moet binnen dezelfde termijn van dertig dagen de memories, stukken of bescheiden welke hij als antwoord meent te moeten voordragen, ter griffie afgeven»,·

Overwegende dat de eisers aanvoeren dat de conclusie van de administratie laattijdig is nu deze niet werd neergelegd binnen de termijn van 30 dagen volgend op de in artikel 381 van het Wetboek van lnkomstenbelastingen/92 toegestane termijn van 60 dagen na de neerlegging van het administratief dossier;

Overwegende dat de administratie betoogt dat de artikelen 381 en 382 van het Wetboek van lnkomstenbelastingen/92 zich niet tegen de neerlegging van memories of stukken buiten de wettelijke termijn verzetten en verder dat de in artikel 382 WIB/92 bedoelde termijn niet is voorgeschreven op straffe van verval;

Overwegende dat de eisers daarentegen aanvoeren dat deze conclusie laattijdig werd neergelegd nu de termijn zoals bepaald in artikel 382 van het Wetboek van lnkomstenbelastingen/92 verstreek op 26 augustus 1997, terwijl de conclusies door de administratie werden neergelegd op 29 mei 1998;

Overwegende dat ten deze de eisers gemachtigd werden bij beschikking van 19 november 1998 te antwoorden op de conclusies van 29 mei 1998;

Overwegende dat het antwoord op die conclusies ook pas werd neergelegd op 23 december 1999, hetzij één jaar later; dat de eisers zich derhalve hebben kunnen verdedigen tegen de conclusies van de administratie van 29 mei 1998, zodat in de gegeven omstandigheden de rechten van de eisers niet werden geschaad en er geen aanleiding is deze conclusies uit de debatten te weren;

2. Nopens de gegevens geput uit het strafdossier aangelegd lastens P. d'A. en anderen en de tegenwerpelijkheid van het arrest van het Hof van beroep te Brussel van 22 november 1993

2.1. Overwegende dat uit het strafonderzoek en het voormelde arrest de frauduleuze praktijken in verband met leveringen van zwarte bloem aan het licht kwamen, onderzocht en tenslotte gesanctioneerd werden;

Overwegende dat de eisers stellen dat de administratie zich niet kan beroepen op het gezag van gewijsde van dit arrest en dat zij geen rechten kan putten uit een rechtsvervolging ingesteld tegen de verantwoordelijken van de NV N. M. v. G. en B. omdat zij daar niet bij betrokken waren en zij geen partij waren in de strafprocedure;

Overwegende dat geen der partijen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 november 1993 overlegt; dat de administratie ten deze steunt op de verklaringen afgelegd gedurende het strafonderzoek;

Overwegende dat vooraf moet vastgesteld worden dat de strafrechtelijke documenten voorgebracht werden met uitdrukkelijke toestemming van de Procureur-generaal te Brussel op 21 december 1987, 25 februari 1988, 29 april 1988, 25 mei 1989, 21 februari 1990 en 23 maart 1992; dat de gegeven machtiging uitsluitend verleend werd om de juiste inning te bekomen van de door de Belgische Staat geheven belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake;

Overwegende dat aan de fiscale administratie volkomen op wettelijke wijze toelating tot inzage en afschrift werd verleend van een strafdossier inzake fiscale fraude;

Overwegende dat krachtens artikel 235 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud de parketten gehouden zijn, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de vaststelling of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken en hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de zetting of de invordering van de door de Staat geheven belastingen nodig acht; dat van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging evenwel geen inzage mag worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de procureur-generaal of de auditeur-generaal;

Overwegende dat krachtens artikel 243 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 235 en 236 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen, door de Staat kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som;

Overwegende dat de toelating van de Procureur-generaal tot inzage van akten, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met een strafdossier niet enkel geldt voor de personen op wiens naam een gerechtsdossier is geopend, doch ook voor andere personen waaromtrent inlichtingen voorkomen in het strafdossier; dat een gerechtelijk dossier dat met uitdrukkelijk verlof van de Procureur-generaal in het bezit van een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur is, kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke som die een andere belastingplichtige verschuldigd is krachtens de belastingwetten (Cass., 8 oktober 1993, Bull., 1995, nr. 747, p. 853);

Overwegende dat er anders over oordelen de artikelen 235 en 243 WIB/oud buiten werking zou stellen waarbij bepaald wordt dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal, of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies, door een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur door de Staat kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som;

Overwegende dat derhalve dient aangenomen dat de administratie de inlichtingen uit het gerechtsdossier op een regelmatige wijze heeft verkregen en er op een reglementaire wijze gebruik heeft van gemaakt;

2.2. Overwegende dat de argumentatie van de eisers hierop neerkomt dat de bewijzen aangewend tegen de NV NMGB niet automatisch tegen hen kunnen worden aangewend en de administratie, die zich niet op vermoedens kan steunen, het bewijs niet levert van de zwarte leveringen van bloem en de daarmede overeenstemmende belastbare inkomsten in hunnen hoofde en van het dienovereenkomstig bestaan en bedrag van de belastingschuld;

Overwegende dat de administratie vanaf het stadium van de taxatie o.m. beschikt over alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen - met uitzondering van de eed - om het bedrag van de belastbare inkomsten vast te stellen, en meer algemeen om het bestaan en het bedrag van de belastingschuld te bepalen;

Overwegende dat aldus de administratie, als bewijsmiddel o.m. kan steunen op feitelijke vermoedens die gebaseerd zijn op de gegevens verzameld naar aanleiding van een strafonderzoek, de documenten of inlichtingen van derden, voor zover deze gegevens geverifieerd en aldus bevestigd worden door een aantal gegevens;

Overwegende dat het strafonderzoek het bestaan van een zwarte omzet van bloem heeft aangetoond;

Overwegende dat de vaststellingen gedaan tijdens het onderzoek van frauduleuze praktijken in de boekhouding van andere belastingplichtigen, in casu de verantwoordelijken van de N. M., op zichzelf niet voldoende zijn om de eisers te belasten; dat de aldaar gevonden elementen op hun juistheid moeten worden gecontroleerd;

3. Ten gronde

Overwegende dat de eiser het beroep van bakker uitoefende te Maldegem; dat op 18 januari 1991 door F. G., hoofdfinanciebeambte verbonden aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen een controleonderzoek werd uitgevoerd ten huize van de eisers over de periode van 1 januari 1986 tot 31 december 1987; dat de controlerende ambtenaar de eisers hierbij in kennis stelde dat er een gerechtsdossier werd aangelegd lastens de NV NMGB en dat ingevolge toelating verleend door de Procureur-generaal te Brussel een aantal vaststellingen werden gedaan, inzonderheid dat bloem aan bakkers werd geleverd zonder dat hiervoor verkoopfacturen werden opgesteld (stuk 53);

Overwegende dat de eisers steeds hebben ontkend bloem in het zwart te hebben aangekocht van de NV NMGB en voorhouden dat hun boekhouding bewijskrachtig is; dat zij verder stellen dat de gegevens aangetroffen bij de leverancier van bloem het bewijs van zwarte aankopen niet kan leveren;

Overwegende dat naar aanleiding van het controleonderzoek in de boekhouding van de eisers niet alleen de omvang van de door hen aangekochte bloem met de daarmede overeenstemmende hoeveelheden bloem werden genoteerd, doch eveneens de omvang van de aankopen gist (1.356 kg in 1986 en 1.530 kg in 1987) en de capaciteit van de silo van de eisers (5.000 kg); dat de hoofdfinanciebeambte aan de hand van de voorliggende gegevens berekende dat de eiser bloem zonder facturen aankocht ten belope van 7.500 kg. in 1986 en 10.500 kg. in 1987 en hij de hiermede overeenkomende omzet vaststelde;

Overwegende dat ingevolge het onderzoek door de diensten van de BTW aan de eiser een dwangbevel werd betekend op 16 december 1991 ten bedrage van … F, zijnde … F vertegenwoordigend het bedrag van de ontdoken BTW, berekend op basis van de voormelde meeromzet, vermeerderd met een boete van … F;

Overwegende dat ter zitting van het Hof van 20 januari 2000 de eisers hebben erkend te hebben berust in het voormelde vonnis, zodat dit kracht van gewijsde heeft bekomen;

Overwegende dat de eisers thans dezelfde middelen aanvoeren als diegene die zij lieten gelden in de procedure ten overstaan van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen;

Overwegende dat de administratie van de directe belastingen gerechtigd is te steunen op de gegevens die haar door de BTW-administratie werden overgemaakt; dat de omzetverhoging, zoals doorgevoerd door de BTW-administratie definitief is komen vast te staan in het niet aangevochten vonnis van 14 november 1996;

Overwegende dat de administratie van de directe belastingen dientengevolge kan steunen op het gezag van gewijsde van dit vonnis;

Overwegende derhalve dat de meerwinsten dan ook niet willekeurig werden vastgesteld;

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer M. H. en de partijen in hun middelen en conclusies.

Ontvangt de voorziening, doch verklaart ze ongegrond.

Verwijst de eisers in de kosten begroot op … F.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde kamer, rechtdoende in fiscale zaken, op ZESTIEN MAART TWEEDUIZEND.

Aanwezig :

Mevrouw : N. v. l., Voorzitter,

De heren : A. D. M. en

M. H., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. M. H. A. D. M. N.v. l.