Cour d'appel d'Anvers, 17 février 2005 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 17 février 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 17 février 2005Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2005-02-17-09e3

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
17 février 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

38 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Anvers du 17.02.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 2003/AR/2250

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoor te Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van en door benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor van Antwerpen 3° kantoor houdende te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

appellant :

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 21 februari 2003

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

D. P., wonende te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. N. M. loco Mr. W. H., advocaat te …, …;

Het bestreden vonnis van 21 februari 2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verklaarde het verzet van geïntimeerde tegen het dwangbevel van 8 januari 1997 inzake BTW gegrond en zegde rechtens dat geïntimeerde niet gehouden was tot de in dit dwangbevel gevorderde bedragen en veroordeelde appellant tot terugbetaling van de bedragen die reeds ontvangen werden in uitvoering van dit dwangbevel, te vermeerderen met de intresten.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 augustus 2003.

Hij meent dat het verzet ongegrond had moeten worden verklaard.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep


Het voorwerp van de betwisting blijkt uit het bestreden vonnis. Het hof verwijst ernaar.

De eerste rechter heeft op grond van terechte motieven die het hof bijtreedt en overneemt op correcte wijze geoordeeld dat geïntimeerde geen BTW belastingplichtige was.

Deze motieven werden in hoger beroep niet weerlegd.

In antwoord op de grieven van appellant voegt het hof daaraan nog toe dat appellant in haar uiteenzetting in beroepsconclusies (onderaan p. 4) niet kan gevolgd worden waar hij enerzijds aanneemt dat de verhuur in kwestie één contract uitmaakt maar er anderzijds een "geregeld" karakter aan hecht als zou de huur "elke maand opnieuw plaatsvinden". De bewering dat de verhuur in kwestie "geen eenmalige handeling is maar een geregeld (herhaald) karakter vertoont op regelmatige tijdstippen" is niet in overeenstemming te brengen met de feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de betwisting.

De eerste rechter heeft terecht benadrukt dat het verhuurde voertuig, een personenwagen, zowel geschikt kan zijn voor privé­doeleinden als voor economische doeleinden en dat de vergelijking van de omstandigheden waarin geïntimeerde het voertuig daadwerkelijk verhuurde met die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, mee bepalend is voor de belastbaarheid van de verhuur.

De eerste rechter heeft op basis van de feitelijke gegevens (voornamelijk dat het om de verhuur van één voertuig aan één welbepaalde vennootschap gaat waarvan geïntimeerde de zaakvoerder is) op correcte wijze besloten dat het geen belastbare handeling betrof. De duur van de verhuur in kwestie kan weliswaar een feitelijk element zijn ter beoordeling van de duurzaamheid van de opbrengsten of ter beoordeling van het bestaan van een economische activiteit maar de duur in huidig geval (drie jaren) volstaat alsnog niet om te besluiten dat het om een belastbare handeling gaat.

Daartoe ontbreken immers de nodige begeleidende omstandigheden zoals de eerste rechter terecht heeft vastgesteld.

Dispositif

OM DIE REDENEN

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend en vijf

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

mevrouw A. W., Raadsheer

de heer E. L., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier

G. V. E. L. A. W. E. H.