Cour d'appel de Bruxelles, 7 février 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 7 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Bruxelles, 7 février 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2003-02-07-5802

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
7 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 07.02.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 07-02-2003

Nr. van de zaak : 1996/AR/1939

IN ZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer waarnemend Eerst aanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Schaarbeeklei, 213,

appellant,

oorspronkelijke verweerder op verzet tegen een dwangbevel inzake BTW, vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat (…, …).

tegen :

De NV M. B., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nr. …,

geïntimeerde,

oorspronkelijke eiseres op verzet tegen een dwangbevel inzake BTW, vertegenwoordigd door Meester W. H., advocaat, (…, …)


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De Rechtspleging

Op 24 juni 1994 en 21 november 1994 werden twee processen-verbaal lastens geïntimeerde opgesteld, voor een totaal bedrag van … F in hoofdsom en boete. Het eerste proces-verbaal heeft betrekking tot de periode gaande van 1 oktober 1991 tot 31 mei 1992, en het tweede tot de periode gaande van 1 juni 1992 tot 30 juni 1994.

R. 2003/905 EINDARREST- Ontvankelijk gedeeltelijk gegrond.

Twee dwangbevelen werden, op grond van die processen-verbaal, op 21 september 1994 en 6 december 1994, betekend waartegen geïntimeerde op 14 oktober 1994 en 12 december 1994 verzet aangetekend heeft. De twee zaken werden door de eerste rechter samengevoegd.

De 24ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft op 29 maart 1996 het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard en bijgevolg de dwangbevelen vernietigd. Er wordt geen betekeningakte van het vonnis neergelegd.

Hoger beroep werd door de Staat op 10 september 1996 aangetekend. De ontvankelijkheid van het verhaal wordt niet betwist. Het verhaal is ontvankelijk.

Partijen formuleren geen betwisting nopens de regelmatigheid van de neerlegging van de conclusies.

Voorwerp van het geschil

Het geschil slaat op het punt te weten of de “oxygenatoren en individueel toebehoren” die M. aan ziekenhuizen geleverd heeft, aan het normaal BTW tarief van 19,5 % of 20,5 % of aan het in rubriek XXIII, punt 2 , tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 BTW voorziene verlaagd tarief van 6 % onderworpen zijn.

De feiten

1. Volgens rubriek XXIII, punt 2 , tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 is het tarief van 6 % van toepassing op de “orthopedische toestellen (medisch chirurgische gordels daaronder begrepen); breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel; kunstgebitten, kunsttanden, kunstogen, kunstledematen en dergelijke artikelen; hoorapparaten voor hardhorigen en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen diende apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd; individuele toestellen en hun toebehoren voor de personen die lijden aan incontinentie; het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses”.

2. De administratie aanvaardt dat de drie volgende toestellen ook door rubriek XXIII beoogd worden :

* de toestellen om de stemvorming bij personen die het gebruik van hun stembanden verloren hebben, te vergemakkelijken.

* de hartstimulatoren (pacemakers).

* de ultrasonische zender-ontvangers en andere elektronische toestellen die blinden in staat stellen zich veilig te bewegen. (Besluiten van de Staat, blz.4).

3. De oxygenator heeft volgens de neergelegde informatiebrochure de vorm van een potje. Dr. V. D. O., de privé-deskundige van M., beschrijft hem aldus :

“Oxygenatoren en hun steriel toebehoren zijn éénmalig te gebruiken medische goederen, die voor een individuele patiënt worden aangewend tijdens een welbepaalde periode gedurende dewelke de eigen longen van de patiënt niet in staat zijn voor de normale gasuitwisseling in te staan. Deze producten worden gebruikt tijdens open hartchirurgie of bij ernstige schade van de longen door chemische, fysische of organische oorzaken.

«De eigenlijke bloedsomloop wordt hierbij ondersteund door een externe pomp, die als infrastructuur van het ziekenhuis voor verschillende patiënten wordt gebruikt en correct (...) aan een BTW-tarief N” (te weten : het normaal tarief van 19,5 of 20,5 %) « is onderworpen.

«De individueel gebruikte oxygenator, de koppelingsslangen, die als vervangbloedvaten dienst doen, en de drainagesystemen, maken daarentegen deel uit van de cardiotomie-set, die aan de individuele patiënt is gebonden, en tijdelijk wordt “ingeplant” bij de patiënt als toestel voor het verhelpen of verlichten van een kwaal of gebrek”. (Stuk 8, blz.9 van het dossier van M.).

Discussie

a/ betreffende het toepasselijk tarief

Opdat een toestel door rubriek XXIII, punt 2 van tabel A van het KB.nr. inzake BTW als een “andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen diende apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd” beschouwd mag worden, moet dit toestel bijgevolg door de patiënt intern (door implantatie) of extern gedragen worden, wat inhoudt dat belanghebbende van de autonomie geniet om zich te verplaatsen en dus het toestel van een plaats naar een ander te kunnen dragen.

Uit de beschrijving door Dr. V. D. O. en uit de informatiebrochure volgt dat de oxygenator deze voorwaarden niet vervult; dit toestel, dat de vorm van een potje heeft, is inderdaad aan een volledige heelkundig circuit gekoppeld en vormt een noodzakelijk onderdeel van gans een infrastructuur van het ziekenhuis, infrastructuur die -volgens de eigen verklaringen van Dr. V. D. O. - “voor verschillende patiënten wordt gebruikt en correct (...) aan een BTW - tarief N” (te weten : het normaal tarief van 19,5 of 20,5 %) ”is onderworpen".

De patiënten die de koppelingsslangen van de oxygenator dragen tijdens de open hartoperaties of bij ernstige schade van de longen door chemische, fysische of organische oorzaken, zijn geen ambulante patiënten; zij genieten niet van een verplaatsingsautonomie.

M. tracht tevergeefs de oxygenator met “het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses” waarvan sprake in rubriek XXIII, te vergelijken.

Andere toestellen mogen, luidens de strict interpreteerbare tekst van punt 2 van rubriek XXIII, niet met het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier vergeleken worden.

Dit punt 2 is inderdaad als volgt opgesteld :

- orthopedische toestellen

- breukspalken

- kunstgebitten enz

- hoorapparaten

- en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen diende apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd

- individuele toestellen voor de personen die lijden aan incontinentie.

- individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier.

Deze tekst is bijgevolg niet opgesteld op een wijze die zou toelaten datgene dat bepaald werd voor het toebehoren van de kunstnier bij analogie op ander toebehoren toe te passen (zoals M. het voorhoudt).

Ten overvloede stelt het Hof trouwens vast dat de hierboven beschreven oxygenator niet vergelijkbaar is met een individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier, het weze maar omdat in dit laatste geval belanghebbenden ambulante patiënten zijn.

Het normaal tarief komt overeen met het regime van de douanerechten M. gebruikt de tariefcode 9018/subcode 9050 voor de oxygenatoren die met het gewoon BTW-tarief overeenstemt (en niet code 9021 die met het verlaagd BTW-tarief overeenstemt).

M. diende dus het gewone tarief van 19,5 % of 20,5 % op de oxygenatoren toe te passen.

b/ betreffende de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel en het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof omdat de oxygenatoren aan het gewone tarief terwijl “het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses” aan het verlaagd tarief onderworpen zijn :

Op dit punt werd hierboven reeds onder a/ in fine geantwoord : de twee soorten toestellen zijn niet vergelijkbaar omdat men bij oxygenatoren niet met ambulante patiënten te maken heeft, en bij kunstnieren wel.

Er is dus geen discriminatie, noch schending van het gelijkheidsbeginsel, noch aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag omdat de categorieën onvergelijkbaar zijn.

c/ betreffende het verzoek tot het aanstellen van een gerechtsdeskundige

Het Hof werd voldoende ingelicht door de uitvoerige uitleg der partijen ter zitting en de door partijen neergelegde bundels en besluiten.

d/ betreffende het verzoek de opgelegde boeten te vernietigen

Terzake moeten de boeten van … F en … F als straffen worden aangemerkt, wat het Hof toelaat het eventuele opzet en de schuld van M. te beoordelen.

Het toe te passen BTW-tarief werd principieel en geargumenteerd betwist gezien men terzake uitsluitend met een delicate principekwestie te maken heeft; de twee bovenvermelde boeten dienen dan ook volledig vernietigd te worden omdat geen enkele kwade trouw in hoofde van geïntimeerde is aangetoond en het recht om de wet te toetsen niet door een boete mag belemmerd worden.

Dispositif

0M DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting de heer B. d. C., plaatsvervangend raadsheer, in zijn verslag;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en grotendeels gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis behalve waar het voor recht zegt dat de door de Staat gevorderde boeten door M. niet verschuldigd zijn.

Opnieuw rechtdoende verklaart de oorspronkelijke vorderingen van M. ontvankelijk doch ongegrond behalve waar de volledige vernietiging der twee boeten gevorderd wordt.

Veroordeelt M. tot ¾ der kosten en de Staat tot ¼ der kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot op … euro voor appellant en op … euro voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 07-02-2003

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K. V. H., voorzitter,

M. R., raadsheer,

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. M. R. K. V. H.