Cour d'appel de Bruxelles, 5 février 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 5 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Bruxelles, 5 février 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2003-02-05-cd2a

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
5 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

84 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 05.02.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF VAN BEROEP BRUSSEL - Toegevoegde kamer "F" (wet van 9 juli 1997)

Nr. van de zaak : 2000/AR/88

Openbare terechtzitting van 05/02/2003

1. De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Ontvanger van de BTW te Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3000 Leuven, Strijdersstraat 63-90;

2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Hoofdcontroleur van de BTW te Haacht, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3150 Haacht, Remi Van de Sandelaan 2;

appellanten,

oorspronkelijke verweerders op verzet tegen een dwangbevel inzake BTW,

vertegenwoordigd door Meester V. B. loco M. V. A., advocaat (…, …);

tegen :

De BVBA H. M., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer …,

geïntimeerde,

oorspronkelijke eiseres op verzet tegen een dwangbevel inzake BTW,

vertegenwoordigd door Meester K. loco L. V., advocaat, (…, …);


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. 2000/850 EINDARREST - Hervormd.

De Rechtspleging

De 7de kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven heeft op 12 oktober 1999 het verzet tegen een dwangbevel d.d. 8 april 1997 gegrond verklaard en bijgevolg dit dwangbevel vernietigd. Er wordt geen betekeningakte van het vonnis neergelegd.

Hoger beroep werd door de Staat op 12 januari 2000 aangetekend. Het beroep is ontvankelijk.

De feiten

1. Op 3 september 1993 werd door de administratie der directe belastingen bij de BVBA. H. M., die een restaurant uitbaat, een controle uitgevoerd voor het jaar 1992 (aanslagjaar 1993).

Er werd o.a. vastgesteld dat journaalposten zonder stavingstukken geboekt waren en dat de lopende rekening van de zaakvoerder, de Heer L., een krediet van … F vertoonde zonder bewijs dat deze laatste geld in de zaak gebracht had (stuk 6, blz. 2, lid 2 van het dossier van appellante). De boekhouding werd verworpen.

De administratie der directe belastingen bepaalde de omzet door de aankoopprijs van de dranken en de voeding respectievelijk met 2,2 en 100 % te vermenigvuldigen. Deze coëfficiënten werden, volgens de synthesebesluiten van de administratie (blz. 6, lid 2), bepaald dank zij een vergelijking van de aan­ en verkoopprijzen der dranken en, wat het voedsel betreft, rekening houdend met de start van de activiteit en met het gewichtstekort bij de levering van de mosselen.

Het bedrag van de omzet werd aldus verhoogd met … Fr en van … F (aangegeven bedrag) tot … F gebracht. (zie stuk 1 van het dossier van appellante).

De BVBA H. M. heeft zich met deze meeromzet van … F op 3 september 1993 akkoord verklaard.

2. Op 6 september 1993 heeft de administratie der directe belastingen deze gegevens aan de administratie der BTW meegedeeld (stuk 1 van het dossier van appellante).

Thans wordt de BTW, die op deze meeromzet van … F berekend werd, betwist.

3. Op 8 januari 1996 hebben de administratie der directe belastingen en de Heer L., zaakvoerder van de BVBA H. M., een akkoord gesloten volgens dewelke de meeromzet van … F in de lopende rekening van de zaakvoerder opgenomen werd zodat de zogezegde schuld van … F van de vennootschap t.o.v. de Heer L., (zie hierboven nr. 1, lid 2) in een vordering van … F. van de vennootschap t.o.v. de Heer L. omgezet werd (lid 7 van blz. 8 van de synthesebesluiten van de Staat, waarvan de gegevens door de BVBA niet betwist worden).

Anderzijds werden de belaste reserves van de BVBA met … F verhoogd (niet betwiste lid 7 van blz. 8 van de besluiten van de Staat), zodat – rekening houdend met andere posten van de afrekening van de belastbare basis van de vennootschap, het over te dragen verlies van … F (aangegeven bedrag) tot … F (zie stuk 5 van het dossier van de Staat) herleid werd.

Er werd niet geraakt aan de opbrengstenrekeningen van de klasse 7 noch aan de kostenrekeningen van de klasse 6 (niet betwiste lid 7 van blz. 8 van de besluiten van de Staat).

Het akkoord van 8 januari 1996 is als volgt opgesteld (niet gedateerd stuk 5 van het dossier van de administratie, waarvan sprake op blz. 8 in fine van de synthesebesluiten van de Staat die door geïntimeerde niet betwist wordt) :

“Aanslagjaar 1993 van de BVBA H. M. : belastbaar in de Ven. B

« Fluctuatie der reserves :

“Overdracht verlies + winst : 31/12/1992 : min …

"Te boeken rechtzetting via L/R zaakvoerder

Omzet …

Voordelen alle aard …”

(Totaal : … F)

Nieuw overdracht verlies “min …”

“Te boeken rechtzetting :

“L/R vennoot L. … F

“à belaste reserves … F”.

4. Op 14 februari 1997 heeft de hoofdcontroleur der directe belastingen de hierboven uiteengezette boekingen en akkoord van 8 januari 1996 als volgt uitgelegd :

“Bij het onderzoek op 8 januari 1996 werd na discussie overeengekomen dat de omzetverhoging voor het boekjaar 91/92 niet meer weerhouden werd Er werd echter overeengekomen dat in de boekhouding volgende rechtzetting zou opgenomen worden : L/R zaakvoerder aan belaste reserve voor …. Hierdoor werd m.a.w. het verlies van dit eerste boekjaar verworpen zonder dat dit gevolgen had t.o.v. het aangegeven zakencijfer. Deze werkwijze werd gevolgd omdat de L/R van de zaakvoerder per 31.12.92 een creditsaldo vertoonde van … (zie bijl. 6) en dat hij bij de vraag of hij gelden in zijn vennootschap had gesproken, een negatief antwoord gaf" (stuk nr.6 van het dossier van de Staat).

Voorwerp van het geschil

Het geschil slaat op het punt te weten of de BTW op de meeromzet van … F waarvan sprake in het akkoord gesloten door de BVBA H. M. met de administratie der directe belastingen op 6 september 1993, nog verschuldigd is na de boekingen die - ten gevolge van nieuwe discussies tussen de administratie der directe belastingen en de vennootschap . op 8 januari 1996 gedaan werden.

Geïntimeerde beweert in ondergeschikte orde dat, door geen rekening te houden met het akkoord van 8 januari 1996, de administratie der BTW de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en het fair-play beginsel in het bijzonder geschonden heeft.

Zeer ondergeschikt vordert geïntimeerde de kwijtschelding, minstens een gevoelige vermindering van de opgelegde boete van 20 %.

Discussie

a/ betreffende het akkoord van 8 januari 1996

De inhoud en de draagwijdte van het akkoord met de administratie der belastingen van 8 januari 1996 moeten uitsluitend in de in uitvoering akkoord gedane boekingen gezocht worden.

Het Hof verwijst ten deze naar stuk 5 van het dossier van de Staat en naar punt 3 in fine van de hierboven uiteengezette feiten.

De juistheid van deze boekingen wordt door de brief van de administratie der directe belastingen d.d. 14 februari 1997 bevestigd. In deze brief wordt inderdaad gesteld dat het verlies van het eerste boekjaar 1992 (… F) verworpen wordt, door een boeking “L/R zaakvoerder aan belaste reserve voor … F”.

Uit de door de administratie der directe belastingen op 8 januari 1996 opgesteld, en door de zaakvoerder voor akkoord ondertekende afrekening (hierboven geciteerde stuk 5), blijkt duidelijk dat dit bedrag van … F, dat in mindering van het aangegeven verlies van … F komt, nog steeds als “omzet” gekwalificeerd wordt, zoals door het akkoord van 6 september 1993 bepaald.

Nergens is in de afrekening van 8 januari 1996 te lezen dat de administratie der directe belastingen de boekhouding van de vennootschap plotseling bewijskrachtig zou achten, het ongerechtvaardigd creditsaldo van … F van de zaakvoerder zou aanvaarden, en aan de op 6 september 1993 berekende en door de vennootschap aanvaarde meeromzet van … F verzaakt zou hebben.

Had de administratie aan die meeromzet verzaakt dan was er geen reden meer om het aangegeven verlies te verminderen ten belope van … F.

Gelet op wat voorafgaat zijn de zinsneden van de brief van de administratie der directe belastingen van 14 februari 1997, volgens dewelke “op 8/1/1996 werd na discussie overeengekomen dat de omzetverhoging voor het boekjaar 91/92 niet meer weerhouden werd” en “hierdoor werd m.a.w. het verlies van dit eerste boekjaar verworpen zonder dat dit gevolgen had t.o. v. het aangegeven zakencijfer” zinloos en ongerijmd. Ter zitting heeft de raadsman van de vennootschap, hierover uitdrukkelijk ondervraagd. ook geen uitleg kunnen verstrekken.

Het akkoord van 8 januari 1996 is dus geen aanvaarding door de administratie der directe belastingen dat de door de vennootschap op 6 september 1993 erkende meeromzet van … F onbestaande is…

De vennootschap toom niet aan dat die meeromzet bedragen bevat die niet aan de BTW onderworpen worden.

De hoofdgrief van belastingplichtige is ongegrond.

b/ beweerde schending van het fair-play beginsel

De boekingen van 8 januari 1996 hebben, zoals hiervoor uiteengezet. niet de minste wijziging van de meeromzet van … F tot gevolg.

Op deze omzetverhoging werd door de administratie der BTW, conform de wet, de verschuldigde BTW berekend, zodat het fair-play beginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden worden.

De ondergeschikte grief van belastingplichtige is ook ongegrond.

c/ vermindering van de boete van 20 %

Er bestaat ter zake geen aanleiding deze met matigheid bepaalde boete te herleiden, gezien de omvang der erkende verdoken meeromzet van … F

Het hoger beroep is bijgevolg gegrond.

Dispositif

0M DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting de heer K. V. H., voorzitter in verslag;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Doet het eerste vonnis teniet en hervormend, verklaart de oorspronkelijke vordering van de BVBA. H. M. (houdend verzet tegen het dwangbevel) ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten in beide aanleggen, in hoger beroep begroot op .. euro voor appellanten en op … euro voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer “F” van het hof van beroep te Brussel, op 05/02/2003.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K. V. H., voorzitter

B .d. C., plaatsvervangend raadsheer,

JP N. d. B., plaatsvervangend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. JP N. d. B. B. d. C. K. V. H.