Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêet de la Cour d'Appel d'Anvers du 03.11.2009
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 3/11/2009
EINDARREST
In zake : 2007/AR1236
NV N. B., met maatschappelijke zetel te …, …, Kruispuntbank ondernemingen RPR Gent nr. …
appelIante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 31 januari 2007;
vertegenwoordigd door Meester A. C., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, inde persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste procestukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 1 januari 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24 april 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1993 tot en met 1997.
NV P. S., later NV P. genaamd, nam op 13 november 1992 een participatie over in een Franse kalkoenslachterij, genaamd SA N., en dit voor een bedrag, volgens appellante van 97.606.402 BEF (2.419.599,50 EUR).
Deze participatie was voorheen in handen van NV M., die ze op haarbeurt zou verworven hebben van NV H.. De SA N. verkeerde op dat ogenblik in grote financiële moeilijkheden.
Op 14 november 1992 stond NV P. S. aan SA N. een lening toe van destijds 25.000.000 FF (149.792.100 BEF of 3.713.249,10 EUR).
Volgens de administratie verleende de NV P. S. aan SA N. opschorting van de verplichting tot betaling van interesten in afwachting van betere tijden.
Op 12 maart 1993 besloot de raad van bestuur van NV P. S. om de rente op deze lening kwijt te schelden.
Op 30 juni 1993 besloot de raad van bestuur van NV P. S. om de lening van 25.000.000 FF aan SA N. kwijt te schelden, onder voorbehoud van een 'terugkeer naar betere tijden'. Deze kwijtschelding zou ingegeven zijn door de overweging dat de financiële toestand van SA N. niet verbeterde en teneinde het faillissement van deze vennootschap te vermijden.
Op 11 juli 1993 stond NV P. S. een nieuwe lening toe aan SA N. van destijds 16.600.000 FF (101.318.100 BEF of 2.511.610,00 EUR).
Op 28 december 1994 schold NV P. S. deze lening kwijt ten belope van een bedrag van, destijds, 11.500.000 FF.
Het saldo van deze lening werd door SA N. vereffend, evenals andere vorderingen die NV P. S. nog had op SA N.. Meer bepaald werd op 23 december 1994 door SA N. een bedrag betaald van 14.815.797,42 FF.
Volgens de administratie heeft de door NV P. S. aan SA N. uitgeleende bedragen, op hun beurt door het coördinatiecentrum BP C. verder zijn uitgeleend aan NV P. S..
NV P. S., intussen genaamd NV P. verkocht haar participatie in SA N. aan SA N. F. P..
Bij notariële akte van 31 december 1996 werd NV P. ontbonden zonder vereffening met het oog op de fusie door overneming door de NV N. B..
1.2. Aanslag
1.2.1. Aanslagjaar 1993
Op 6 juli 1995 stuurde de administratie een bericht van wijziging naar de NV P. (voorheen P. S.) met betrekking tot aanslagjaar 1993 (stuk 277 administratief dossier).
Hierin werd aangekondigd dat een bedrag van 1.890.525 BEF (of 46.864,89 EUR) zou worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven wegens interestderving. De administratie stelde vast dat in een op 13 november 1992 met SA N. gesloten overeenkomst was bepaald dat aan deze vennootschap opschorting zou verleend worden van de betaling van interesten op de toegestane lening van 25.000.000 FF in afwachting van betere tijden. Dat uitstel van betaling van interesten werd door de administratie beschouwd als een abnormaal en goedgunstig voordeel, verstrekt aan een buitenlands bedrijf waarmee banden van wederzijdse afhankelijkheid bestonden.
Het abnormaal en goedgunstig voordeel werd als volgt berekend : 2.538.113 BEF x 149.792.100 BEF/201.102.402 BEF = 1.890.525 BEF, waarbij :
- 2.538.113 BEF het bedrag is aan in1teresten dat door NV BP C. werp aangerekend aan NV P. S. op de lening die NV BP C. aan NV P. S. had toegestaan;
- 149.792.100 BEF het bedrag is van de lening die door NV P. S. werd toegestaan aan SA N.;
- 201.102.402 BEF het bedrag is van de lening die door NV BP C. werd toegestaan aan NV P. S..
NV P. S. verklaarde zich op gemotiveerde wijze niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 279 administratief dossier). De vennootschap argumenteerde dat het nemen van een participatie in SA N. voor de vennootschap diverse voordelen bood, waarbij de keuze voor SA N. onder meer werd beïnvloed door de ligging van dit bedrijf. Vermits de resultaten in 1992 en 1993 de verwachtingen niet inlosten, was de vennootschap genoodzaakt leningen te verstrekken aan SA N.. Dat de interesten niet werden gevorderd was volgens de vennootschap een economisch verantwoorde beslissing die niet als het verstrekken van een abnormaal en goedgunstig voordeel diende te worden beschouwd. Het feit dat de NV P. S. haar financiële situatie daardoor dermate had verzwakt dat zijzelf een lening diende aan te gaan, was volgens de vennootschap niet relevant.
De aanslag, kohierartikel …, supplement aan aanslag, kohierartikel … werd op 9 oktober op naam van NV P. gevestigd zoals voorgenomen.
1.2.2. Aanslaglaar 1994
Op 6 juli 1995 stuurde de administratie een bericht van wijziging met betrekking tot dit aanslagjaar naar de NV P. (stuk 748 administratief dossier).
Hierin werd aangekondigd dat een bedrag van 149.792.100 BEF (of 3.713.249,10 EUR) zou worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven als verstrekte abnormale en goedgunstige voordelen, met name het kwijtschelden van de lening door NV P. aan SA N..
Er zou tevens een bedrag van 14.292,654 BEF (354.305,63 EUR) aan de verworpen uitgaven worden toegevoegd als abnormaal en goedgunstig voordeel, met name als interestderving. Er werd met name door NV P. aan SA N. opschorting van betaling van interesten verleend in afwachting van betere tijden.
De belastingplichtige verklaarde zich opnieuw op gemotiveerde wijze niet akkoord met de voorgenomen wijziging (stuk 753 administratief dossier).
De aanslag, kohierartikel …, supplement aan aanslag, kohierartikel …, werd evenwel op 19 september 1995 gevestigd zoals voorgenomen op naam van NV P., met verzending van het aanslagbiljet op 22 september 1995 (stuk 795 administratief dossier).
1.2.3. Aanslagjaar 1995
Op 7 augustus 1997 stuurde de administratie een bericht van wijziging met betrekking tot aanslagjaar 1995 naar NV P. p/a NV N. in … (stuk 943 administratief dossier).
Hierin werd aangekondigd dat een bedrag van 68.885.000 BEF, later blijkbaar gecorrigeerd tot 68.379.000 BEF (1.695.071,10 EUR) zou worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven als verstrekte abnormale en goedgunstige voordelen, met name het kwijtschelden van de lening door NV P. aan SA N..
De belastingplichtige verklaarde zich op gemotiveerde wijze hier akkoord met de voorgenomen wijziging (stuk 948 administratief dossier).
De aanslag, kohierartikel … supplement aan aanslag, kohierartikel 854014499 werd ingekohierd op 1 december 1997 (stuk 971 administratief dossier).
1.2.4. Aanslagjaar 1996
Op 21 januari 1998 stuurde de administratie een bericht van wijziging met betrekking tot aanslagjaar 1996 (stuk 1046 administratief dossier).
Er werd aangekondigd dat de vorige verliezen, in de aangifte vermeld voor een bedrag van 58.515.713 BEF, zouden worden teruggebracht tot 0 BEF en er werd verwezen naar het bericht van wijziging van 7 augustus 1997 met betrekking tot aanslagjaar 1995.
Er werd eveneens aangekondigd dat de vennootschap zou worden uitgesloten van de toepassing van het verminderd tarief, vermeld in artikel 215, tweede lid WIB 92.
De belastingplichtige verklaarde zich op gemotiveerde wijze niet akkoord (stuk 1049 administratief dossier).
De aanslag, kohierartikel …, supplement aan de aanslag, kohierartikel … werd gevestigd op 5 augustus 1998 (stuk 1061 administratief dossier).
1.2.5. Aanslagjaar 1996 speciaal
Op 21 januari 1998 stuurde de administratie een kennisgeving van aanslag van ambtswege, om reden dat de aangifte laattijdig werd ingediend (stuk 1335 administratief dossier).
Er werd aangekondigd dat de vorige verliezen, in de aangifte vermeld voor een bedrag van 11.065.749 BEF, zouden worden teruggebracht tot 0 BEF en er werd verwezen naar het bericht van wijziging van 7 augustus 1997 met betrekking tot aanslagjaar 1995 en het bericht van wijziging van 21 januari 1998 met betrekking tot aanslagjaar 1996. Er werd eveneens aangekondigd dat slechts een bedrag van 15.000.000 BEF (371.849,28 EUR) als voorafbetaling verrekend zou worden op de aanslag van aanslagjaar 1996 speciaal. Het saldo (1.000.000 BEF of 272.682,87 EUR)) zou, gezien de datum van de fusie (30 juni 1996), verrekend kunnen worden door de overnemende vennootschap. Er werd een belastingverhoging aangekondigd van 10 %.
De belastingplichtige verklaarde zich tijdig en gemotiveerd niet akkoord (stuk 1340 administratief dossier).
Er volgde een tweede kennisgeving van aanslag van ambtswege, verstuurd op 26 mei 1998, na een aanvullende controle (stuk 1351 administratief dossier).
De aanslag, kohierartikel … werd gevestigd op 5 augustus 1998 (stuk 1371 administratief dossier).
1.2.6. Aanslagjaar 1997
Voor wat betreft aanslagjaar 1997 werd tijdig een aangifte ingediend en er werd een aanslag gevestigd.
Na controle werd een akkoord gesloten tussen NV N. B. en de administratie (stuk 260 ,administratief dossier).
De aanslag, kohierartikel …, supplement aan aanslag, kohierartikel … werd gevestigd op 18 januari 1999 (stuk 321 administratief dossier) op naam van NV N. B. te …, met vermelding van het nationaal nummer ….
1.3. Bezwaar en beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijke directeur
De belastingplichtige diende voor elk van deze aanslagen bezwaar in :
- voor aanslagjaar 1993, bij bezwaarschrift van 22 april 1996 (stuk 2 administratief dossier)
- voor aanslagjaar 1994, bij bezwaarschrift van 22 april 1996 (stuk 19 administratief dossier)
- voor aanslagjaar 1995, bij bezwaarschrift van23 maart 1998 (stuk 36 administratief dossier)
- voor aanslagjaar1996, bij bezwaarschrift van 5 oktober 1998 (stuk 48 administratief dossier)
- voor aanslagjaar 1996 speciaal, bij bezwaarschrift van 5 januari 2001 (stuk 58 administratie dossier)
- voor aanslagjaar 1997, bij bezwaarschrift van 11 januari 2000 (stuk 2 administratief dossier).
Voor wat betreft de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996 en 1996speciaal werd een beslissing genomen door de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijke directeur op 20 april 2001 (stuk 62 administratief dossier). Er werd voor aanslagjaar 1996 speciaal een ontheffing verleend van 2.684.626 BEF (66.550,14 EUR) en de bezwaarschriften werden voor het overige als ongegrond afgewezen.
Voor wat betreft aanslagjaar 1997 werd een beslissing genomen door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur op. 23 april 2002 (stuk 4 desbetreffend administratief dossier). Het bezwaarschrift werd als ontvankelijk, doch ongegrond afgewezen.
Deze beslissing betrof ook bezwaarschriften, ingediend voor de aanslagjaren 1998 en 1999. De ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijke directeur nam evenwel akte van de intrekking van de bezwaarschriften in verband met de grief omtrent de dubbele belasting over de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, en beschouwde deze grief derhalve als nietig en niet bestaande.
1.4. Procedure voor de eerste rechter
De belastingplichtige legde een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 16 juli 2001. Dit verzoekschrift betrof de beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijke directeur van 20 april 2001 en de voormelde aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996 en 1996 speciaal.
Deze zaak was gekend onder AR 01/1450/A.
De belastingplichtige legde een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 11 juli 2002. Dit verzoekschrift. betrof de beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijke directeur van 23 april 2002 en de aanslagen in de vennootschapsbelasting, voor wat betreft de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999.
Deze zaak was gekend onder AR 02/2633/A.
De belastingplichtige verzocht de rechtbank evenwel om deze laatste zaak samen te voegen bij het geding, hangende voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt om daarmee samen te worden behandeld.
Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 31 oktober 2002 werd de zaak AR 02/2633/A verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, teneinde samengevoegd te worden met het dossier AR 01/1450/A.
De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt voegde beide zaken samen in haar vonnis van 31 januari 2007.
De eerste rechter oordeelde vooreerst over het argument van de belastingplichtige dat de aanslagen voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1996 speciaal gevestigd waren in hoofde van een niet bestaande vennootschap, nu NV P. met ingang van 1 juli 1996 door fusie was overgenomen door NV N. B.. De eerste rechter stelde vast dat de aanslagen als identiteit van de belastingplichtige vermeldden : NV P. c/o NV N. B. en dat NV N. B., gelet op de fusie door overneming, het vermogen en de handelingen van de overgenomen vennootschap overnam vanaf 1 juli 1997. Volgens de eerste rechter werden de aanslagen gevestigd in hoofde van NV N., vermits de identiteit van deze vennootschap duidelijk vermeld stond. De eerste rechter wees dit argument derhalve af.
Voor wat aanslagjaar 1996 speciaal betreft, beoogde eerste rechter zich vervolgens over de vraag of de aangifte al dan niet tijdig werd ingediend. De eerste rechter oordeelde dat de aangiftetermijn overeenkomstig artikel 310 WIB 92 voor ontbonden vennootschappen niet langer kan zijn dan zes maanden vanaf de laatste dag van het tijdperk waarop de resultaten betrekking hebben. Vermits dit tijdperk, gelet op de retroactiviteit, voorzien in de authentieke akte van 31 december 1996, eindigde op 30 juni 1996, werd de aangifte laattijdig ingediend.
Vervolgens kwam de problematiek van de abnormale en goedgunstige voordelen aan bod, en met name de vraag of het kwijtschelden van interesten en van de leningen door NV P. S., later NV P. aan SA N. kan beschouwd worden als een dergelijk voordeel.
De eerste rechter oordeelde in dit dat toepassing moet gemaakt worden van artikel 5, 4° van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag, dat voorrang heeft op het intern Belgisch recht. Dat het ging om onderling verbonden ondernemingen werd niet betwist. Er werd evenmin betwist dat de vraag of het gaat om voorwaarden die verschillend zijn van die welke normaal zouden worden bedongen met werkelijk onafhankelijke ondernemingen en de vraag of die voorwaarden een winstoverheveling hebben teweeg gebracht die terug bij de winsten van P. mocht worden gevoegd, zich vereenzelvigt met de vraag of de administratie P. terecht heeft belast overeenkomstig artikel 26 WIB 92.
De eerste rechter oordeelde dat de administratie abnormaal of goedgunstig karakter van de voordelen diende te bewijzen.
De rechtbank oordeelde dat het toestaan van leningen voor dergelijke enorme bedragen, en de kwijtschelding van eerst interesten, en, vervolgens de hoofdsom van de leningen zelf, op het eerste zicht niet kon worden aanzien als een handelswijze die overeenstemt met het opleggen van voorwaarden die normaal zouden worden bedongen met werkelijk onafhankelijke ondernemingen, en derhalve, op het eerste zicht, een abnormaal en tevens goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 WIB 92 uitmaakten, en dit om de volgende redenen en vaststellingen :
- de hoegrootheid van de ontleende sommen;
- de korte tijd die verliep tussen het ogenblik van het toestaan van de lening ten belope van 25.000.000 FF en de kwijtschelding van rente en de kwijtschelding van de hoofdsom, alsmede de korte tijd die verliep tussen het ogenblik van het toestaan van de lening van 16.600.000 FF en de kwijtschelding ten belope van 11.500,OOO FF;
- de afwezigheid van enige uitleg nopens voorafgaande afweging door de vennootschap van looptijd, waarborgen en hoogte van interestvoet wat de toegestane leningen betreft, in relatie tot de solvabiliteit van de ontlener, de SA N..
De eerste rechter maakte een afweging van de argumenten van partijen nopens de vraag of het groepsbelangen de gemeenschappelijke belangen van de groep waartoe P. en N. behoorden de ter discussie staande handelswijze kon verantwoorden. De eerste rechter volgde het standpunt terzake van de administratie en voegde daar nog een aantal redenen aan toe om te oordelen dat ook het groepsbelang het abnormaal en goedgunstig karakter van de verrichtingen niet kon wegnemen.
De eerste rechter stelde verder vast dat de vennootschap geen aanbod deed van enig tegenbewijs in de zin van artikel 26, lid 1 WIB 92 omtrent het in aanmerking nemen van de verleende voordelen voor het bepalen van de belastbare grondslag van de SA N. en dat de vennootschap geen betwisting voerde over de vraag of zij dergelijk bewijs al dan niet kon leveren in de zin van artikel 26, lid 1, dan wel lid 2 WIB 92, gelezen in samenhang met de in de hiërarchie der normen bestaande hogere rechtsregels.
De eerste rechter oordeelde tenslotte dat de vorderingen met betrekking tot de voorgaande verliezen en de al dan niet terechte beperking van de DBI-aftrek niet meer dienden te worden onderzocht, nu het bestaan van vorige verliezen niet was aangetoond.
De eerste rechter verklaarde de vorderingen van NV N. B. ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten van het geding, hetzij een rechtsplegingsvergoeding van 182,20 EUR.
1.5. Procedure voor het hof van beroep
Voor het hof van beroep vordert NV N. B. :
"Het ingesteld hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;
Het vonnis a quote niet te doen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren,
De verzoekschriften tot het instellen van een vordering in rechte van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren,
Bijgevolg de bestreden beslissingen te vernietigen,
De bezwaarschriften van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren,
Bijgevolg de aangevochten aanslagen te vernietigen, minstens te ontheffen,
Overeenkomstig de aanslagen te ende ontheffing te bevelen in de mate dat deze de aldus de herberekende bedragen te boven gaan en de Belgische Staat te veroordelen om aan concluante terug te betalen alle uit hoofde van kwestieuze aanslag betaalde sommen, te verhogen met de moratoire interesten.
Gedaagde in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, met inbegrip van de basis rechtsplegingsvergoeding conform het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007."
De administratie vordert voor het hof van beroep :
"Alle verdere en strijdige besluiten verwerpend.
Het door appellante bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van 24 april 2007 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de 11de kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt d.d. 31 januari 2007 ongegrond te verklaren;
Dienvolgens appellante ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten ervan met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Het door appellante bestreden vonnis te bevestigen.
Kosten :
- rechtsplegingsvergoeding Hof van Beroep : 1.200 euro".
Ter zitting van 5 oktober 2009 laat appellante acteren dat ze de toekenning vordert van een rechtsplegingsvergoeding van 15.000,00 EUR, hetzij het basistarief voor een in geld waardeerbare vordering.
2. Bespreking
2.1. Vordering tot vernietiging van de beslissingen van de gewestelijke directeur
Het hof stelt vast dat appellante geen enkele grond aanvoert tot vernietiging van de beslissingen van de gewestelijke directeur over de bezwaarschriften, ingediend door de belastingplichtige en oordeelt dat er geen enkele reden is, ambtshalve in te roepen, om tot nietigverklaring hiervan over te gaan.
2.2. Werden de aanslagen voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1996 speciaal gevestigd op een niet bestaande vennootschap ?
Appellante argumenteert dat de aanslagen voor wat de aanslagjaren 1995, 1996 en 1996 speciaal betreft nietig zijn, omdat zij gevestigd werden op naam van NV P., daar waar deze vennootschap door fusie werd opgeslorpt door NV N. B. en derhalve niet langer bestond.
Door de wet van 29 juni 1993 werd de zogenaamde geruisloze fusie mogelijk gemaakt hetzij de fusie, waarbij de opgeslorpte vennootschap onmiddellijk uit het rechtsverkeer verdwijnt, zonder dat zij nog moet worden ontbonden en vereffend (artikel 671 W.Venn.; zie TILLEMAN, B., Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 85, nr. 146).
De opgeslorpte vennootschap houdt van rechtswege op te bestaan en kent aldus geen passief bestaan meer na de fusie (artikel 682, al. 1, 1° W.Venn., het vroegere artikel 174/10 vennootschapswet). Alle rechtsvorderingen na de fusie dienen tegen de overnemende vennootschap te worden gesteld.
Op 31 december 1996 werd voor notaris H. C. de authentieke, akte verleden tot fusie door overneming overeenkomstig artikel 174/1 en volgende van de vennootschapswet. Hierbij werd NV P., gevestigd te …, … en ingeschreven in het handelsregister van Hasselt onder nummer … door fusie overgenomen door NV N. B., gevestigd te …, … en ingeschreven in het handelsregister van Gent onder nummer …. Het fusievoorstel werd goedgekeurd en er werd bepaald dat door deze verrichting het hele vermogen van de overgenomen vennootschap overging op de overnemende vennootschap. Er werd bepaald dat ingevolge het fusievoorstel, alle handelingen van de overgenomen vennootschap vanaf één juli 1996 boekhoudkundig en juridisch geacht moesten worden te zijn verricht voor rekening van de overnemende vennootschap (stuk 1343 e.v. administratief dossier).
De aanslag met betrekking tot aanslagjaar 1995, kohierartikel …, supplement aan aanslag, kohierartikel … werd ingekohierd op 1 december 1997 op naam van NV P., … te … met vermelding van het nationaal nummer … (stuk 973 administratief dossier). Het aanslagbiljet werd verzonden naar NV P., c/o NV N. B., … te … (stuk 971 administratief dossier).
De aanslag met betrekking tot aanslagjaar 1996, kohierartikel …, supplement aan de aanslag, kohierartikel …. ·werd gevestigd op 5 augustus 1998 op naam van NV P., … te …, met vermelding van het nationaal nummer … (stuk 1063 administratief dossier).
Het aanslagbiljet werd verzonden naar NV P., c/o NV N. B., … te … (stuk 1062 administratief dossier).
De aanslag met betrekking tot aanslagjaar 1996 speciaal, kohierartikel … werd gevestigd op 5 augustus 1998 op naam van NV P., … te …, met vermelding van het nationaal nummer … (stuk 1372 administratief dossier). Het aanslagbiljet werd verzonden naar NV P., c/o NV N. B., … te … (stuk 1371 administratief dossier).
Samen met appellante oordeelt het hof dat uit de respectievelijke kohieruittreksels blijkt dat de aanslagen ten kohiere werden gebracht in hoofde van NV P., met vestiging te …. Het standpunt van de eerste rechter dat de aanslagen werden gevestigd in hoofde van N. kan dan ook niet worden gevolgd. Dat de aanslagbiljetten werden verstuurd naar NV N. B. in … met vermelding c/o doet hieraan geen inbreuk. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat NV N. door de administratie werd beschouwd als de persoon, die diende, in te staan voor de betaling van de fiscale schulden van NV P.. Belangrijk is in deze de vaststelling dat de aanslagen werden ingekohierd op naam van NV P. met nationaal nummer …, daar waar NV N. B. nationaal nummer … droeg.
Zoals het Hof van Cassatie recent verduidelijkte dienen aanslagen ten kohiere worden gebracht op naam van de betrokken belastingschuldigen (artikel 133, § 1 KB WIB 92) en kan uit artikel 360 WIB 92 niet worden afgeleid dat een aanslag kan worden ingekohierd op naam van een persoon die niet langer bestaat op het moment van de inkohiering (Cass., 18 juni 2009, F.08.0034.F, neergelegd door appellante als stuk 5 en bevestiging van Brussel, 1 januari 2008, T.F.R., 2008, nr. 349, p. 920, met noot JACQUES, D.).
Dat de fiscale schuld materieel ontstaat op het moment dat het belastbaar feit zich voordoet, de belastingwet dit feit belastbaar stelt en de jaarlijkse machtiging voorhanden is aan de uitvoerende macht om de belastingwet toe te passen op het belastbaar feit, neemt niet weg dat de fiscale schuld pas formeel bestaat wanneer ze werd ingekohierd en dat die inkohiering dient te geschieden op naam van een bestaande belastingschuldige.
Het feit dat de overnemende vennootschap ingevolge de fusie het gehele vermogen van de opgeslorpte vennootschap overneemt (artikel 682 W.Venn.), doet evenmin afbreuk aan de verplichting om de aanslag te vestigen op naam van de overnemende vennootschap.
Het feit dat NV N. B. op de hoogte was van de aanslagen en zelfs bezwaar ingediend heeft doet geen afbreuk aan de verplichting van de administratie om de aanslag te vestigen op naam van een bestaande belastingplichtige. Dat NV N. B. bezwaar indiende is bovendien logisch, vermits deze, na de fusie de enige overblijvende vennootschap was. Deze vennootschap had er belang bij om bezwaar in te dienen, vermits haar aanslagbiljetten werden toegestuurd, die betrekking hadden op fiscale schulden van de vennootschap, wier vermogen ze had overgenomen.
Gelet op de fusie in 1996 heeft NV P. op dat moment definitief opgehouden te bestaan, met als gevolg dat in 1997 en 1998 geen aanslagen meer konden worden ingekohierd op naam van deze vennootschap.
De administratie stelt dat in deze hypothese moet gehandeld worden zoals in geval van overlijden van een belastingplichtige, waarbij de aanslag gevestigd moet worden op naam van de nalatenschap. Het hof stelt evenwel vast dat de mogelijkheid om de aanslag te vestigen op naam van de nalatenschap specifiek voorzien is inde wet (artikel 133, al. 2 tot 4 KB WIB 92), daar waar er voor de hypothese vaneen geruisloze fusie van vennootschappen niets geregeld is en dat de fiscale wet niet naar analogie kan worden toegepast.
Vermits deze aanslagen werden ingekohierd op naam van een onbestaande vennootschap, zijn deze aanslagen nietig.
De administratie stelt verder dat het mogelijk moet zijn om na vernietiging Van de aanslag, in toepassing van artikel 355, 356 en 357 WIB 92 een subsidiaire aanslag te vestigen in hoofde van de overnemende vennootschap.
Het hof oordeelt evenwel dat een subsidiaire aanslag, na vernietiging van een aanslag door het gerecht, dient gevestigd te worden op naam van dezelfde belastingschuldige. Vermits NV N. B. niet kan beschouwd worden als dezelfde belastingschuldige als NV P. kan artikel 355 of 356 WIB 92 in deze niet worden toegepast. Er zijn slechts een aantal gevallen opgesomd in artikel 357 WIB 92 waarbij een ander persoon wordt gelijkgesteld met 'dezelfde belastingschuldige' voor de toepassing van de artikelen 355 en 356 WIB 92. Het hof kan enkel vaststellen dat een overnemende vennootschap in deze niet wordt gelijkgesteld met de overgenomen vennootschap, zodat geen nieuwe of vervangende aanslag kan worden gevestigd.
Het feit dat de overnemende vennootschap ingevolge artikel 682 W.Venn. instaat voor het gehele vermogen van de overgenomen vennootschap, heeft immers niet tot gevolg dat ze als 'dezelfde belastingschuldige' in de zin van de fiscale wet kan worden beschouwd.
Dat de aldus belastbare materie onbelast blijft kan geen argument zijn om een nietige aanslag te handhaven of om de administratie, zonder dat de wet het toelaat, een nieuwe aanslag te laten vestigen.
2.3. De aanslag voor aanslagjaar 1996 speciaal : werd deze aanslag terecht van ambtswege gevestigd ?
De aanslag werd voor wat aanslagjaar 1996 speciaal betreft van ambtswege gevestigd, om reden dat de aangifte laattijdig werd ingediend.
Volgens appellante werd de aangifte evenwel tijdig ingediend en werd de aanslag derhalve ten onrechte; van ambtswege gevestigd. Deze aanslag is volgens appellante om die reden nietig.
Het hof oordeelde hierboven reeds dat de aanslag voor wat betreft aanslagjaar 1996 speciaal nietig is, vermits hij werd gevestigd op naam van een niet bestaande belastingschuldige. Of deze aanslag ook nog om een andere reden nietig had kunnen worden verklaard, dient dan ook niet verder te worden onderzocht.
2.4. Kwijtschelding van interesten en van de leningen
2.4.1. Het abnormaal of goedgunstig karakter van het voordeel
Voor wat de aanslagjaren 1993 en 1994 betreft stelt zich de vraag of de kwijtschelding van de interesten en van de leningen door P., het latere NV P. aan N. te beschouwen als een abnormaal en goedgunstig voordeel, dat dient toegevoegd te worden aan de belastbare winst van P..
Tussen België en Frankrijk werd een verdrag gesloten tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen (verdrag van 10 maart 1964, BS 24 juni 1965, hierna DBV België- Frankrijk).
Artikel 5, 4 van dit verdrag luidt als volgt :
"Wanneer een onderneming die door een verblijfhouder van één van beide verdragsluitende Staten wordt gedreven, afhankelijk is van of de controle bezit over een onderneming die door een verblijfhouder van de andere verdragsluitende Staat wordt gedreven, of wanneer beide ondernemingen afhankelijk zijn van. eenzelfde persoon of van eenzelfde groep, en één van deze ondernemingen aan de andere onderneming voorwaarden oplegt of toestaat die verschillend zijn van die welke normaal zouden worden bedongen met werkelijk onafhankelijke ondernemingen, mogen alle winsten die normaal uit de rekeningen van deze ondernemingen hadden moeten blijken maar die aldus, direct of indirect, naar de andere onderneming werden overgeheveld, bij de belastbare winsten van de eerste onderneming worden gevoegd.
In dit geval zal dubbele belasting van de op die wijze overgehevelde winsten worden voorkomen overeenkomstig de geest van de Overeenkomst en de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten zullen zo nodig overleg plegen om het bedrag van de overgehevelde winsten te bepalen".
Artikel 26 WIB 92,zoals het van toepassing was voor de betrokken aanslagjaren, luidt als volgt :
"Wanneer een.in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.
Niettegenstaande de in het eerste lid vermelde beperking worden de abnormale of goedgunstige voordelen bij de eigen winst gevoegd wanneer die voordelen worden verleend aan :
1° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige ten aanzien waarvan de in België gevestigde onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt;
2° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, aldaar niet aan een' inkomstenbelasting zijn onderworpen of aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onden1!orpen dan die waaraan de in België gevestigde onderneming is onderworpen;
3° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige die belangen gemeen heeft met de in 1° of JO vermelde belastingplichtige of inrichting :"
Er bestaat geen discussie over het feit qat de verdragsbepaling van artikel 5,4 DBV België-Frankrijk voorrang heeft op het intern Belgisch recht.
Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat P. en N. verbonden ondernemingen zijn in de zin van artikel 5S,4 van voormeld DBV P. had op 13 november 1992 het grootste deel van de aandelen van N. overgenomen.
Er bestaat wel discussie over de vraag of en sprake is van voorwaarden die verschillend zijn van die welke normaal zouden worden bedongen met werkelijk onafhankelijke ondernemingen, De bewijslast terzake rust bij de administratie.
Partijen zijn het .erover eens dat het 'at arm's length' -criterium van artikel 5,4 van het DBV België-Frankrijk en het begrip 'abnormale en goedgunstige voordelen' van artikel 26 WIB 92 elkaar grotendeels overlappen en dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de kenmerken van een' transactie tussen verbonden ondernemingen enerzijds en de kenmerken van eenzelfde, transactie tussen onafhankelijke ondernemingen, anderzijds (Circ. AZF/98-0003 van28 juni 1999) :
Een voordeel is goedgunstig als het wordt verleend zonder dat daarvoor een verbintenis bestaat of zonder enige tegenprestatie. Het is abnormaal wanneer het in strijd is met wat in soortgelijke gevallen gebruikelijk is, Het betreft een feitenkwestie die a(3.nde hand van de concrete omstandigheden moet worden nagegaan.
Wanneer dit criterium zuiver objectief wordt bekeken, met name zonder rekening te houden met commerciële en financiële belangen binnen de vennootschapsgroep, dient te worden geoordeeld dat het tussen onafhankelijke ondernemingen niet gebruikelijk is dat de ontlener van een vrij grote geldsom opschorting verkrijgt van de betaling van interesten bij het sluiten van de overeenkomst en korte tijd later kwijtschelding bekomt van zowel de interesten als.de hoofdsom van de geleende som.
Samen met de eerste rechter oordeelt het hof dat de administratie aan de hand van de feitelijke omstandigheden aantoont dat de handelswijze van P. wijst op.de toekenning van een abnormaal en goedgunstig voordeel. De eerste rechter wees er hierbij terecht op dat het ging om vrij grote leningen (25.000.000 FF en 16.600.000 FF), dat er slechts en korte termijn verliep tussen het toestaan van de leningen en het kwijtschelden van de interesten en tussen het toestaan van de lening van 16.600.000 FF en het kwijtschelden van het grootste deel van deze lening.
Tot slot wees de eerste rechter er terecht op dat uit geen enkel gegeven blijkt dat P. bij het bedingen van de looptijd, de waarborgen en de hoogte van de interestvoet rekening zou hebben gehouden met de bedenkelijke solvabiliteit van N..
Uit geen enkelgegeven blijkt bovendien dat N. in ruil voor de kwijtschelding enige tegenprestatie leverde of een verbintenis aanging.
Sedert enige tijd neemt men aan dat bij de beoordeling van het abnormaal en goedgunstig karakter van een voordeel bij intra groepstransacties, rekening gehouden mag worden met het gebeurlijk evenwicht dat uit het geheel van de commerciële en financiële betrekkingen binnen de groep voortvloeit (zie de rechtspraak en rechtsleer, vermeld in GODIER, D" 'De afstand van schuldvordering tussen gelieerde vennootschappen : bevestiging van de subjectieve beoordeling van het abnormaal karakter van een voordeel (Rb. Leuven, 6 februari 2004, nr. 04580406)', A. F. T., 2004; (p. 58), p. 61).
Zo kunnen commerciële en financiële groepsbelangen een normaal karakter verlenen aan een afstand van schuldvordering.
De belastingplichtige stelt in dat verband dat P., enkel werkzaam met kippen, verplicht was een participatie te nemen in N., teneinde een gezamenlijk-aanbod te kunnen doen van kip en kalkoen. N. was daarbij volgens P. de ideale partner, gelet op de ligging van het bedrijf, net over de Franse grens. Dat uitgerekend P. de participatie in N. nam en de leningen toestond is volgens P. te verklaren door de verwantschap tussen de activiteiten die beide vennootschappen ontplooiden en was volgens P. nodig om haar toe te laten kwaliteitscontrole op N. uit toe oefenen.
De belastingplichtige stelt verder dat de leningen en de interesten dienden te worden kwijtgescholden, gelet op de benarde financiële toestand van N. en teneinde een faillissement van deze vennootschap te vermijden. Tot slot wijst de belastingplichtige erop dat de kwijtschelding enkel voorwaardelijk gebeurde, onder voorbehoud van terugkeer naar betere tijden.
Het hof sluit zich aan bij het oordeel en de motivering van de eerste rechter, waar die stelt dat deze argumentatie geen rechtvaardiging kan Uitmaken voor de handelswijze van P. en met andere woorden niet tot gevolg kan hebben dat de handelswijze van P. niet langer als abnormaal of goedgunstig kan worden
beschouwd.
Dat de verwerving van de participatie in N. voor P. economisch verantwoord was, gelet op de activiteiten ende ligging van N., wordt enkel beweerd, doch niet op objectieve gegevens gestoeld. Dat P. de participatie in N. diende aan te houden omdat beiden werkzaam waren in de versnijding, verpakkingen verkoop van kip, respectievelijk kalkoen wordt niet aangetoond. Ook de noodzaak tot het 'uitoefenen van een kwaliteitscontrole op N., kan niet verklaren waarom precies P. een participatie diende te nemen in N. en leningen aan deze vennootschap diende toe te staan. Uit de stukken van het dossier blijkt immers dat N. kort voordien reeds deel was gaan uitmaken van de groep en dat N. en NV P., vóór de verwerving van de participatie door P. zustervennootschappen waren, waarvan de aandelen grotendeels· in handen waren van NV M. uit geen enkel stuk blijkt trouwens dat P. aan N. bestuurskosten, managementskosten of know-howkosten aanrekende.
Dat de aankoop van de aandelen en het toestaan van de lening veeleer zijn ingegeven door strategische overwegingen binnen de groep en werden opgedrongen door andere leden van de groep, blijkt bovendien uit een mail van 6 november1992 uitgaande van BP C. (stuk 7-36e.v. administratief dossier). Uit deze mail blijkt niet dat deze handelswijze zou zijn ingegeven door de redenen, aangehaald door appellante en geenszins dat daarmee het belang van de voordeel verstrekkende' vennootschap wordt gediend.
Dat het toestaan van de lening en de daaropvolgende kwijtschelding van interesten en vervolgens van de lening zelf noodzakelijk was om het economisch voortbestaan van N. mogelijk te maken, wordt evenmin hard gemaakt.
Verder dient gewezen te worden op het totaal gebrek aan waarborgen bij het afsluiten van de lening, ondanks de onbetwiste slechte financiële toestand van de ontlener. Er is verder de bijzonder korte termijn tussen het toestaan van de leningen en het kwijtschelden van de interesten en kort nadien dan van de hoofdsom en de korte termijn tussen het kwijtschelden van de eerste lening en het toestaan van een nieuwe lening, opnieuw zonder waarborgen of zekerheden.
Gelet op de benarde financiële toestand van N. en het gebrek .aan waarborgen kan het voorbehoud van terugkeer naar betere tijden bovendien als een stijlformule worden beschouwd. Er wordt trouwens niet betwist dat van dit voorbehoud werd afgestapt op het moment dat P. haar participatie in N. in 1996 opnieuw overdroeg.
Het hof oordeelt dan ook dat de eerste rechter terecht besliste dat de opschorting en de kwijtschelding van· de interesten en vervolgens de kwijtschelding van de leningen zelf te beschouwen is als een abnormaal en goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 WIB 92 en als een verrichting, verschillend van die welke normaal zouden worden bedongen met werkelijk onafhankelijke ondernemingen in de zin van artikel 5,4 DBV België-Frankrijk.
2.4.2. Economische dubbele belasting
Overeenkomstig artikel 26, eerste lid in fine WIB 92 moeten abnormale of goedgunstige voordelen niet aan de winst van de verstrekker worden toegevoegd, wanneer ze in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger, ongeacht of het gaat om diens Belgische dan wel buitenlandse belastbare inkomsten (Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr.62, p. 6988, Vr. nr. 472 van 6 oktober 2000, Eerdekens).
Van zodra aangetoond wordt dat de buitenlandse verkrijger een buitenlandse verbonden onderneming is, zal evenwel geen gebruik kunnen gemaakt worden van de ontsnappingsclausule van artikel 26, eerste lid, in fine WIB 92. Overeenkomstig artikel 26, tweede lid WIB 92 zullen de voordelen in dat geval immers in elk geval aan de belastbare winst worden toegevoegd (zie o.m. CHEVALIER, C., Vademecum vennootschapsbelasting 2009, Gent, Larcier, 2009, p. 1062).
P. kan zich derhalve niet op de toepassing van deze bepaling beroepen om de toevoeging van de abnormale en goedgunstige . voordelen aan haar winsten te verhinderen.
P. beroept zich anderzijds op de toepassing van artikel 5,4 in fine DBV België-Frankrijk, waarin wordt bepaald dat dubbele belasting op de op die wijze overgehevelde winsten zal worden voorkomen overeenkomstig de geest van de Overeenkomst waarbij de autoriteiten van de verdragsluitende Staten zo nodig overleg zullen plegen om het bedrag van de overgehevelde winsten te bepalen.
Het hof oordeelt dat P. aan de hand van stukken uit het administratief dossier voor wat aanslagjaar 1993 betreft, aantoont dat de kwijtschelding van de interesten en de leningen door P., in de jaarrekeningen van N. werd vermeld als een uitzonderlijke opbrengst (stuk 775 voor aanslagjaar 1993). Dat hierop effectief belastingen werden betaald wordt evenwel niet aangetoond. Elk gebrek aan verdere gegevens (zoals aanslagbiljetten) wordt zelfs niet aangetoond dat er een fiscale winstaanpassing is geweest die een invloed heeft gehad op de toekomstige effectieve last van de onderneming (bijvoorbeeld door de vermindering van overgedragen fiscale verliezen). Er wordt derhalve niet aangetoond dat er voor het betrokken aanslagjaar sprake is van economische dubbele belasting, zodat de administratie niet kan verweten worden geen overleg te zijn opgestart met de Franse overheid.
Voor wat aanslagjaar 1994 betreft wordt door de belastingplichtige thans een volledige jaarrekening neergelegd (stuk 3 stukken appellante). Dat de fiscale aangifte door N. werd gedaan op basis van deze jaarrekening wordt evenwel niet aangetoond. Er wordt, bij gebreke aan fiscale documenten, zoals een aanslagbiljet, evenmin aangetoond dat de kwijtscheldingen effectief in aanmerking genomen zijn bij het vestigen van een aanslag op naam van N.. Een economische dubbele belasting wordt derhalve voor aanslagjaar 1994 evenmin aangetoond.
2.5. DBl-aftrek
In ondergeschikte orde stelt de belastingplichtige dat rekening zou , worden gehouden met de DBI-aftrek die in aanslagjaar 1994 niet kon worden toegepast, bij gebrek aan belastbare winsten. Indien er geen abnormale en goedgunstige voordelen dienen te worden weerhouden heeft dit volgens de belastingplichtige tevens invloed op de overdraagbare verliezen van aanslagjaar 1997.
Appellante stelt dat ze in het boekjaar, eindigend op 31 december 1993 een bedrag van 1.935.347,63 EUR (78.071.730 BEF) ontving aan dividenden van een Belgische vennootschap, verhoogd met 42.756,06 EUR (1.724.775 BEF) fictieve roerende voorheffing. Volgens appellante dienen deze financiële opbrengsten, voor het geval ze in het ongelijk gesteld wordt wat de abnormale en goedgunstige voordelen betreft, te worden opgenomen in het resultaat en dus in de belastbare grondslag.
Het hof oordeelde hierboven dat de abnormale en goedgunstige voordelen, zoals berekend door de administratie aan de belastbare grondslag moeten worden toegevoegd voor wat de aanslagjaren 1993 en 1994 betreft. Aldus werd voor aanslagjaar 1994 een abnormaal en goedgunstig voordeel weerhouden van 3.713.249,17 EUR (149.792.100 BEF) wegens kwijtschelding van de lening en een bedrag van 354.305,64 EUR (14.292.654 BEF) wegens kwijtschelding van interesten.
De DBI-regeling, zoals ze in België bestaat, werd recent door het Europees Hof van Justitie getoetst aan artikel 4 van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1999 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (hierna Moeder-Dochterrichtlijn). Overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn kunnen de lidstaten, wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winsten ontvangt, anders dan bij liquidatie van de dochteronderneming kiezen tussen twee stelsels : ofwel onthouden ze zich van het belasten van deze winst (artikel 4, lid 1),ofwel passen ze een verrekeningstelsel toe (artikel 4, lid 2).
België heeft in de artikelen 202 e.v. WIB 92 gekozen voor het vrijstellen van de ontvangen dividenden (artikel 4, lid 1 van de richtlijn), doch heeft daar een aantal voorwaarden aan gekoppeld, ,zoals het feit dat de dividenden slechts van de belastbare basis, worden afgetrokken voor zover er voor het betrokken belastbare tijdperk na aftrek van de andere vrijgestelde winsten een positief winstsaldo overblijft.
Het Europees Hof van Justitie oordeelde in het arrest Cobelfret van 12 februari 2009 (zaak C-138/07) dat aan de verplichting van artikel 4, lid 1 van de Moeder-Dochterrichtlijngeen voorwaarde is gekoppeld. Het Hof van Justitie oordeelde dat artikel 4, lid 1 van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals de Belgische, die bepaalt dat de door een moedermaatschappij ontvangen dividenden in de belastbare basis van deze vennootschap worden opgenomen en daarna ten belope van 95 % daarvan worden afgetrokken voor zover er voor het betrokken belastbare tijdperk na aftrek van de andere vrijgestelde winsten een positief winstsaldo overblijft.
Wanneer men aldus overeenkomstig deze rechtspraak aanvaardt dat de DBI zonder enige beperking aftrekbaar is, dan dient het belastbaar resultaat te worden verminderd met de DBI-aftrek zonder vooraf verminderd te worden ,met bepaalde bestanddelen van deze winst.
Partijen zijn het erover eens dat, voor zover er voor het betrokken aanslagjaar, door toevoeging van de verstrekte abnormale en goedgunstige voordelen aan de belastbare grondslag, voldoende winsten overblijven, waarvan de definitief belast inkomsten in mindering kunnen worden gebracht, de vennootschap volledig heeft kunnen genieten van de gevraagde vrijstelling. In dat geval is de vraag van appellante om de vorige verliezen van de betrokken aanslagjaren vast te stellen zonder voorwerp.
Uit het bericht van wijziging met betrekking tot aanslagjaar 1994 (stuk 748 e.v. administratief dossier) blijkt dat de DBI-aftrek volledig werd toegepast op de winst, die werd vastgesteld, na toevoeging van de abnormale en goedgunstige voordelen. Vermits de DBI-aftrek volledig werd genoten, stelt de discussie van een eventuele overdracht ervan naar de latere aanslagjaren zich niet langer. Er wordt derhalve niet aangetoond dat de aanslag voor wat aanslagjaar1997 betreft niet rechtsgeldig werd gevestigd.
2.6. Rechtsplegingsvergoeding
Het hof stelt vast dat de administratie het basisbedrag vordert voor een niet in geld waardeerbare vordering, daar waar de belastingplichtige van mening is dat de vordering in geld waardeerbaar is en dat het basisbedrag, gelet op het bedrag van de vordering, 15.000,00 EUR bedraagt.
Het hof volgt in deze het standpunt van de belastingplichtige.
Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde, maar kunnen worden gewaardeerd naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient aldus te worden bepaald volgens het pecuniair bedrag van de vordering.
De administratie betwist niet dat het basisbedrag van de rechtsp1egingsvergoeding, rekening houdend met het bedrag van de vordering, 15.000,00 EUR bedraagt. Het hof oordeelt dat er geen reden is om van dit basisbedrag afte wijken.
Het hof stelt evenwel vast dat elk der partijen omtrent een onderscheidenlijk geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, zodat er overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. reden is om de rechtsplegingsvergoeding om te slaan.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artike124 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.
Hervormt het bestreden vonnis, daar waar het de vordering van appellante tot vernietiging van de aanslagen voor aanslagjaar 1995, kohierartikel …, voor aanslagjaar 1996, kohierartikel … en voor aanslagjaar 1996 speciaal; kohierartikel … afwijst als ontvankelijk doch ongegrond,
Verklaart de vordering van appellante, tot vernietiging van de aanslagen voor aanslagjaar 1995, kohierartikel …, voor aanslagjaar 1996, kohierartikel … en voor aanslagjaar 1996 speciaal, kohierartikel … ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt deze aanslagen en veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van alle uit hoofde van deze aanslagen betaalde sommen, te verhogen met de moratoire interesten,
Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, behalve voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft,
Slaat de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep om.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van DRIE NOVEMBER TWEEDUIZENDENNEGEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
S. B. en M. G., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.