Cour d'appel d'Anvers, 14 octobre 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 14 octobre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 14 octobre 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2008-10-14-ad6d

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
14 octobre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

151 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 14.10.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2007/AR/1273

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en domeinen, directie Registratie, met kantoren te 1010 Brussel, Kruidtuinlaan 50;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23 februari 2007;

vertegenwoordigd door Meester I. V. loco Meester M. V. H., advocaat te …, …;

tegen :

1. W. V. P., wonende te •••• S••••••, A••••• D••••••••• •••;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester M. D. L. loco Meester J. V. A., advocaat te … (…), …;

2. D. B. B. NV, met zetel te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester S. M. loco Meester C. D. B. en Meester R. V., advocaten te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23 februari 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 april 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het incidenteel beroep ingesteld door W. V. P., bij conclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep van Antwerpen op 22 mei 2007.

Gelet op het incidenteel beroep ingesteld door NV D. B. België bij conclusies, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 februari 2008.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Feiten

F. V. H. overleed te Antwerpen op 17 maart 1996. In een authentiek testament van 27 juli 1996 had hij mevrouw A. F. D. R. aangesteld als algemene legataris. Zij deed aangifte van nalatenschap en betaalde de op de aangegeven bedragen verschuldigde successierechten.

A. D. R. overleed op haar beurt op 7 januari 2000 en liet als wettige erfgenaam haar zoon, W. V. P. na.

Uit de resultaten van een gerechtelijk onderzoek bij het toenmalige Gemeentekrediet, thans Dexia, bleek dat F. V. H. voor zijn overlijden op een aantal bankrekeningen beschikte over tegoeden voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR).

Bij brief van 21 augustus 2002 liet de ontvanger aan W. V. P. weten dat uit inlichtingen in het bezit van de administratie bleek dat bepaalde rekeningen en inlagen niet werden aangegeven. Hij werd uitgenodigd onmiddellijk het verzuim in de aangifte van nalatenschap van de heer V. H. te herstellen.

Er wordt niet betwist dat A. D. R. als gevolmachtigde het bedrag van … BEF drie dagen voor het overlijden van F. V. H. van diens rekeningen had gehaald en dit bedrag niet had vermeld in de aangifte van nalatenschap.

In een bijkomende aangifte van nalatenschap van F. V. H. van 28 oktober 2002, vermeldde W. V. P. een bijkomend actief van … BEF. Hij vroeg tevens vrijstelling van boete en interesten vermits hij de aangifte niet had ingediend en derhalve niet verantwoordelijk was voor het mogelijk verzuim.

W. V. P. hernam zijn verzoek tot kwijtschelding van boete en interesten in een brief, gericht aan mevrouw W., belastinginspecteur.

Op 20 november 2002 werden de verschuldigde bijrechten betaald.

Op 28 november 2002 werd W. V. P. op de hoogte gebracht van de beslissing van de directie van 26 november 2002 over zijn verzoek tot kwijtschelding van de boeten en de interesten :

"De boete bedraagt bij toepassing van artikel126 Wetb. Succ. in principe 2x het bedrag der ontdoken rechten en is opeisbaar ongeacht goede trouw of onwetendheid van de overtreders.

Overeenkomstig het terzake geldende speciale barema, dat werd bekrachtigd door de minister en waarvoor geen enkele administratieve afwijking werd toegestaan werd de boete reeds verminderd tot 1/2e van de bijrechten.

Mede gelet op het feit dat de gelijkberechtiging van de belastingplichtigen niet in het gedrang mag komen kan geen verdere kwijtschelding of vermindering van de boete toegestaan worden. (...)

Voor wat betreft de interest wordt in de gegeven omstandigheden kwijtschelding verleend voor de periode vanaf het overlijden van de oorspronkelijke erfgenaam, mevrouw A. D. R. (7.1.2000). De interest voor de voorafgaande periode (21.10.1996 tot 4.1.2000) blijft evenwel verschuldigd".

Op 11 december 2002 betaalde W. V. P. eveneens de aldus verschuldigde interesten.

Op 11 februari 2003 stuurde W. V. P. een brief naar de Directeur~generaal van het kadaster, registratie en domeinen, waarin hij de boete betwistte :

"Ik voel me erg onrechtvaardig behandeld door deze beslissing en wel om volgende redenen :

- ikzelf heb of had helemaal niets te maken met de betreffende nalatenschap, mij kan dan ook geen overtreding of verantwoordelijkheid aangerekend worden,

- de door mij ingediende aangifte van nalatenschap door mijn moeder is destijds correct en volledig gebeurd,

- na de aanmaning van registratie Antwerpen 7 heb ik onmiddellijk de nodige bijbetalingen verricht, ook hier valt mij niets te verwijten."

W. V. P. steunde zich verder op de artikelen 131 en 132 W. Succ.

De administratie bleef evenwel bij haar stelling dat de boete terecht werd opgelegd (brief van 5 juni 2003) :

"De boete wordt van u gevorderd in uw hoedanigheid van erfgenaam van uw moeder Mevr. D. R. die op haar beurt algemene legataris was van de Heer V. H.

De vrijstelling van artikel 131 W. Succ. waarnaar u verwijst kan enkel toegestaan worden bij afwezigheid van fout van de erfopvolger. Goede trouw is niet voldoende en afwezigheid van fout dient bewezen te worden. De door u aangehaalde elementen beogen het bewijzen van afwezigheid van fout in uwen hoofde. De afwezigheid van fout dient echter beoordeeld te worden in hoofde van wijlen uw moeder, erfopvolger van de heer V. H.. De afwezigheid van fout is in haren hoofde niet bewezen". Volgens de administratie werd artikel 132 W. Succ. bovendien correct toegepast.

1.2. Procedure voor de eerste rechter

Op 25 maart 2004 legde W. V. P. een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 23 augustus 2005 ging hij eveneens over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van NV Dexia Bank België.

W. V. P. vorderde om de bestreden beslissing van 26 november 2002 van de gewestelijke directeur teniet te doen en in hoofdorde te zeggen voor recht dat de kwestieuze boete volledig zou worden kwijtgescholden, in subsidiaire orde verminderd.

W. V. P. vorderde dat, indien hij zou worden veroordeeld tot betaling van de boete, Dexia zou worden veroordeeld tot vrijwaring van alle bedragen in hoofdsom, interesten en kosten waartoe hij eventueel zou worden veroordeeld.

De Belgische Staat stelde een tegenvordering in en vorderde om W. V. P. te veroordelen tot betaling van de boete ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en tot de kosten van het geding.

Dexia stelde een vordering wegens tergend en roekeloos geding tegen W. V. P. en vorderde de veroordeling van W. V. P. tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono van … EUR.

De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering van W. V. P. toelaatbaar en gegrond. Hij overwoog :

"Slechts na het overlijden van de moeder van eiser op hoofdvordering heeft de administratie ontdekt dat zij voornoemde·tegoeden van … BEF niet had aangegeven in de aangifte van nalatenschap van wijlen de heer V. H. en werd aan eiser op hoofdvordering in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn moeder een boete opgelegd wegens het verzuim van zijn moeder.

Krachtens artikel 131 W. Succ. worden de partijen vrijgesteld van de boeten voorzien in de artikelen 126 en 128 indien zij bewijzen dat zij niet in fout zijn.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat er in de artikelen 126 tot 128 W. Succ. sprake is van "de erfgenaam, legataris of begiftigde", terwijl er in artikel 131 W. Succ. sprake is van "partijen".

Hieruit volgt dat artikel 131 W. Succ. geenszins vereist dat bewezen wordt dat de erfgenaam, legataris of

begiftigde niet in fout is; het is integendeel voldoende dat de partij, die de boete heeft opgelopen, bewijst dat hij niet in fout is.

Te dezen heeft eiser op hoofdvordering - na het overlijden van zijn moeder - de boete opgelopen wegens haar verzuim dat slechts na haar overlijden werd ontdekt.

Voor de toepassing van artikel 131 W. Succ. volstaat het dan ook dat eiser op hoofdvordering bewijst dat hij niet in fout is.

Eiser op hoofdvordering had geen enkele band met wijlen de heer V. H. en bovendien was hij op geen enkele wijze betrokken bij de aangifte van diens nalatenschap.

Het staat ontegensprekelijk vast dat eiser op hoofdvordering niet in fout is voor het verzuim van zijn moeder bij de aangifte van de nalatenschap van wijlen de heer V. H., hetgeen trouwens door verweerder op hoofdvordering niet wordt betwist.

Bijgevolg dient eiser op hoofdvordering volledig te worden vrijgesteld van de boete van … EUR".

De vordering in tussenkomst en vrijwaring werd zonder voorwerp verklaard en tegenvordering en de vordering wegens tergend en roekeloos geding werden afgewezen als toelaatbaar, doch ongegrond.

1.3. Hoger beroep

De Belgische Staat tekende tegen dit vonnis beroep aan bij verzoekschrift, neergelegd op 27 april 2007.

De Belgische Staat vorderde om het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende :

"- de oorspronkelijke vordering van de heer W. V. P. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- bijgevolg geen vermindering of kwijtschelding van de boete lastens de heer W. V. P. toe te staan;

- heer W. V. P. te veroordelen tot het betalen van de boete ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten (... )".

W. V. P. vorderde om het hoofdberoep van de Belgische Staat af te wijzen als ongegrond en om zijn incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren :

"In hoofdorde : te zeggen voor recht dat eerste geïntimeerde volledig vrijgesteld is van de boete van … EUR.

In ondergeschikte orde : te zeggen voor recht dat de boete verminderd dient te worden.

Ingeval eerste geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling van de opgelegde boete, tweede geïntimeerde te horen veroordelen tot vrijwaring van alle bedragen in hoofdsom, interesten en kosten waartoe eerste geïntimeerde eventueel zou worden veroordeeld ... ".

Dexia vorderde de afwijzing van het hoger beroep van de Belgische Staat :

"Dienvolgens

- in hoofdorde, de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde tegen appellant gegrond te verklaren en bijgevolg de vordering in vrijwaring van geïntimeerde tegen concluante zonder voorwerp te verklaren;

- in ondergeschikte orde, de vordering van geïntimeerde tegen concluante onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan rechtmatig belang, minstens ongegrond te verklaren.

Dexia verzocht het hof om haar incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren :

"Dienvolgens

- geïntimeerde te veroordelen tot een bedrag van … euro ten titel van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding;

- appellant en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald.".

2. Bespreking

2.1. Voorafgaand

W. V. P. stelt dat de Belgische Staat in zijn verzoekschrift geen nieuwe argumenten ontwikkelt, en evenmin tracht om de argumenten van de eerste rechter te ontkrachten. Er worden aldus geen grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

Dit wordt door de Belgische Staat betwist. De Belgische Staat argumenteert dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de eerste rechter ongedaan is gemaakt door het met succes aanwenden van het rechtsmiddel van het hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de Belgische staat het vereiste belang heeft om hoger beroep in te stellen, nu ze door de eerste rechter in het beschikkend gedeelte van het vonnis in het ongelijk werd gesteld (Cfr. Cass., 19 februari 1979, Arr. Cass., 1978-79, 725). Het hoger beroep heeft precies als functie om controle te kunnen uitoefenen van de juistheid van de bestreden beslissing. Hiertoe is niet vereist dat nieuwe grieven worden aangebracht, die nog niet in eerste aanleg werden behandeld.

Door de Belgische Staat worden in het verzoekschrift hoger beroep op omstandige wijze grieven uiteengezet, waaruit afdoende blijkt waarom de Belgische Staat het niet eens is met het oordeel van de eerste rechter. Het verzoekschrift is derhalve voldoende gemotiveerd, en omvat de gegevens vereist in artikel 1057, 7° Ger.W.

2.2. Wat betreft de boete

2.2.1. Standpunt van W. V. P.

W. V. P. sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter en stelt dat de afwezigheid van fout dient beoordeeld te worden in hoofde van W. V. P.. Een fout kan hem niet verweten worden, vermits hij steeds al het nodige heeft gedaan om in orde te zijn met de wettelijke vereisten van het W. Succ. Hij meent dan ook aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling van artikel 131 W. Succ.

Artikel 132 W. Succ. is volgens W. V. P. niet van toepassing, vermits de boete nog niet was vastgesteld op het moment dat zijn moeder overleed en dus niet aanwezig was in haar nalatenschap op het moment dat W. V. P. deze aanvaardde.

Hij verwijst verder naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof, waaruit blijkt dat artikel 6 EVRM van toepassing is op de sanctie, bepaald in artikel 126 W. Succ. en dat dwingende eisen van nationale wetgeving en internationale orde niet toelaten dat een boete van strafrechtelijke aard wordt opgelegd aan een ander persoon dan aan degene die de gesanctioneerde inbreuk heeft gepleegd.

Dexia dient V. P. te vrijwaren, vermits gebleken is dat deze bank haar klanten er systematisch toe aanzette een systeem van antidatering toe te passen om zo de successierechten te ontduiken.

2.2.2. Standpunt van de Belgische Staat

Volgens de Belgische Staat was A. D. R. verplicht om de tegoeden van F. V. H. op de rekeningen bij Dexia te vermelden in de aangifte van nalatenschap en maakt het verzuim om dit te doen de boete op grond van artikel 126 W. Succ. opeisbaar.

Deze boete is verschuldigd op grond van het enkele feit van de overtreding en werd overeenkomstig de wettelijke bepalingen verminderd tot de helft van de verschuldigde rechten. De boete werd van W. V. P. gevorderd in zijn hoedanigheid van erfgenaam van A. D. R. en voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 131 W. Succ. is vereist dat wordt aangetoond dat de overtreder (A. D. R.) geen schuld treft. Vermits dit bewijs niet werd geleverd, werd de boete terecht gevorderd.

Volgens de Belgische Staat is artikel 132 W.Succ. van toepassing.

Het betreft immers een overtreding, begaan door de rechtsvoorganger van W. V. P. en het plafond, bepaald in artikel 132 W. Succ. werd niet overschreden.

Volgens de Belgische Staat is de boete van artikel 126 W. Succ. geen strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en kan ze dus overgaan op de erfgenaam van de overtreder.

Vermits de aangesproken erfgenaam zich niet in dezelfde situatie bevindt als een verdachte in een strafzaak, is er klaarblijkelijk geen schending van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, en derhalve geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

2.2.3. Standpunt van Dexia

Dexia sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat aan W. V. P. geen boete kan worden opgelegd wegens een overtreding, begaan door zijn moeder. De vordering tegen W. V. P. is volgens Dexia derhalve ongegrond, zodat de vordering in vrijwaring tegen Dexia zonder voorwerp is.

Volgens Dexia is artikel 132 W. Succ. niet van toepassing, vermits dit artikel veronderstelt dat de boete nog bij leven van de rechtsvoorganger werd gevestigd. In onderhavig geval maakte de boete geen deel uit van de nalatenschap van mevrouw D. R., hetgeen vereist is opdat W. V. P. als erfgenaam met kennis van zaken de nalatenschap·van zijn moeder kon aanvaarden of verwerpen.

Indien artikel 132 W. Succ. wel van toepassing zou zijn stelt Dexia dat deze bepaling strijdig is met het eerlijk proces, zoals gewaarbor.gd door artikel 6.1 EVRM en met het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM. Het lijdt hierbij volgens Dexia geen twijfel dat de geldboete, voorzien in artikel 128 W. Succ. strafrechtelijk van aard is, gelet op de plaats van dit artikel in het wetboek en op de zwaarwichtigheid van deze boete. Het persoonlijke karakter van straffen en het vermoeden van onschuld, laten niet toe dat een boete van strafrechtelijke aard wordt opgelegd aan een andere persoon dan degene die de gesanctioneerde inbreuk heeft gepleegd. Dexia verwijst onder meer naar het arrest van het Europees Hof te Straatsburg van 29 augustus 1997 inzake E.L. e.a. t./Zwitserland.

Het Belgisch Hof van Cassatie heeft zich volgens Dexia bij deze visie aangesloten door te besluiten dat deze boete getoetst moet kunnen worden-door de rechter. Ook het Grondwettelijk Hof heeft de boete van artikel 126, al. 2 W. Succ. gekwalificeerd als een boete met overwegend repressief karakter.

Dexia argumenteert verder dat artikel 132 W.Succ. strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel en verzoekt het hof dan ook dienaangaande een prejudiciële vraag te willen stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Indien artikel 132 W. Succ. toepasselijk zou worden geacht vordert Dexia de bevestiging van het oordeel van de eerste rechter, waar die stelt dat W. V. P. overeenkomstig 131 W. Succ. moet kunnen aantonen dat hem geen schuld treft, zonder dat hij de goede trouw van mevrouw D. R. moet aantonen. Het is volgens Dexia voor V. P. trouwens niet mogelijk om de intenties van zijn intussen overleden moeder te achterhalen. Het aantonen van goede trouw in hoofde van W. V. P. volstaat trouwens volgens Dexia. Eisen dat overmacht of onoverwinnelijke dwaling wordt aangetoond is in strijd met het vermoeden van onschuld.

Dexia stelt verder dat de vordering in vrijwaring van W. V. P. onontvankelijk is wegens gebrek aan rechtmatig belang. De aangifteverplichting rust immers op de erfgenamen en kan niet op de bank worden afgewenteld. Minstens is de vordering tot vrijwaring ongegrond wegens gebrek aan fout in hoofde van Dexia, vergoedbare schade en oorzakelijk verband.

2.2.4. Beoordeling

Overeenkomstig artikel 126 W. Succ. is de erfgenaam, legataris of begiftigde, die verzuimd heeft in België gelegen onroerende goederen of renten en schuldvorderingen aan te geven, die in de in België gehouden registers van de hypotheekbewaarders ingeschreven zijn, boven de rechten, een gelijke som als boete verschuldigd. Wanneer het verzuim andere goederen betreft, is de boete gelijk aan tweemaal de rechten.

Overeenkomstig artikel 128 W. Succ. wordt een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht verbeurd door de erfgenaam, legataris of begiftigde die ten nadele van de Staat een legaat of een schenking verzwijgt of onjuist aangeeft;

Artikel 131 W. Succ. bepaalt dan weer dat de partijen worden vrijgesteld van de boeten voorzien in de artikelen 126 tot 128, indien zij bewijzen dat zij niet in fout zijn.

Artikel132 W. Succ. tot slot bepaalt dat, in geval van overlijden van een persoon die een evenredige boete opgelopen heeft, zijn erfgenaam, legataris of begiftigde niet gehouden kan zijn uit hoofde dezer boete tot de betaling van een som hoger dan de helft van de rechten, ten ware hij persoonlijk aan de overtreding meegeholpen heeft.

In onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat het bedrag dat van W. V. P. wordt gevorderd, een boete betreft, opgelopen door zijn rechtsvoorganger, mevrouw D. R., omwille van het feit dat zij niet is overgegaan tot vermelding van de banktegoeden op de rekeningen van F. V. H. in diens aangifte van nalatenschap. Er bestaat geen betwisting over het feit dat W. V. P. hierbij te goeder trouw was.

De boete bedroeg in principe … EUR, hetzij 200 % van de ontdoken rechten. Overeenkomstig het speciale barema tot vermindering van dergelijke boetes, werd de betrokken boete verminderd tot de helft van de verschuldigde bijrechten, hetzij … EUR.

Aldus is het van belang te onderzoeken welke de aard is van de boete, die aan W. V. P., in zijn hoedanigheid van erfgenaam van mevrouw D. R. werd opgelegd.

Blijkens de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna E.H.R.M.) heeft een sanctie niet alleen een strafrechtelijk karakter wanneer ze internrechtelijk als een strafrechtelijke sanctie wordt gekwalificeerd. Er dient immers ook gekeken te worden naar de aard van de overtreden norm. Heeft de norm een algemene draagwijdte en richt hij zich tot alle rechtsonderhorigen, dan wijst dit op een strafrechtelijk karakter.

Hetzelfde geldt wanneer de sanctie zowel een preventieve als een repressieve werking heeft en er niet enkel toe strekt de aan de staat toegebrachte schade te vergoeden. Ook uit de zwaarte van de sanctie kan worden afgeleid dat ze een strafrechtelijk karakter heeft (zie hierover E.H.R.M., 21 februari 1984, (Oztürk), Publ. E.C.H.R., Series A, nr. 73; E.H.R.M., 4 maart 2004, (Silvester's Horeca Service), FJ.F., 2004, 528; M. MAUS, De fiscale controle, Die Keure, Brugge, 2005, p.704 e.v. nr. 1258 e.v.).

In tegenstelling tot wat de administratie voorhoudt hebben zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof (voormalig Arbitragehof) in recente uitspraken aanvaard dat een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 E.V.R.M. en 14 I.V.B.P.R. (zie Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, 22/99, B.S., 30 april 1999; Grondwettelijk Hof, 17 maart 1999, 32/99, B.S., 19 juni 1999; Cass., 5 februari 1999, T.F.R., 1999, p. 375; Cass., 25 mei 1999, F.J.F., 1999,323). Om te bepalen of het gaat om strafrechtelijke sanctie moet meer bepaald nagegaan worden of de administratieve sanctie inzake belastingen zonder onderscheid elke belastingplichtige betreft (en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut), of ze een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, of ze niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, of ze stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tegelijkertijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen, blijkt dat de strafrechtelijk aspecten de doorslag geven, dan moet de administratieve sanctie inzake belastingen als een strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 I.V.B.P.R. te worden beschouwd.

Voor wat betreft de boete van artikel 126 W. Succ. die in principe twee maal de ontdoken rechten bedraagt oordeelde het Grondwettelijk Hof (arrest 17 maart 1999, 32/99, voormeld) : "De boete wegens verzuim bedoeld in artikel 126, tweede lid, van het Wetboek heeft tot doel de inbreuken begaan door alle erfgenamen, legatarissen of begiftigden, zonder enig onderscheid, die in die bepaling bedoelde verplichting tot aangifte niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Zij heeft overwegend een repressief karakter".

Gelet op de aard van de sanctie en op de zwaarte ervan, dient derhalve te worden geoordeeld dat de boete van artikel 126, tweede lid W. Succ. te beschouwen is als een strafrechtelijk sanctie in de zin van artike16 E.V.R.M. en artikel 14 I.V.B.P.R.

Hierbij stelt zich de vraag of artikel 126 W. Succ., samen gelezen met artikel 132 W. Succ. geen schending inhoudt van het vermoeden van onschuld, doordat artikel 132 W. Succ. toelaat de fiscale boete ten laste te leggen van de erfgenaam van een overtreder.

Eén van de fundamentele beginselen van het strafrecht is dat strafrechtelijke aansprakelijkheid degene die de feiten pleegde, niet overleeft. Dit principe van het persoonlijk karakter van straffen wordt in het Belgisch strafrecht verwoord in de artikelen 20 V.T.Sv. en in artikel 86 Sw.

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens besliste dat dit beginsel tevens voortvloeit uit het vermoeden van onschuld, verwoord in artikel 6, § 2 E.V.R.M. Het erven van de schuld van de doden is niet verenigbaar met de strafrechtelijke principes, die gelden in een rechtsstaat (E.H.R.M., 29 augustus 1997,.(A.P., M.P. en T.P. t/Zwitserland, 71/1996/690/882), www.echr.coe.int. besproken door I. BEHAEGHE in Fiskale Koerier, 1997, 577).

In elk geval stelt zich de vraag of er sprake kan zijn van een schending van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat de erfgenamen van een overtreder in de zin van artikel 126 W. Succ., gelet op de artikelen 131 en 132 W. Succ. niet dezelfde waarborgen genieten als de erfgenamen van een persoon die een gemeenrechtelijke strafrechtelijke sanctie heeft opgelopen..

Het hof stelt vast dat deze vraag nog niet beoordeeld werd door het Grondwettelijk Hof. Het arrest van 17 maart 1999 (32/99, voormeld), betreft niet het principe van de persoonlijkheid van de straf of het vermoeden van onschuld, doch wel het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep.

Bovendien oordeelt het hof dat het antwoord op de hiernavolgende prejudiciële vraag onontbeerlijk is om uitspraak te kunnen doen in onderhavige zaak.

Bijgevolg dient, alvorens verder recht te doen, navolgende prejudiciële vraag te worden gesteld.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk;

Alvorens verder recht te doen,

Beslist de volgende vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof in toepassing van artikel 26 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof :

Schendt artikel 132 W. Succ., samen gelezen met de artikelen 126, 128 en 131 W. Succ. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6 E.V.R.M., doordat deze artikelen toelaten dat de erfgenaam gehouden is tot betaling van een boete, opgelegd na het overlijden van de belastingplichtige, wegens niet- of onvolledige aangifte van nalatenschap door de overledene, daar waar in het gemeen strafrecht het principe geldt van de persoonlijkheid van de straf (artikel 86 Sw. en artikel 20 V.T.Sv) alsook het vermoeden van onschuld, verwoord in artikel 6 B.V.R.M .. Wordt bijgevolg een erfgenaam van iemand die een fiscaal verzuim wordt verweten, dat aanleiding kan geven tot het opleggen van een sanctie die een strafrechtelijk karakter vertoont in de zin van artikel 6 E.V.R.M. zonder redelijke verantwoording anders behandeld dan een erfgenaam van iemand die een gemeenrechtelijk misdrijf pleegde en die kan genieten van de waarborgen van artikel 86 Sw.,artikel 20 V.T.Sv. en artikel 6 E.V.R.M..

Verzendt de zaak in afwachting naar de bijzondere rol. Houdt de beslissing nopens de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VEERTIEN OKTOBER TWEEDUIZENDENACHT,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. G.

en R. L., Raadheren

A. V. L., Griffier

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.

Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan de Voorzitter van het grondwettelijk hof, Koningsplein 7, 1000 Brussel, in uitvoering van artikel 27 § 1 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 06 januari 1989.

Antwerpen, 21 oktober 2008

A.V. L. D. W

Griffier Voorzitter

Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (adresse privée) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.