Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 14.10.2004
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :
Zitting van 14 OKTOBER 2004 - TUSSENARREST
Inzake : 1999/AR/2473
De BELGISCHE STAAT, ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de REKENPLICHTIGE-ONTVANGER VAN HET EERSTE BTW-ONTVANGKANTOOR TE ANTWERPEN, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
appellant,
tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 17 mei 1999
vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
tegen :
G. C., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …, BTW-identificatienummer BE …, wonende te …, …;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. W. H., advocaat te …, …;
Geïntimeerde tekende verzet aan tegen het dwangbevel van 4 juli 1995. Hij vorderde de vernietiging van dit dwangbevel en vorderde de terugbetaling van alle krachtens dit dwangbevel ingehouden of betaalde bedragen.
In het bestreden vonnis van 17 mei 1999 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen het verzet gegrond en zegde rechtens dat geïntimeerde de gevorderde BTW en boete niet verschuldigd was.
De Belgische Staat tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 3 september 1999.
Hij vraagt de afwijzing van het verzet.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep met verzoek te willen preciseren dat het gaat om … EUR aan BTW en … EUR aan boete en de intresten.
Ondergeschikt vraagt geïntimeerde dat de verjaring zou worden vastgesteld van een gedeelte van de gevorderde sommen zodat rechtens zou worden vastgesteld dat hij nog een bedrag van … EUR meer de overeenstemmende boete en intresten verschuldigd is.
Ondergeschikt biedt hij tevens het bewijs met getuigen aan en vraagt hij overlegging van stukken.
Geïntimeerde beroept zich op de verjaring van de BTW, boeten en intresten voor zover die betrekking hebben op de periode vóór 7 mei 1991, voorhoudend dat de eerste nuttige stuitingsdaad het uitvoerend beslag van 6 mei 1996 is.
Hoewel appellant dit middel van verjaring als zodanig niet ontmoet in de syntheseberoepsconclusies verwijst hij wel naar de kennisgeving van het dwangbevel van 4 juli 195 bij aangetekende brief van 5 juli 1995.
Opdat de kennisgeving van het dwangbevel bij ter post aangetekende brief verjaring stuitende werking verkrijgt is vereist dat het bewijs wordt bijgebracht van de afgifte van het stuk ter post, in welk geval de kennisgeving geldt vanaf de volgende dag. Dergelijk stuk wordt niet bijgebracht door appellant: stuk 3b van het dossier van appellant bevat niet het bewijs dat de brief ter post werd afgegeven.
Geen stuiting van de verjaring bewezen zijnde voor de datum van 7 mei 1996 is het middel van verjaring gegrond.
Geïntimeerde heeft een berekening gemaakt van hetgeen aan BTW verschuldigd zou zijn vanaf 8 mei 1991 met als maatstaf de aankopen die volgens de fiscus in de periode tussen 8 mei en 19 september 1991 zouden zijn gebeurd.
Appellant laat deze berekening onbesproken.
De vordering tot voldoening van de belasting, intresten en geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop de schuld is ontstaan.
Te dezen is het evenwel onduidelijk of de belastingschuld in hoofde van geïntimeerde ontstond dag per dag, zoals geïntimeerde blijkbaar aanneemt volgens zijn berekening, dan wel per kwartaal, in welk geval de stuiting zou gelden voor het lopende kwartaal.
De debatten worden heropend om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen.
Niet ter betwisting staat dat geïntimeerde dranken afnam van NV A.. Appellant houdt voor dat een aantal leveringen van A. aan geïntimeerde buiten factuur gebeurde.
Samengevat beweert appellant dat een aantal door A. als "dagontvangsten" geboekte verkopen in werkelijkheid verkopen betreft aan geïntimeerde waarvoor geen factuur werd opgesteld. Ten bewijze van haar standpunt verwijst appellant naar het boekhoudsysteem van A. dat gedeeltelijke facturatie van de leveringen toeliet met boeking van het niet gefactureerde deel als "dagontvangst" en naar de overeenstemming die terug te vinden is in de facturatie en de boekingen in dagontvangsten.
In het PV van 13 september 1993 hebben de controlerende ambtenaren hun vaststellingen weergegeven met betrekking tot het bij A. weergevonden boekhoudsysteem waarbij de aangewende programmatuur toeliet gedane leveringen niet, deels of volledig te factureren en waarbij het niet gefactureerde deel automatisch als dagontvangst werd geboekt.
De gegevens die ter zake zijn opgenomen in het PV zijn niet anders dan de weergave van hetgeen de controlerende ambtenaren zelf hebben kunnen vaststellen en onderzoeken.
Het is dan ook onterecht dat geïntimeerde de bewijskracht van deze vermeldingen aanvecht nu het gaat om de verwoordingen van hetgeen de inspecteurs zelf hebben vastgesteld en onderzocht. Aan deze bewijswaarde wordt geen afbreuk gedaan door de opmerking van geïntimeerde niet in staat te zijn de juistheid van de gedane vaststellingen te kunnen onderzoeken en verifiëren.
Het bewijs van de werkelijke aankopen die geïntimeerde bij A. heeft gedaan in de onderzochte periode wordt inderdaad gevormd door een vermoeden.
Dit vermoeden is evenwel gebaseerd op vaststaande en controleerbare feitelijke gegevens.
Het blijkt immers zo te zijn dat zowel bij de facturatie als bij de boeking in dagontvangsten dezelfde codenummers werden gebruikt door A. en dezelfde volgorde van bestelde goederen.
Dit feitelijk gegeven wordt niet ontkracht door de omstandigheid dat ter staving van de gedane vaststelling slechts enkele vergelijkingen worden overgelegd tussen dagontvangsten en corresponderende facturen. Daarenboven heeft appellant thans onder stuk nr. 30 alle facturen en lijsten van dagontvangsten overgelegd die een volledige controle van de berekening van de werkelijke omzet mogelijk maken.
De vergelijking van beide gegevens, dagontvangsten en facturen, laat toe de werkelijke aankopen te detecteren vermits aan de hand van de facturen kan vastgesteld worden welk blok van de geboekte dagontvangsten eveneens betrekking heeft op een levering aan een wel bepaalde klant waarvoor deels gefactureerd werd.
Daarbij dient benadrukt dat geen bestel- of leveringsbons werden bewaard, noch door geïntimeerde noch door A., die van aard zouden kunnen zijn de logische gevolgtrekking die uit de gedane feitelijke vaststellingen volgt te weerleggen.
Uit voorgaande motieven volgt dat de bewijsvoering van appellant regelmatig en bewijskrachtig is.
Er is geen gegronde reden om aan de juistheid van de lijst van dagontvangsten te twijfelen nu A. er uiteraard geen enkel belang bij had meer goederen als verkocht te boeken dan deze die zij werkelijk geleverd had. De omstandigheid dat de lijst van dagontvangsten een door een derde (A.) opgesteld stuk is doet derhalve geen afbreuk aan de waarachtigheid ervan.
Geïntimeerde weerlegt het tegen hem aangevoerde bewijs niet door te wijzen op zijn eigen boekhouding. Desbetreffend kan slechts herhaald worden dat geen leveringsbons worden overgelegd.
Evenmin toont hij aan dat zijn rechten van verdediging geschonden werden. De fraude die bij A. aan het licht is gekomen vormt immers slechts de aanleiding voor de controle van de door geïntimeerde aangegeven omzet en de berekening van de werkelijke omzet is, zoals hiervoor aangegeven, gebaseerd op door geïntimeerde verifieerbare stukken en gegevens. Het gegeven dat de automatisering bij A. toeliet op gemakkelijke wijze de werkelijke omvang van de gedane leveringen te verdoezelen maakt op zich niet het bewijs uit van de herberekening van de omzet.
Om dezelfde reden is het beklag van geïntimeerde over het tijdsverloop tussen de oorspronkelijke vaststellingen en het uiteindelijk PV met berekening van verschuldigde rechten en boeten niet relevant want het verhindert hem niet zijn verweer te voeren op het tegen hem aangevoerde bewijs. Daarom wordt ook het gedane verzoek tot overlegging van stukken afgewezen: deze stukken blijven irrelevant ten overstaan van de tegen geïntimeerde aangevoerde bewijzen van de werkelijke omzet.
Het verzet is dan ook ongegrond behoudens het deel dat als verjaard moet worden aangezien en waarvoor de heropening van de debatten wordt bevolen.
OM DIE REDENEN :
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep deels gegrond;
Wijzigt het bestreden vonnis;
Zegt rechtens dat het verzet van geïntimeerde tegen het dwangbevel van 4 juli 1995 ongegrond is behoudens wat betreft het deel van de vordering dat verjaard is en beveelt de heropening van de debatten om de juiste omvang van het verjaarde deel van de vordering te bepalen.
Beveelt de heropening van de debatten op de openbare terechtzitting van deze kamer van 13 januari 2005 te 11.50 uur (Hof van beroep, Waalse Kaai te 2000 Antwerpen, zaal F);
Houdt de kosten aan.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en vier
waar aanwezig waren :
de heer E. H., Voorzitter;
mevrouw A. W., Raadsheer;
de heer E. L., Raadsheer;
mevrouw G. V., Griffier.
G. V. E. L. A. W. E. H.
Dringend
Dossier nr. ET 95.958
Feiten
Op 14 oktober 2004 werd een tussenarrest uitgesproken door het Hof van Beroep te Antwerpen. Uit dit tussenarrest blijkt het navolgende.
Op 4 juli 1995 tekende betrokkene verzet aan tegen het dwangbevel.
Op 17 mei 1999 werd een vonnis uitgesproken waaruit blijkt dat betrokkene de gevorderde BTW en boete niet verschuldigd was.
Op 3 september 1999 tekende de Administratie hoger beroep aan tegen dit vonnis.
Betrokkene concludeert tot ongegrondheid van dit hoger beroep en vraagt dat de verjaring zou worden vastgesteld van een gedeelte van de gevorderde sommen (waardoor er slechts een miniem bedrag aan rechten verschuldigd zou zijn).
Betrokkene beroept zich op de verjaring voor zover die betrekking zou hebben op de periode vóór 7 mei 1991 omdat de eerste daad van stuiting het uitvoerend beslag van 6 mei 1996 is.
De Administratie ontmoet dit middel van verjaring als zodanig niet in de syntheseconclusies. Wel verwijst de Administratie naar de kennisgeving van het dwangbevel (4 juli 1995) bij aangetekende brief van 5 juli 1995.
Het Hof van Beroep stelt nu : opdat de kennisgeving van het dwangbevel bij ter post aangetekende brief een verjaring stuitende werking verkrijgt , is vereist dat het bewijs wordt bijgebracht van de afgifte van het stuk ter post. In dit geval geldt de kennisgeving vanaf de volgende dag. Het Hof stelt dat dergelijk stuk niet wordt bijgebracht door de Administratie. Het Hof stelt dat "stuk 3b" (van de Administratie) niet het bewijs bevat dat de brief ter post werd afgegeven. Het Hof meent dat de eerste daad van stuiting het uitvoerend beslag van 6 mei 1996 is.
Het Hof stelt dan ook : geen stuiting van de verjaring bewezen zijnde voor de datum van 7 mei 1996 is het middel van verjaring gegrond. De bewering van het Hof dat de Administratie het bewijs van de afgifte van het stuk ter post - en dus daterend van 5 juli 1995 - niet heeft bijgebracht.
Op grond hiervan heeft betrokkene een herberekening gemaakt van datgene wat verschuldigd zou zijn aan BTW vanaf 8 mei 1991.
De vordering tot voldoening van de belasting, interesten en geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop de schuld is ontstaan. Voor het Hof is het evenwel onduidelijk of de belastingschuld in hoofde van betrokkene ontstond dag per dag (zoals betrokkene blijkbaar aanneemt volgens zijn berekening), dan wel per kwartaal (want dan zou de stuiting gelden voor het lopende kwartaal). De debatten worden heropend om de partijen toe te laten hierover een standpunt in te nemen.
Er wordt opgemerkt dat het Hof de Administratie wel volgt in haar bewijslevering inzake "niet geboekte facturen". Ook verwerpt het Hof het beklag van betrokken over het tijdsverloop tussen de oorspronkelijke vaststellingen en het uiteindelijk PV met berekening van verschuldigde rechten en boeten. Het Hof verklaart het verzet dan ook ongegrond BEHOUDENS het deel dat als verjaard moet worden aangezien (en wat het voorwerp is van deze BER0EPSC0NCLUSIES NA TUSSENARREST).
Door de gewestelijke directie BTW Antwerpen wordt gesteld dat volgens haar overtuiging er geen sprake kan zijn van enige verjaring daar de tegenpartij (betrokkene) zelf het stuk heeft voorgelegd dat - volgens het Hof - ontbreekt (zie stuk nr. 8). Komt daarbij dat de tegenpartij pas in haar laatste beroepsconclusies voor het eerst de gedeeltelijke verjaring op. Gelet op de vastgestelde conclusietermijnen kon de Administratie hier niet meer op antwoorden. Dit wordt aanzien als een schending van de rechten van de verdediging. DUS : noch in de inleidende dagvaarding in verzet; noch in geen enkel besluit voor de rechtbank van eerste aanleg; noch in de eerste besluiten; noch in de aanvullende besluiten voor het Hof had betrokkene de verjaring opgeworpen. Komt daarbij dat betrokkene zelf meermaals (in de inleidende besluiten voor de rechtbank van eerste aanleg; in de eerste besluiten èn in de aanvullende besluiten voor het Hof van Beroep heeft betrokkene zelf verwezen naar het op 4 juli 1995 geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel dat op 5 juli 1995 aan hem ter kennis werd gebracht).
Omdat betrokkene pas in de hernemende besluiten de verjaring heeft opgeworpen en op deze besluiten door de Administratie niet meer kon geantwoord worden ingevolge de beschikking van het Hof waarbij conclusietermijnen werden bepaald, is deze opmerking (van het Hof) misplaatst. Nog eigenaardiger wordt het daar stuk nr. 8 van de inventaris van de hernemende besluiten van betrokkene is de bewuste postvordering. Betrokkene voert met andere woorden zelf het bewijs van afgifte op het postkantoor toe aan haar dossier !
Daar "verjaring" van openbare orde is, had het Hof van Beroep dan ook alle stukken dienen te onderzoeken voor wat betreft dat aspect van verjaring !
Ook de departementsadvocaat stelt voor om in onze beroepsconclusies NA tussenarrest, dit aspect (verjaring) opnieuw op te werpen (zie zijn brief van 19 oktober 2004).
Het voorgelegde ontwerp van beroepsconclusies NA tussenarrest geeft vooreerst een overzicht van de door het Hof van Beroep vastgestelde conclusietermijnen. Alzo werd aangetoond dat de Administratie niet meer kon concluderen na 10 oktober 2003. Tevens werd gesteld dat juist in deze laatste conclusies door betrokkene het middel van de gedeeltelijke verjaring van de vordering werd opgeworpen. Ook werd omstandig aangetoond dat betrokkene zelf aanvoerde dat zij op de hoogte was van de exacte data waarop het bewuste dwangbevel aan haar betekend werd. Volledigheidshalve wordt niet alleen verwezen naar het door betrokkene zelf aangevoerde bewijsstuk, maar wordt ook nogmaals dat bewijsstuk door de Administratie zelf bijgevoegd.
De Administratie werpt op dat de rechten van verdediging geschonden zijn omdat niet meer kon geantwoord worden op deze in allerlaatste instantie ingeroepen grief van betrokkene.
Voorstel
Voorgesteld wordt akkoord te gaan met het door de departementsadvocaat - hierin gevolgd door de Gewestelijke directie BTW Antwerpen - geformuleerde voorstel om aanvullende beroepsconclusies NA tussenarrest op te stellen en deze - zoals uiteindelijk door deze gewestelijke directie opgesteld - goed te keuren.
In casu is er toepassing van art. 747, § 2 Ger. W.
Gemeend wordt dat er in casu sprake is van een deloyale procesvoering in hoofde van het advocatenkantoor van D.. Door hun optreden, is er in feite sprake van een ondermijning van het formele procesrecht (en waardoor dus ook onze rechten van verdediging geschaad zijn). Door het pas op de valreep opwerpen - door betrokkene - van het principe van de verjaring (of gedeeltelijke) pleegt betrokkene "procesrechtsmisbruik" (schending van de rechten van verdediging en van het principe van het tegensprekelijk karakter van de procedure). Het voorgelegde ontwerp van beroepsconclusies na tussenarrest focust zich enkel op deze inbreuk op de rechten van verdediging.
Een bedenking die terloops nog gemaakt kan worden : lijdt de Administratie hier geen schade in de zin van art. 1382 BW doordat betrokkene voor het eerst een grief opwerpt op een tijdstip waarop het voor ons - tegenpartij - niet meer mogelijk is hierop te antwoorden. Dergelijke toestand schendt ongetwijfeld onze rechten van verdediging. Gemeend wordt dat wij - als Administratie - op dat ogenblik (of door dergelijke manier van optreden) ongetwijfeld "schade" lijden. Wij konden deze grief niet meer betwisten of ontkrachten. Er is voor ons (Administratie) schade omdat onze rechten van verdediging op dat ogenblik en door dat (deloyale) feit geschonden worden. De rechter(s) in beroep hadden onze schade kunnen herstellen (of beter: voorkomen) door dat "tussenarrest" niet alleen NIET uit te spreken, maar ook door deze grief van betrokkene te weren uit het debat. Door een dergelijk "procesrechtsmisbruik" te tolereren, zijn deze rechters in hoger beroep aansprakelijk - op grond van art. 1382 BW - omdat zij door deze grief niet te weren uit het debat (m.a.w. : door niet te sanctioneren of door te verzuimen dit te doen) voor het ontstaan van een schade in hoofde van onze Administratie. Door in de "hernemende besluiten" de grief van de verjaring op te nemen, pleegde betrokkene in feite een inbreuk of schending van art. 747, § 2 Ger. W. omdat betrokkene hier geen loutere "antwoordconclusies" verstrekt, maar een conclusie waarin een nieuw middel of grief (lees : de verjaring) wordt aangevoerd. Door dit nieuwe feit - het feit van de verjaring - worden de oorspronkelijke grenzen van het geschil of debat dat hangende was vóór het Hof van Beroep, aanzienlijk verruimd (tot benadeling van ons Administratie). Doordat wij als Administratie ons niet meer hebben kunnen verdedigen, gebeurde er in feite ook een schending van "het tegensprekelijk karakter van de procedure".
Overweging voor later
Er moet nog wel worden opgemerkt dat het voor ons Administratie wel wat eenvoudiger wara geweest, moest men op het tijdstip van vaststelling van dat nieuw middel van verjaring - dat werd aangevoerd in de laatste van de op grond van art. 747, § 2 Ger. W. in te dienen conclusies - verzocht had om een nieuwe conclusietermijn van dertig dagen en dit op grond van art. 748, § 2 Ger. W. Misschien kan ons later (door het Europees Hof van Justitie zowel als door het Hof van Beroep wanneer dit zijn eindarrest zal uitspreken) dan aangewreven worden dat wij zelf er de oorzaak van zijn dat onze rechten van verdediging geschaad zijn (Ik maak mij de bedenking dat wij niet alle mogelijkheden uit ons Ger. W. hebben uitgeput door art. 748, § 2 Ger. W. niet in te roepen). Ik wil maar zeggen : hadden wij zelf niet eerder moeten anticiperen om onze rechten van verdediging veilig te stellen? Zal dit onze situatie vóór het EHRM (maar ook ingeval van een procedure voor het Hof van Cassatie) niet bemoeilijken, moesten wij het zo ver drijven? Ik denk - in alle bescheidenheid gesteld - dat dit aspect toch eerst nog eens grondiger moet onderzocht worden alvorens U beslist om binnen enkele jaren naar dit Europees Hof (of eerder naar het Hof van Cassatie) te stappen.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.