Cour d'appel d'Anvers, 18 février 2004 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 18 février 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 18 février 2004Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2004-02-18-c4df

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
18 février 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

399 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Anvers du 18.02.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ARREST

Het Hof van Beroep zetelende te Antwerpen, negende kamer, recht doende in correctionele zaken, verleent het volgende arrest :

Inzake van het Openbaar Ministerie, en van de burgerlijke partijen :

1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens Kabinet is gevestigd in de Wetstraat 12 te 1000 Brussel, en die voor deze rechtspleging woonplaats kiest op het kantoor van de dienstchef van de Juridische cel van de Administratie der directe belastingen te Antwerpen, District B dat gevestigd is te 2140 Antwerpen-Borgerhout, Collegelaan 1,

vertegenwoordigd door Mr. K. B. loco J. V. R., advocaat bij de balie te …;

2. D. Z. BVBA, met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. 18.041,

3. B. J., zaakvoerder, wonende te …, …,

4. M. P., zaakvoerder, wonende te …, …,

allen vertegenwoordigd door Mr. F. S. loco G. K., advocaat bij de balie te …;

5. D. M., wonende te …, …,

6. S. A., wonende te …, …,

beiden vertegenwoordigd door Mr. M. R. loco G. G., advocaat bij de balie te …;

7. Mrs. M. R. en F. L., advocaten bij de balie te … en kantoorhoudende te …, …, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement V. V., hiertoe aangesteld door de Rechtbank van Koophandel te … d.d. 12 juli 2000,

vertegenwoordigd door Mr. N. T. loco K. F., advocaat bij de balie te …, welke verschijnt als advocaat van de curatoren voornoemd;

8. BVBA I.R.C., met zetel te …, …,

verstekdoende;

9. H. I., wonende te …, …,

vertegenwoordigd door Mr. G. D. B., advocaat bij de balie te …;

10. D. E., handelaar, geboren te …, op 26 november 1970, wonende te …, …,

vertegenwoordigd door Mr. R.L. B., advocaat bij de balie te …;

11. C. M., wonende te …, …,

vertegenwoordigd door Mr. B. H. loco P. V., advocaat bi de balie te …;

tegen :

N. G. M. G., handelaar, geboren te … op …, wonende te …, …

- beklaagde - aanwezig en bijgestaan door Mr. D. V. B., advocaat bij de balie te … en door Mr. J. D. S., advocaat bij de balie te …;


BEKLAAGD VAN :

A/

te OIen, tussen 11 januari 1995 en 9 december 1996, op niet nader te bevalen tijdstip, meermaals :

Geen openbaar officier of ambtenaar zijnde, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in authentieke of openbare geschriften te hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen, namelijk : ten nadele van de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest, doordat hij, met de bedoeling de fiscale rechten te ontduiken verbonden aan de exploitatie van amusementstoestellen, door gebruikmaking van een kleurenfotocopietoestel en een plastificeermachine de fiscale kentekens van het type "A1" (bingo) en "E1" (diverse automatische ontspanningstoestellen) te hebben nagemaakt,

de stukken als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …; V.S. 55/97 der overtuigingsstukken;

B/

tussen 11 januari 1995 en 9 december 1996, op niet nader te bepalen tijdstip, meermaals :

Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wetende dat het stuk vals of vervalst was, gebruik gemaakt te hebben van authentieke of openbare geschriften, vals opgemaakt door een persoon, die geen ambtenaar is namelijk fiscale kentekens van een type "A1" en "E1".

te 0len "A1" en bij samenhang te Neerpelt "A1", Diepenbeek "A1", Diest "A1", Molenbeek-Wersbeek "A1", Westerlo "A1", Lommel “A1", Tienen "A1", Noorderwijk "A1", Hamont "A1", Messelbroek "A1", Borgerhout "A1", Laakdal "A1", Heultje-Westerlo "A1", Genk "A1", Oevel "A1", Berchem "A1", Zonhoven "A1", Paal "A1", Lichtaart "A1", Stokkem “A1", Balen "A1", Mechelen "A1", Bergen "A1", Heppen "A1", Denderbelle "A1", Leopoldsburg "A1", Mol "A1", Herentals " A1", Antwerpen “A1”, Heusden-Zolder "A1", Dessel "A1", Herentals "A1", Voortkapellen "A1", Tongeren “A1", Geel "A1", Kampenhout "A1", Zoutleeuw "A1", Olen “A1", Herk-de-Stad "A1", Averbode "A1", Borgerhout "A1", Ixelles "A1", Mortsel "A1", Buggenhout "A1", Hulshout "A1", Kuttehoven "A1", Meerhout "A1", Temse "A1", Hasselt "A1", Sint-Niklaas "A1", Hersel "A1”, Tielen "A1", Vilvoorde "A1", Beringen "A1",. Waasmunster "A1", Beringen “A1", Berchem “A1”, Opdorp “A1", Kaulille "A1", Hasselt "A1"

Diest "E1", Tremelo"E1", Tienen"E1", Messelbroek "E1", Heusden-Zolder "E1", Lommel "E1". Olen "E1", Overpelt "E1", Leopoldsburg "E1", Herselt "E1", Tremelo "E1", Balen "E1", Voortkappelen "E1", Temse "E1", Kampenhout "E1", Herselt "E1", Hasselt "E1", Tienen "E1", Kampenhout "E1", lxelles "E1", Olen "E1", Dessel "E1", Averbode "E1", Antwerpen "E1", Herentals "E1", Berchem "E1", Genk "E1", Dessel "E1", Leopoldsburg ''E1'', Wijshagen "E1", Heultje-Westerlo "E1", Molenbeek-Wersbeek "E1", Diepenbeek "E1“, Geel “E1", Tongeren "E1", Lommel "E1", Messelbroek "E1", Heusden-Zolder "E1", Kuttehoven "E1", Zoutleeuw ''E1", Westerlo "E1" , Laakdal "E1"

C/

te Olen, tussen 11 januari 1995 en 9 december 1996, op niet nader te bevalen tijdstip :

Bij inbreuk op artikelen 76 en 77 van het Wetboek der met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen juncto artikelen 449 en 450 van het Wetboek der inkomstenbelastingen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden één van de in artikel 449 Wetboek Inkomstenbelasting bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften valsheid te hebben gepleegd, namelijk door gebruikmaking van een kleurenfotocopietoestel en een plastificeermachine de fiscale kentekens "A1" en "E1" te hebben nagemaakt (OS 520/97; V.S. 55/97),

D/

tussen 11 januari 1995 en 9 december 1996, op niet nader te bepalen tijdstip, meermaals :

Bij inbreuk op artikelen 76 en 77 van het Wetboek der met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen juncto artikelen 449 en 450 van het Wetboek der inkomstenbelastingen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden één van de in artikel 449 Wetboek Inkomstenbelasting bedoelde misdrijven te plegen, gebruik te hebben gemaakt van vervalste openbare geschriften, namelijk de fiscale kentekens "A1" en "E1" te hebben nagemaakt (OS 520/97; V.S. 55/97), met name :

te 0len "A1" en bij samenhang te Neerpelt "A1", Diepenbeek "A1", Diest "A1", Molenbeek-Wersbeek "A1", Westerlo "A1", Lommel “A1", Tienen "A1", Noorderwijk "A1", Hamont "A1", Messelbroek "A1", Borgerhout "A1", Laakdal "A1", Heultje-Westerlo "A1", Genk "A1", Oevel "A1", Berchem "A1", Zonhoven "A1", Paal "A1", Lichtaart "A1", Stokkem “A1", Balen "A1", Mechelen "A1", Bergen "A1", Heppen "A1", Denderbelle "A1", Leopoldsburg "A1", Mol "A1", Herentals " A1", Antwerpen “A1”, Heusden-Zolder "A1", Dessel "A1", Herentals "A1", Voortkapellen "A1", Tongeren “A1", Geel "A1", Kampenhout "A1", Zoutleeuw "A1", Olen “A1", Herk-de-Stad "A1", Averbode "A1", Borgerhout "A1", Ixelles "A1", Mortsel "A1", Buggenhout "A1", Hulshout "A1", Kuttehoven "A1", Meerhout "A1", Temse "A1", Hasselt "A1", Sint-Niklaas "A1", Hersel "A1”, Tielen "A1", Vilvoorde "A1", Beringen "A1",. Waasmunster "A1", Beringen “A1", Berchem “A1”, Opdorp “A1", Kaulille "A1", Hasselt "A1"

Diest "E1", Tremelo"E1", Tienen"E1", Messelbroek "E1", Heusden-Zolder "E1", Lommel "E1". Olen "E1", Overpelt "E1", Leopoldsburg "E1", Herselt "E1", Tremelo "E1", Balen "E1", Voortkappelen "E1", Temse "E1", Kampenhout "E1", Herselt "E1", Hasselt "E1", Tienen "E1", Kampenhout "E1", lxelles "E1", Olen "E1", Dessel "E1", Averbode "E1", Antwerpen "E1", Herentals "E1", Berchem "E1", Genk "E1", Dessel "E1", Leopoldsburg ''E1'', Wijshagen "E1", Heultje-Westerlo "E1", Molenbeek-Wersbeek "E1", Diepenbeek "E1“, Geel “E1", Tongeren "E1", Lommel "E1", Messelbroek "E1", Heusden-Zolder "E1", Kuttehoven "E1", Zoutleeuw ''E1", Westerlo "E1" , Laakdal "E1"


Gelet op de hogere beroepen ingesteld op :

- 26 februari 2002 door de beklaagde opzichtens alle beschikkingen :

tegen :

- de beslissing d.d. 20 februari 2002, uitgesproken door de correctionele rechtbank van het arrondissement Turnhout, Twaalfde Kamer, tot weigering van het door N. gevraagde uitstel, beslissing niet uitvoerbaar verklaard bij voorraad;

- de beslissing d.d. 20 februari 2002, uitgesproken door de correctionele rechtbank van het arrondissement Turnhout, Twaalfde Kamer, tot het in behandeling nemen van de zaak, spijts het gemotiveerde verzoek tot uitstel door voormelde beklaagde, beslissing niet uitvoerbaar verklaard bij voorraad,


- 20 maart 2002 door de beklaagde opzichtens alle beschikkingen zowel op straf- als op burgerlijk gebied,

- 21 maart 2002 door het Openbaar Ministerie tegen beklaagde G. N.,

tegen het vonnis bij verstek uitgesproken opzichtens beklaagde en de burgerlijke partijen sub 2, 3, 4, 8, 9 en 10 en op tegenspraak opzichtens de overige burgerlijke partijen op 20 MAART 2002 door de 12e kamer (drie rechters) van de rechtbank van eerste aanleg te TURNHOUT dewelke, recht doende in correctionele zaken, besliste als volgt :

- rechtdoende op strafgebied :

- verklaart beklaagde schuldig aan al de hem ten laste gelegde feiten,

Veroordeelt beklaagde, wegens voormelde vermengde tenlasteleggingen A, B, C en D, tot een gevangenzitting van twee jaar en een geldboete van … euro, gedeeld door 40,3399;

Zegt voor recht dat voormelde geldboete verhoogd wordt met 1990 opdeciemen en gebracht op : … euro en … cent;

Boete vervangbaar bij gebrek aan betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenzitting van drie maanden;

Verwijst beklaagde tot de kosten van het proces, belopende in het geheel en tot op heden : … euro en … cent;

Verwijst beklaagde, ingevolge art. 1 van het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 (gew. KB 23 december 1993 en KB 11.12.2001), tot betaling van een vergoeding van … euro.

Verwijst beklaagde bovendien, bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot Hulp aan de Slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, tot betaling van een bedrag van … euro, verhoogd met 40 opdeciemen en gebracht op … euro.

Beveelt de doorhaling van de met valsheid betichte stukken, neergelegd ter griffie van deze Rechtbank en er ingeschreven in het register ad hoc onder nr. O.S.. 520/97 (V.S. 55/97).

Verklaart verbeurd :

- één plastificeermachine MElKO MS, serie nr. D 31461,

eigendom van beklaagde en voorwerp van voormelde tenlastelegging, neergelegd ter griffie dezer rechtbank en er ingeschreven in het register ad hoc onder nr. O.S. 3304/96.

- boekhoudkundige bescheiden,

eigendom van beklaagde en voorwerp van voormelde tenlastelegging, neergelegd ter griffie dezer rechtbank en er ingeschreven in het register ad hoc onder nr. O.S. 519/97.

- de vermogensvoordelen t.b.v. … euro.

Rechtdoende op burgerliik gebied

Verklaart de vorderingen der burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond als volgt :

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de eerste burgerlijke partij de Belgische Staat de som van … EUROCENT (… euro) provisioneel;

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de tweede burgerlijke partij a) D. Z., b) B. J. en c) M. P. elk de som van … EURO (… euro) provisioneel;

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de derde burgerlijke partij D. M.-R. de som van … EURO EN … CENT (… euro) ten provisionele titel;

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de vierde burgerlijke partij S. A. de som van … EURO EN … CENT (… euro) ten provisionele titel;

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de vijfde burgerlijke partij M. en F. q.q. als curator van V. V. de som van … EURO EN … CENT (… euro);

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de zesde burgerlijke partij BVBA I.R.C. de som van … EURO EN … CENT (… euro);

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de zevende burgerlijke partij H. I. de som van … EURO EN … CENT (… euro);

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de achtste burgerlijke partij D E. de som van … EURO EN … CENT (… euro);

Veroordeelt beklaagde om te betalen aan de negende burgerlijke partij C. M. de som van … EURO EN … CENT (… euro) materieel en … EURO (… euro) moreel;

Bedragen te verhogen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet :

• voor 6° burgerlijke partij vanaf 13.10.1997 tot heden (thans de 8° burgerlijke partij);

• voor 7° burgerlijke partij vanaf 09.12.1996 tot heden (thans de 9° burgerlijke partij);

• voor 8° burgerlijke partij vanaf 31.03 .2000 tot heden (thans de 10° burgerlijke partij);

• voor 9° burgerlijke partij vanaf 12.05.1999 tot heden, (thans de 11° burgerlijke partij);

alle bedragen te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der uiteindelijke betaling.

Verwijst beklaagde tot de kosten op burgerlijk gebied belopende in het geheel en tot op heden nihil.

Zegt dat er geen redenen voorhanden zijn om de onmiddellijke aanhouding van beklaagde te bevelen.


Gelet op de behandeling dezer zaak in openbare terechtzittingen van 21 mei en 18 juni 2003 van dit Hof;

Gehoord de burgerlijke partijen in hun middelen ontwikkeld door hun respectievelijke raadslieden voornoemd;

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering;

Gehoord beklaagde in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door zijn raadslieden voornoemd;

Gelet op de neergelegde conclusies en dossiers;

Overwegende dat de burgerlijke partij sub 8, bvba I.R.C., hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen is, zodat de zaak opzichtens haar bij verstek werd behandeld;

Overwegende dat het hoger beroep van beklaagde, zoals ingesteld op 26 februari 2002, zonder voorwerp is ingevolge zijn hoger beroep tegen het later uitgesproken vonnis;

Overwegende dat het hoger beroep van beklaagde van 20 maart 2002 en het hoger beroep van het Openbaar Ministerie van 21 maart 2002, regelmatig naar vorm en termijn ingesteld, ontvankelijk zijn; ,

dat het incidenteel beroep van de burgerlijke partijen sub 2, 3, 4 en 11, ingesteld bij conclusies neergelegd ter zitting van het Hof d.d. 21 mei 2003 eveneens ontvankelijk is;

I. Inzake de ingeroepen onontvankelijkheid van de strafvordering

Overwegende dat beklaagde op diverse gronden de onontvankelijkheid van de strafvordering inroept;

I.1

Overwegende dat beklaagde voorhoudt dat het aanvankelijk proces-verbaal (nI. pv ME.21.01.005022/1996 d.d. 19/11/96 van de gerechtelijke politie te Mechelen), op basis waarvan de Procureur des Konings een gerechtelijk onderzoek vorderde, vals is zodat daaruit de onontvankelijkheid van de strafvordering volgt;

Overwegende dat m.b. wordt gesteld dat volgens dat proces-verbaal een brief d.d.17/10/96 van wijlen W. C. (waarvan kopij in bijlage aan het proces-verbaal gevoegd is) in beslag werd genomen op 18/11/96, terwijl uit de bijlage blijkt dat die brief reeds op 13/11/96 in het bezit van gerechtelijke overheden was;

Overwegende dat uit het hogervermelde proces-verbaal blijkt dat de opstellers ervan gelast waren met een onderzoeksopdracht in het kader van een gerechtelijk onderzoek n.a.v. het - mogelijk verdacht - overlijden van wijlen W. C., opsporingsagent bij de Dienst Opsporingen der Directe Belastingen te Lier, welke inlichtingen had bekomen i.v.m. een omvangrijke fiscale fraude en kort voordien met de dood bedreigd was geworden;

Dat het proces-verbaal aanvangt met de kennisgeving dat de opstellers in het bezit zijn gesteld van de voormelde brief d.d. 17/10/96 van W. C. én de als gevolg daaraan door de gewestelijke directeur ten behoeve van het hoofdbestuur der directe belastingen opgestelde brief (gedateerd 25/10/96, bij de ontvanger ervan afgestempeld op 30/10/96, deze laatste datum in het proces-verbaal vermeld zijnde); dat beide brieven in bijlage zijn gevoegd en uit de faxverzendingsgegevens op die stukken duidelijk blijkt dat zij door het hoofdbestuur der directe belastingen te Brussel op 13/11/96 (zijnde de dag van het overlijden van W. C., deze in de vroege ochtend overleden zijnde) werden overgemaakt aan het parket-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen; dat het proces-verbaal verder vermeldt dat de Procureur-generaal op 13/11/96 van die stukken kennis gaf aan de Procureur des Konings (te Mechelen);

Dat de verdere lezing van het proces-verbaal aantoont dat op 18/11/96 in kasten, welke door W. C. in zijn kantoor bij de directe belastingen te Lier werden gebruikt, o.m. elf fotocopijen van de hogervermelde brief van 17/10/96 werden aangetroffen en in beslag genomen;

Overwegende dat die gegevens geen ander besluit toelaten dan dat het middel van valsheid van een proces-verbaal op een verregaand lichtvaardige wijze wordt ingeroepen, daar in het proces-verbaal is uitgelegd dat de bedoelde brief inderdaad op 13/11/96 in het bezit was van de gerechtelijke autoriteiten en kopijen ervan op 18/11/96 in beslag werden genomen;

dat er derhalve geen spraak kan zijn van enige valsheid en onterecht de onontvankelijkheid van de strafvordering wordt ingeroepen;

I.2

Overwegende dat beklaagde de onontvankelijkheid van de strafvordering verder steunt op een beweerde schending van art. 29 Wetboek Strafvordering doordat door (een) fiscale ambtenaar/ambtenaren aangifte werd gedaan van feiten, die naar luidt van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn en dit zonder voorafgaande machtiging van zijn/hun gewestelijke directeur;

Overwegende dat het strafrechtelijk onderzoek geenszins aangevat is tengevolge van een aangifte van fiscale misdrijven door een fiscale ambtenaar, doch integendeel tengevolge van de vaststellingen, die de opstellers van het aanvankelijk proces-verbaal deden in het kader van een gerechtelijk onderzoek inzake het mogelijk verdacht overlijden van wijlen W. C., waarin melding was gemaakt van doodsbedreigingen en van door hem ontvangen inlichtingen i.v.m. vervalsingen van vignetten; dat zij in hun hoedanigheid van officieren van gerechtelijke politie daarvan kennis hebben genomen en zij over hun desbetreffende vaststellingen een proces-verbaal hebben opgesteld, welk werd overgemaakt door de Procureur des Konings te Mechelen aan de Procureur des Konings te Turnhout - de mogelijke verdachte van de vervalsingen wonende in het arrondissement Turnhout - en alzo een regelmatige basis vormt tot het onderzoek lastens beklaagde;

Overwegende dat uit de faxmeldingen bovenaan de aan het aanvankelijk proces-verbaal gevoegde stukken (1/6 tot en met 1/11) blijkt dat deze stukken door het hoofdbestuur der directe belastingen te Brussel werden overgemaakt aan de Procureur-generaal te Antwerpen; dat het met name betreft : de brief d.d. 17/10/96 van wijlen W. C. aan zijn oversten en een tengevolge daarvan op 25/10/96 door zijn gewestelijke directeur opgestelde brief, gericht aan het hoofdbestuur der directe belastingen;

Overwegende - minstens - dat de in art. 29, tweede lid Wetboek Strafvordering bedoelde machtiging niet aan vormvereisten onderworpen is; dat de kennisgeving aan het parket van feiten, die op fiscale misdrijven kunnen wijzen, gedaan door de overste van een gewestelijke directeur tengevolge van door deze aan die overste verstrekte gegevens aanzien dient te worden als een aangifte, welke in overeenstemming is van de voornoemde wetsbepaling; dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, voorzien in art. 460 WIB, slechts geldt wanneer het Openbaar Ministerie in kennis werd gesteld van de feiten door een ambtenaar van financiën zonder de machtiging, bedoeld in art. 29,. tweede lid Sv, hypothese die zich hier niet heeft voorgedaan;

Overwegende - meer ondergeschikt - dat minstens geldt dat de overmaking van een brief aan de Procureur-generaal, waarin melding wordt gemaakt van informatie inzake mogelijke vervalsing van fiscale vignetten als een aangifte van een mogelijk fiscaal misdrijf geldt; dat de vereiste van machtiging door de gewestelijke directeur voor een aangifte door een ondergeschikte ambtenaar logischerwijze niet geldt wanneer de aangifte wordt gedaan door de hiërarchische overste van de gewestelijke directeur;

I.3

Overwegende dat verder de onontvankelijkheid van de strafvordering wordt opgeworpen op grond van de stelling dat de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek volgt uit onrechtmatige bewijsgaring, nl. bewijsgaring middels een beweerdelijk onregelmatige huiszoeking;

Dat beklaagde hier in wezen zijn argumentatie m.b.t. de brief d.d. 17/10/96 van wijlen W. C. herhaalt door - foutievelijk - te stellen dat het gerechtelijk onderzoek opgebouwd is op de stukken, die bij een zoeking in een kast in het kantoor van de kort voordien overleden W. C. werden aangetroffen; dat beklaagde verwijst naar de zeventien kopijen die in die kast werden aangetroffen van de voormelde brief d.d. 17/10/96 en daarbij stelt "Het zou door deze brief zijn dat de onderzoekers en bijgevolg ook het parket op de hoogte zou zijn gebracht van de eventuele betrokkenheid van concluant bij een beweerde fraude";

Overwegende dat, zoals reeds hoger aangehaald, het duidelijk is dat de brief d.d. 17/10/96, evenals de brief d.d. 25/10/96 van de gewestelijke directeur aan het hoofdbestuur der directe belastingen als gevolg aan eerstgenoemde brief, reeds voor die zoeking op regelmatige wijze in het bezit waren van de onderzoekers; dat het de ingevolge die stukken door de onderzoekers gemaakte vaststellingen zijn, die de basis hebben gevormd tot de vordering tot gerechtelijk onderzoek lastens beklaagde en de stukken, die bij de zoeking in de kast werden aangetroffen daarop slechts een niet-substantiële aanvulling blijken uit te maken; dat in de brieven d.d. 17/10/96 en 25/10/96 reeds de naam van beklaagde en de naam en coördinaten van de NV SND A. vermeld werden;

Overwegende verder dat het bureau van een ambtenaar op de plaats waar hij zijn ambt uitoefent geen deel uitmaakt van zijn woning;

dat, voor zover een toestemming noodzakelijk ware geweest voor een nazicht van de inhoud van de kasten in dat bureau, vast te stellen is dat die zoeking slechts plaatsvond nadat M. P., de levenspartner van wijlen W. C. met wie hij samenwoonde, de sleutels van de kasten ter beschikking had gesteld van de onderzoekers met het oog op het nazicht én dat tevens het hoofdbestuur van de Administratie der Directe Belastingen toestemming verleende; dat het nazicht van de kasten werd uitgevoerd in aanwezigheid van twee collega's-opsporingsagenten van wijlen W. C.; dat ten overvloede vast te stellen is dat de betreffende kasten en hun inhoud in wezen toebehoorden aan de Belgische Staat en er overigens niets anders in aangetroffen werd dan dossiers, welke wijlen W. C. in onderzoek had, alsook een bundeltje met documenten i.v.m. automatische ontspanningstoestellen;

dat derhalve in het kantoor van wijlen W. C. geen activiteiten met privé-karakter plaatsvonden, noch vertrouwelijke privé-briefwisseling werd bewaard;

Overwegende derhalve dat geenszins sprake is van enige onregelmatigheid in de opsporing van gegevens door de onderzoekers;

I.4

Overwegende dat beklaagde de ontoelaatbaarheid van de strafvordering opwerpt op grond van een voorgehouden schending van het WIB 1992 en een schending van het beroepsgeheim, doordat de door wijlen W. C. in zijn hogervermelde brief d.d. 13/11/96 verstrekte inlichtingen door hem werden verkregen met schending van zijn gelimiteerde onderzoeksbevoegdheden en met schending van zijn beroepsgeheim; dat beklaagde verder betoogt dat ook het parket van de Procureur des Konings, aan wie de bewuste inlichtingen met schending van het beroepsgeheim en art. 29 Sv werden meegedeeld, eveneens gebonden was door hetzelfde beroepsgeheim en dit op grond van art. 337, lid 3 WIB 1992;

Overwegende vooreerst dat beklaagde niet eens vermeldt ten overstaan van wie het beroepsgeheim zou geschonden zijn;

Overwegende dat de door beklaagde ingeroepen artikelen 325 en 326 WIB 1992, welke het verhoor van getuigen onder eed en het opstellen van een proces-verbaal desbetreffend regelen, kaderen in de regels betreffende een door de belastingadministratie gevoerd onderzoek naar de gegevens, die als grondslag voor de vestiging. van belastingen dienstig zijn;

Dat zulks een gans andere situatie is dan het noteren van inlichtingen, die verstrekt worden door een derde betreffende de vervalsing van fiscale kentekens, zodat vruchteloos naar de artikelen 325 en 326 WIB 1992 verwezen wordt; dat er immers geen sprake is van een door wijlen W. C. afgenomen verhoor;

Overwegende dat geenszins wordt aangetoond hoe wijlen W. C. door de door hem bekomen inlichtingen op schrift te stellen ten behoeve van zijn hiërarchische oversten zijn beroepsgeheim zou hebben geschonden, vermits hij daardoor juist zijn verplichtingen als ambtenaar naleefde;

dat voor zoveel als nodig aan te stippen is dat wijlen W. C. als ambtenaar van de directe belastingen op grond van art. 14 WIGB principieel bevoegd was om overtredingen inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op te sporen;

Overwegende dat de verwijzing door beklaagde naar het door het parket van de Procureur des Konings na te leven beroepsgeheim niet begrepen wordt in de zin dat aan deze een schending van beroepsgeheim wordt verweten;

Overwegende dat art. 337 WIB 1992 bepaalt dat de fiscale ambtenaren hun ambt uitoefenen, wanneer zij aan de parketten inlichtingen verstrekken welke voor dezen nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen; dat die verstrekte inlichtingen door de parketten niet mogen gebruikt worden "buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt" (art. 337, vierde lid);

Overwegende dat de brief d.d. 13/11/96 van wijlen W. C. informatie bevatte betreffende de vervalsing op grote schaal door beklaagde van fiscale kentekens en aan de Procureur-generaal onmiddellijk na het plotse en mogelijk verdachte overlijden van W. C. werd meegedeeld, gelet op de omschrijving van de persoon van beklaagde in de gegevens van W. C. en gezien er sprake was van doodsbedreigingen;

dat de overgemaakte gegevens derhalve op regelmatige wijze aanleiding gaven tot gerechtelijke onderzoeken en er geen sprake is van onrechtmatig en mits schending van beroepsgeheim verkregen bewijs;

I.5

Overwegende dat beklaagde tevens inroept dat de strafvordering onontvankelijk zou zijn wegens ongeoorloofde bijstand van ambtenaren van douane en accijnzen buiten hun bevoegdheid aan het gerechtelijk onderzoek;

Overwegende dat te dezen nagegaan dient te worden of de Administratie van Douane & Accijnzen gerechtigd was op te treden in het kader van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, meer bepaald inzake de automatische ontspanningstoestellen, in zonderheid art. 84 en 85 betreffende het fiscaal kenteken;

Overwegende dat uit de vermeldingen in fine van de hogervermelde brief van 17/10/96 van wijlen W. C. duidelijk blijkt dat, waar voorheen het toezicht op de automatische ontspanningstoetellen toebedeeld was aan de Administratie der Directe Belastingen, het alsdan kennelijk sedert geruime tijd overgedragen was aan de Administratie van Douane & Accijnzen;

Overwegende dat art. 14 van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen in duidelijke bewoordingen stelt dat o.m. de ambtenaren en beambten van de Administratie der Douane & Accijnzen bevoegd zijn om over het gehele grondgebied de overtredingen op te sporen en om zelfs alleen de processen-verbaal inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op te stellen;

Dat er dan ook geen sprake is van enige misbruik van bevoegdheid of van een bevoegdheidsafwending in hoofde van de Administratie der Douane & Accijnzen; dat daarenboven aangestipt dient te worden dat de facto het onderzoek geenszins opgestart werd door voormelde administratie;

Dat immers de geädieerde onderzoeksrechter op 3 december 1996 aan de Gerechtelijke Politie de opdracht gaf om bijstand te vragen van Douane & Accijnzen gelet op hun specifieke bevoegdheid; dat daarbij aan te stippen valt dat de noodzaak van zulke bijstand voortvloeide uit de techniciteit van de onderzochte materie, zowel wat betreft het onderscheid tussen echte en vervalste kentekens, als de herkenning van op vervalsingen wijzende elementen als wat betreft het inzicht in de toepasselijke regelgeving, waarbij aan te merken is dat juist de ambtenaren van Douane & Accijnzen bij uitstek geschikt waren om bijstand te verlenen, gezien de controle inzake de automatische ontspanningstoestellen aan hun administratie toevertrouwd was;

Overwegende dat er de nadruk op dient gelegd dat te dezen de ambtenaren van Douane & Accijnzen niet zelf een onderzoek hebben ingesteld of gevoerd, doch zij bijstand hebben verleend aan leden van de Gerechtelijke Politie, die onderzoeksverrichtingen uitvoerden;

dat die bijstand is verleend inzake een belastingsmaterie m.b.t. dewelke het op grond van art. 14 van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 aan de ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen toegestaan is vaststellingen te verrichten en waarvan overigens de controle aan hen was toevertrouwd;

dat, waar het aan andere categorieën van belastingambtenaren niet toegestaan is om in een gerechtelijk onderzoek op een andere wijze op te treden dan als getuige, geen wetsbepaling voorligt die aan de ambtenaren van Douane & Accijnzen eenzelfde verbod oplegt;

dat, waar het optreden van ambtenaren van Douane & Accijnzen niet uit technische bijstand bestond, nl. wat betreft de vaststellingen in de talrijke handelszaken waar automatische ontspanningstoestellen van de NV SND A. opgesteld waren, het optreden van die ambtenaren, volledig binnen de perken van de hen door de wet opgelegde bevoegdheden is gebleven;

Overwegende dat verder beklaagde omschrijft dat "Bij beoordeling van de voorliggende strafvordering lijkt volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dan ook opportuun in het geval uw Hof zou overwegen te oordelen dat het optreden van de ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen als rechtmatig kan worden aangemerkt"; dat de omschreven vraag behelst te weten of er schending is van het gelijkheidsbeginsel doordat bijstand van ambtenaren van Douane & Accijnzen in een gerechtelijk strafrechtelijk onderzoek naar een inbreuk op de wetgeving inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen toegelaten is, terwijl zulke bijstand onwettig is, wanneer hij wordt verleend door ambtenaren van de Administratie der directe belastingen of van qe Administratie van de bijzondere belastingsinspectie;

Overwegende - vooreerst - dat een partij, die voorhoudt dat het "opportuun lijkt" een vraag aan het Arbitragehof te stellen, geenszins voorhoudt dat zulke vraag noodzakelijk/onontbeerlijk is, doch enkel stelt de indruk te hebben dat zulke vraag nuttig zou zijn; dat mits zulks motivering de noodzaak tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof onvoldoende is aangetoond;

Overwegende - ten overvloede - dat geen grond tot het stellen van zulke prejudiciële vraag bestaat, nu geen klaarblijkelijke schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt daar het onderscheid tussen ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen en ambtenaren van andere fiscale administraties een redelijke en objectieve verantwoording kent door de specificiteit van de wettelijke opdracht die aan de ambtenaren van Douane & Accijnzen is toebedeeld;

Overwegende dat verder verwezen wordt naar de motivering onder (lIl) inzake prejudiciële vragen aan het Arbitragehof;


II. De ingeroepen schending van art. 6, § 1 en § 2 EVRM en art. 14.1 BUPO

Overwegende dat beklaagde schending van zijn rechten van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces inroept op grond van de stelling dat in casu ambtenaren hun functie van taxatie-ambtenaar zouden hebben afgewisseld met een actieve deelname aan het strafonderzoek, met een ontoelaatbare vermenging van het strafonderzoek en de fiscale procedure tot gevolg, evenals een schending van het geheim karakter van het vooronderzoek en van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke behandeling;

Overwegende dat douane-ambtenaren bijstand hebben verleend bij onderzoeksverrichtingen en zij bij cliënteel van NV SND A. vaststellingen hebben gedaan m.b.t. de aanwezigheid van valse fiscale kentekens op toestellen;

Overwegende dat de belasting, waarover het te dezen gaat een jaarlijkse forfaitaire heffing betreft en de ambtenaren van Douane & Accijnzen ook niet als taxatie-ambtenaren hebben deelgenomen aan bepaalde aspecten van het onderzoek, zodat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van beklaagde geenszins geschonden kunnen zijn; dat om dezelfde redenen evenmin sprake kan zijn van een schending van het geheim karakter van het vooronderzoek;

dat voor zover met het middel van schending van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke behandeling bedoeld wordt dat de onderzoeksrechter door bij bepaalde onderzoeksverrichtingen bijstand te hebben gevraagd van ambtenaren van Douane & Accijnzen, er hier dient op gewezen te worden dat de bedoelde bijstand of uitvoering van technische aard geweest is en gevraagd werd gelet op de bekendheid van de ambtenaren van Douane & Accijnzen met de diverse fiscale kentekens en de moeilijkheid van onderscheiding tussen valse kentekens en echte in situ, d.i. in de plaatsen waar de kwestieuze automatische ontspanningstoestellen opgesteld waren; dat in concreto geen vooringenomenheid ten nadele van beklaagde in hoofde van de onderzoeksrechter aanwezig is geweest door het zich beroepen op de technische steun van de Douane & Accijnzen, daar deze niet geroepen konden zijn tot een taxatie, de taxatie voorbehouden zijnde aan de diensten der Directe Belastingen;

Overwegende dat beklaagde verder ten zijnen nadele het gelijkheidsbeginsel geschonden acht "doordat het fiscaal dossier niet gevoegd is bij het strafdossier"; dat hij daar kennelijk de talrijke fiscale dossiers op naam van horeca-uitbaters, in wiens handelszaak door de NV SND A. een automatisch ontspanningstoestel was geplaatst dat voorzien was van een vals fiscaal kenteken, mee bedoeld; dat beklaagde niet in concreto aanduidt waaruit die schending zou kunnen bestaan; dat het immers niet gaat om een belasting welke op basis van diverse te evalueren gegevens dient te worden geheven, doch om een vast bedrag per toestel, waarbij het enige criterium bestaat in de aanwezigheid van het toestel in de betreffende periode, waarvoor de belasting geheven wordt; dat alle terzake relevante gegevens blijken uit het huidige strafdossier;

dat beklaagde minstens de voorlegging van de fiscale dossiers van belang acht in het kader van de beoordeling van de vorderingen van de burgerlijke partijen;

dat voor zover het middel slaat op de vordering van de Belgische Staat het geen concrete basis heeft; dat immers deze burgerlijke partij bevestiging vraagt van wat haar in eerste aanleg werd toegekend, nl. een schadevergoeding van € … provisioneel, waardoor in wezen enkel principieel wordt beslist dat er door de door beklaagde gepleegde misdrijven een schade is ontstaan zonder dat deze hic et nunc begroot wordt, zodat het belang van de kennis van de diverse fiscale dossiers niet aangetoond is;

dat dit laatste eveneens geldt inzake de vorderingen van horeca-uitbaters, welke beoordeeld worden op grond van de door hen voorgebrachte gegevens, waarbij de kennis van de fiscale dossiers niet aangetoond is;

Overwegende dat beklaagde verder nog inroept dat door het optreden van ambtenaren van Douane & Accijnzen de Belgische Staat veel eerder dan hijzelf kennis zou hebben gehad van de inhoud van het strafdossier; dat hij tengevolge daarvan voorhoudt dat er tussen hem en de Belgische Staat wapenongelijkheid bestaat in het strafproces;

Overwegende dat deze opwerping even absurd is als de eventuele overweging dat integendeel beklaagde bevoordeeld is nu hij als dader van de feiten er het eerst kennis van had;

Overwegende - verder - dat zulke wapenongelijkheid geenszins vermag weerhouden te worden, nu moet worden vastgesteld dat beklaagde in de strafprocedure alle tijd, die hij zich met het oog op het organiseren van zijn verdediging heeft kunnen wensen bekomen heeft, zoals blijkt uit de meerdere uitstellen van behandeling van de zaak op verzoek van beklaagde; dat het strafproces wordt gevoerd op basis van het voorliggende dossier, waarin beklaagde op de meest uitgebreide wijze zijn verdediging heeft kunnen voordragen in een ruim tijdsbestek en het niet blijkt dat de burgerlijke partij de Belgische Staat in het debat voor de rechter bevoordeeld werd;

Overwegende dat beklaagde tenslotte nog met verwijzing naar art. 6 EVRM en art. 14 BUPO inroept dat het non-incriminatiebeginsel geschonden is, doordat hij in het kader van een fiscaal onderzoek van de administratie van directe belastingen gehouden is te antwoorden op gestelde vragen op gevaar af zichzelf te incrimineren en zulks in strijd is met de regel dat niemand gehouden kan worden actief aan zijn eigen veroordeling mee te werken en met het zwijgrecht in de strafprocedure;

Overwegende dat het spanningsveld tussen de gestelde beginselen en de eigenheden van enerzijds een fiscaal controle-onderzoek en anderzijds een strafrechtelijk onderzoek betrekking heeft op de belastingplichtige, lastens wie een strafrechtelijk onderzoek wordt gevoerd en die ten aanzien van bepaalde belastingen gehouden is de belastingadministratie zelf in kennis te stellen van de elementen, die de belastingschuld bepalen;

Dat in casu beklaagde echter niet de belastingplichtige is, die gehouden is tot de middels de valsheden ontdoken heffingen; dat in eerste orde de belastingplichtige immers de NV SDN A. was, die eigenares was van de automatische ontspanningstoestellen en beklaagde in die vennootschap geen enkele officiële functie bekleedde; dat derhalve in hoofde van beklaagde het "nemo tenetur"-beginsel en het zwijgrecht hun volle uitwerking hebben gekregen;

Dat - ten overvloede - het voorliggende strafdossier geen stukken bevat uit een fiscaal controle-onderzoek waarin beklaagde op enigerlei wijze gehouden werd de belastingadministratie zelf in kennis te stellen van de van belang zijnde fiscale elementen;

III De ondergeschikt ingeroepen strijdigheid van de procedure met art. 10 en 11 van de Grondwet

Overwegende dat beklaagde een ganse redenering ontwikkelt, uitgaande van het gegeven dat ingevolge art. 281 AWDA de Administratie van Douane & Accijnzen zelf - met uitzondering wat betreft de vordering tot het opleggen van een gevangenisstraf - de strafvordering uitoefent inzake douane en accijnzen in tegenstelling met andere vormen van belastingen, om te poneren dat zulks een discriminatie uitmaakt in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en in samenhang met art. 6 EVRM;

Dat beklaagde op grond daarvan ertoe concludeert dat aan het Arbitragehof drie prejudiciële vragen dienen te worden gesteld, meer bepaald kort weergegeven als volgt :

1. Of de regeling inzake de bevoegdheden van Douane & Accijnzen in vergelijking met de bevoegdheden van andere administraties van het Ministerie van Financiën het gelijkheidsbeginsel schendt

2. Of art. 281 AWDA het gelijkheidsbeginsel schendt doordat de Administratie van Douane & Accijnzen het recht is toegekend zelf (grotendeels) de strafvordering uit te oefenen, terwijl de andere administraties van het Ministerie van Financiën zulks niet kunnen en zij slechts na machtiging van hun gewestelijke directeur een misdrijf aan de Procureur des Konings kunnen aangeven

3. Of de artikelen 158 tot en met 210 AWDA in samenhang met art. 281 AWDA het gelijkheidsbeginsel schenden doordat, in tegenstelling tot de andere administraties van het Ministerie van Financiën, de Administratie van Douane & Accijnzen over zeer ruime bevoegdheden beschikt die zowel voor louter administratieve oogmerken, als met het oog op burgerrechtelijke vorderingen als met het oog op de uitoefening van de strafvordering kunnen worden gebruikt waardoor de belastingplichtige met een overheidsoptreden wordt geconfronteerd waarvan hij de finaliteit niet kent;

Overwegende dat deze prejudiciële vragen hier elke reële zin ontberen; dat de beantwoording ervan dan ook op de meest volstrekte wijze niet noodzakelijk is om het Hof toe te laten tot een beoordeling van de zaak te komen;

Dat immers de strafvordering niet wordt uitgeoefend door de Administratie van Douane & Accijnzen, doch door het ambt van de Procureur des Konings en ook het strafonderzoek niet gevoerd is door de diensten van Douane & Accijnzen, doch door een onderzoeksrechter, op vordering van de Procureur des Konings;

Dat in casu geen vervolging ingesteld zijnde conform art. 281 AWDA, de desbetreffende regeling van bevoegdheid inzake vervolging niet aan de orde is en er overigens geen ongelijkheid in eenzelfde situatie wordt aangevoerd;

Overwegende - ten overvloede - dat het Arbitragehof reeds bij herhaling heeft geoordeeld (arresten n° 40/2000 d.d. 6/4/2000, n° 73/2000 d.d. 14/6/2000, n° 83/2000 d.d. 21/6/2000, n° 95/2000 d.d. 13/7/2000, n° 141/2000 d.d. 21/12/2000, n° 16/2001 d.d. 14/2/2001) dat de artikelen 267 tot 285, zijnde hoofdstuk XXV van de Algemene Wet van 18 juli 1977 inzake Douane & Accijnzen niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden inzoverre zij inzake douane en accijnzen in een regeling van de strafvordering en van de strafrechtspleging voorzien die verschilt van de strafvordering en de strafrechtspleging in het algemeen; dat de vragen, die beklaagde beoogt te laten stellen, daardoor in wezen beantwoord zijn;

dat enkel inzake de artikelen 222 en 265 AWDA een onverenigbaarheid met de Grondwet werd weerhouden door het Arbitragehof, doch deze bepalingen hier niet terzake zijn;

Overwegende dat de vraagstelling onder (3) dermate omvattend is dat zij in feite neerkomt op de vraag of het 'bijzondere strafrecht' te dezen in het algemeen al dan niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat beklaagde in essentie nalaat op afdoende wijze aan te duiden waarin precies de schending van de regels, waaraan het Arbitragehof toetst, zou bestaan en het Hof zich overigens niet van de indruk kan ontdoen dat beklaagde wellicht middels extensieve vraagstellingen poogt de rechtsgang nodeloos te rekken en hij de hem door de wet ter zijner verdediging ter beschikking gestelde mogelijkheden wil aanzien als een in zijnen hoofde tot rechtsmisbruik neigend dilatoir rechtsmiddel;

dat hierbij in de conclusies van beklaagde opvalt dat hij wel degelijk op de hoogte is van de door rechtspraak van het Arbitragehof inzake de Algemene Wet inzake Douane & Accijnzen en hij desalniettemin prejudiciële vragen gesteld wenst te zien, waarvan hij pertinent weet dat ze - minstens voor het overgrote deel - al beantwoord zijn;

Overwegende dat de bijzondere regelgeving inzake douane en accijnzen verantwoord is door de noodzaak om in een bijzonder technische materie omvangrijke en frequente fraude efficiënt te kunnen bestrijden; dat geen onevenredigheid bestaat met de terzake door de wetgever nagestreefde doelstellingen;

dat nu de antwoorden op de vooropgestelde prejudiciële vragen in wezen reeds gekend zijn en zij daarenboven niet onontbeerlijk zijn om te dezen uitspraak te doen, het verzoek tot vraagstelling wordt afgewezen, waarbij ook de overige door beklaagde in conclusies aangehaalde argumenten niet van aard zijn op enigerlei wijze afbreuk te doen aan deze besluitvorming;

dat beklaagde geenszins op overtuigende wijze aanduidt op welke gronden hij verdere prejudiciële vragen noodzakelijk acht, gelet op de uitgebreide rechtspraak van het Arbitragehof inzake de AWDA;

IV. De ongeschikt ingeroepen nietigheid van onderzoeksdaden, gesteld in aanwezigheid van/door douane-ambtenaren

Overwegende dat beklaagde onder verwijzing naar art. 87 WIGB aanvoert - enerzijds - dat de ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen niet vermogen een rechtstreeks op het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gericht onderzoek uit te voeren en - anderzijds - dat moesten zij toch bevoegd geacht worden zij slechts bevoegdheid hebben om controlemaatregelen uit te voeren in de lokalen waar automatische ontspanningstoestellen zijn opgesteld, terwijl zij in andere dan zulke lokalen onderzoeksdaden hebben verricht; dat daaruit de nietigheid wordt afgeleid "van de onderzoeksdaden, gesteld in aanwezigheid van en door de ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen, en van alle daarop steunende akten";

Overwegende dat, zoals reeds eerder gesteld, uit het voorliggende dossier blijkt dat de opdracht tot controle op de automatische ontspanningstoestellen door de overheid toebedeeld was geworden aan de Administratie van Douane & Accijnzen; dat tevens dient verwezen te worden naar art. 14 van het KB van 8 juli 1970;

Overwegende dat herhaald weze dat de ambtenaren van de Administratie van Douane & Accijnzen niet op zichzelf onderzoeksdaden hebben gesteld buiten zulke bedoelde lokalen, doch zij enkel technische bijstand hebben verleend aan leden van de gerechtelijke politie bij het uitvoeren van huiszoekingen en bij bepaalde verhoren;

V. De vordering tot heromschrijving van de feiten der tenlasteleggingen

Overwegende dat het Openbaar Ministerie bij conclusies, neergelegd ter zitting van 21 mei 2003, vordert dat de feiten der tenlasteleggingen worden heromschreven; dat de heromschrijvingen slaan op de omschrijving van het opzet;

Dat beklaagde regelmatig in kennis werd gesteld van deze vordering en hij in de gelegenheid werd gesteld zijn verdediging terzake voor te dragen; dat immers op verzoek van beklaagde de zaak ter zitting van 26 maart 2003 werd uitgesteld teneinde hem toe te laten de hem reeds meegedeelde conclusies van o.m. het Openbaar Ministerie te kunnen beantwoorden;

Overwegende dat inzake tenlasteleggingen A en B (nI. de gemeenrechtelijke valsheden en het gebruik ervan) de heromschrijving van het opzet wordt gevorderd in "nl. door fiscale kentekens, die volgens de wet dienen aangebracht te worden op automatische ontspanningstoestellen, te hebben nagemaakt en vervalst, met het bedrieglijk opzet de verschillende horeca-uitbaters, aan wie contractueel de ontspanningstoestellen mét fiscaal kenteken dienden geleverd te worden, te benadelen door ze te doen betalen voor de helft van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen en deze gelden voor zichzelf te houden in plaats van deze gelden door te storten aan de fiscus zoals contractueel overeengekomen";

Overwegende dat gemeenrechtelijke valsheden en gebruik met het opzet om een medecontractant financieel te benadelen andere feiten opleveren dan gemeenrechtelijke valsheden en gebruik met het opzet om fiscale rechten te ontduiken, tenlasteleggingen waarvoor beklaagde door de onderzoeksgerechten verwezen werd;

Dat daarenboven moet vastgesteld worden dat in een beduidend aantal gevallen de horeca-uitbater geen deel van de kostprijs van de fiscale kentekens diende te dragen, terwijl in de gevallen waarin een verdeling van de kostprijs der fiscale kentekens wél contractueel was overeengekomen, zulks niet steeds op alle toestellen betrekking had en het door de horeca-uitbater te dragen gedeelte ook niet steeds de helft van de taksen bedroeg; dat de verdelingswijze niet bestond in een 'inning' door beklaagde, die zich contractueel zou verbonden hebben de geïnde gelden door te storten aan de fiscus, doch wel in een periodieke bijdrage door de horeca-uitbater in beweerdelijk reeds voorafgaandelijk betaalde taksen;

Overwegende dat zodoende geen grond bestaat tot heromschrijving van de tenlasteleggingen A en B, te meer daar dit zou leiden tot een splitsing van die tenlasteleggingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de concrete feiten door het maken van een onderscheid naargelang de verschillende draagwijdte van de tussen de horeca-uitbaters en de NV SND A. afgesloten overeenkomsten, terwijl zulke uitsplitsing niet toelaatbaar is;

Overwegende dat de gevorderde heromschrijving van de tenlasteleggingen C en D (fiscale valsheden en gebruik) wél gegrond is, daar mits die heromschrijvingen het aan de betreffende feiten ten grondslag liggende opzet enkel nauwkeuriger omschreven wordt en dit zonder dat de tenlastegelegde feiten worden gewijzigd;

Dat derhalve heromschreven wordt als volgt :

- tenlastelegging C wat het opzet betreft : "... nl. door fiscale kentekens die volgens de wet dienen aangebracht te worden op automatische ontspanningstoestellen te hebben nagemaakt en vervalst met het bedrieglijk opzet de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, die verschuldigd is aan de Belgische Staat of het Vlaams Gewest, te ontduiken"

- tenlastelegging D : "En met hetzelfde bedrieglijk opzet of hetzelfde oogmerk om te schaden, gebruik gemaakt hebbende van voormelde nagemaakte en vervalste fiscale kentekens, van 12 januari 1995 tot 9 december 1996, op niet nader bepaalde tijdstippen"

Overwegende dat feiten van valsheid in geschrifte en gebruik waarbij alleen de ontduiking van fiscale rechten beoogd is niet vallen onder de toepassing van de artikelen 193 en volgende van het Strafwetboek, doch zij louter door de fiscale wetgeving beteugeld worden;

Overwegende derhalve dat de feiten der tenlasteleggingen A en B zich vereenzelvigen met deze der tenlasteleggingen C en D;

VI. De ingeroepen onwettigheden/nietigheden van de regelgeving inzake automatische ontspanningstoestellen

Overwegende dat beklaagde stelt dat geen wettelijke basis voorhanden is tot inkohiering en vestiging van de belastingaanslagen voor de automatische ontspanningstoestellen, waarvoor hij bekende vignetten nagemaakt te hebben en dit op grond van de argumentatie, hierna sterk verkort weergegeven :

1. Dat de lezing van art. 90 van de wet van 8/8/80 betreffende de budgettaire voorstellen 79-80 (basis tot wijziging van de artt. 79 en 80 WIGB) aanduidt dat de wetgever geen enkel fundamenteel element voor de wijziging van die artt. 79 en 80 heeft gegeven, zodat die wijzigingen als onwettelijk moeten worden aanzien;

2. Dat art. 79 WIGB werd gewijzigd door de bepalingen van art. 8 KB 22/8/80, genomen in uitvoering van art. 90 van de wet van 8/8/80, doch dat KB nooit ter bekrachtiging voorgelegd werd aan de wetgevende kamers, waardoor het geen rechtskracht heeft wegens schending van art. 105 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, zodat het oud art. 79 WIGB van toepassing is gebleven;

3. Dat dezelfde redenering geldt met betrekking tot art. 80 WIGB, welk het bedrag van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen bepaalt, zodat nog het oud art. 80 geldt, welk in veel lagere belastingen voorziet;

Dat daaruit tevens volgt dat de wijzigingen, die later werden aangebracht aan de tekst van art. 80, zoals bedoeld in art. 9 KB 22/8/80, evenmin rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en zulks ook geldt voor art. 62 van het Decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 21/12/90, waarbij art. 80 WIGB werd gewijzigd middels verhoging van de omvang van de belastingen op automatische ont- spanningstoestellen;

4. Dat het nieuw art. 56 KB 8/7/70 (houdende algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen) onwettig is ingevolge ongrondwettige wijziging door art. 6 van het KB van 10/11/80 en ingevolge het ontbreken van overleg in de Ministerraad;

Dat die onwettigheid niet enkel voortvloeit uit het gegeven dat dit art. 56 de ontspanningstoestellen rangschikt in vijf categorieën in uitvoering van het nieuw art. 79 WIGB, welk onwettig is, doch daarenboven de onwettigheid ook voortvloeit uit het gegeven dat het huidig art. 56 ingevoerd werd door art. 6 KB 10/11/80, welk een gevolg is van de wijzigingen aangebracht door art. 8 KB 22/8/80 in uitvoering van art. 90 van de wet van 8/8/80, terwijl dit art. 90 de verplichting oplegde dat de wijzigingen door de Koning dienden te worden uitgevoerd bij in Ministerraad overlegde besluiten, zodat door wijzigingen door te voeren aan art. 56 KB 8/7/70 de Koning de gedelegeerde bevoegdheid (welke enkel voorzag in de mogelijkheid tot wijzigingen aan het WIGB) overschreed en daarenboven blijkt dat het KB 10/11/80 niet in de Ministerraad werd overlegd;

Dat derhalve nog steeds het oud art. 56 KB 8/7/70 van kracht is, doch het ook in die versie onwettig is, doordat het oud art. 56 KB 8/7/70 genomen is in uitvoering van het oud art. 79 WIGB, welk uitdrukkelijk voorzag in zes categorieën van automatische ontspanningstoestellen, daar waar het oud art. 56 KB 8/7/70 slechts voorziet in vijf categorieën, met als gevolg dat er nooit een rechtsgeldig uitvoeringsbesluit heeft bestaan m.b.t. de rangschikking van de types ontspanningstoestellen, zodat de eventueel te weerhouden belastingbedragen, voorzien in art. 80 (oud of nieuw) WIGB niet kunnen worden vastgelegd per type toestel;

5. Dat hoe dan ook en minstens het nieuw art. 56 KB 8/7/70 nietig is ingevolge miskenning van het nieuw art. 79 WIGB, vermits dit voorschrijft dat de rangschikking van de types toestellen in één van de vijf categorieën geschiedt na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen en zulke raadpleging nooit heeft plaatsgevonden, minstens niet aangetoond wordt dat zij er geweest is;

Overwegende dat bij art. 90 van de wet van 8/8/80 betreffende de budgettaire voorstellen 79-80 aan de Koning tot 31/12/80 de mogelijkheid werd gegeven om, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de grondslagen, aanslagvoeten en aanslagmodaliteiten van de in de titels III en IV van het WIGB omschreven belastingen te wijzigen, met de mogelijkheid die belastingen uit te breiden tot spelen, weddenschappen en automatische ontspanningstoestellen die er thans niet aan onderworpen zijn;

Overwegende dat de door beklaagde inzake dit art. 90 ontwikkelde argumentatie in wezen tot doel heeft de strijdigheid ervan met de Grondwet op te werpen; dat evenwel Hoven en Rechtbanken niet bevoegd zijn om wetten aan de Grondwet te toetsen;

Overwegende dat beklaagde ten onrechte rechtskracht ontzegd aan art. 79 WIGB, zoals gewijzigd door art. 8 KB 22/8/80; dat immers art. 90 van de wet van 8/8/80 geenszins de bekrachtiging door de Wetgevende Kamers oplegt van enig Koninklijk Besluit, dat in uitvoering van dat art. 90 zou worden genomen en dit in tegenstelling tot het art. 91 van de wet van 8/8/80, waarbij de Koning tijdelijk werd gemachtigd een accijns of een speciale taks in te stellen op bepaalde luxe-goederen, waarbij zulke bekrachtiging wél wordt opgelegd middels § 3, waarin wordt gesteld dat aan de Wetgevende Kamers over de (in uitvoering van art. 91) genomen maatregelen verslag zal worden uitgebracht; dat verder niet door beklaagde wordt aangeduid op welke wijze het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod door de voornoemde wijziging van art. 79 WIGB zouden geschonden zijn;

Dat overigens het verschil tussen art. 90 van de wet 8/8/80 en het art. 91 van dezelfde wet er o.m. in gelegen is dat de aan de Koning verleende bevoegdheid m.b.t. automatische ontspanningstoestellen geen betrekking heeft op de invoering van een belasting, doch enkel op een aanpassing van een bestaande regeling, terwijl m.b.t. luxe-producten bij art. 91 wél de macht wordt verleend tot het invoeren van een tax of accijns, wat de bekrachtiging door de Wetgevende Kamers noodzaakt;

Overwegende dat hetzelfde als inzake art. 79 WIGB geldt wat betreft de wijziging van art. 80 WIGB bij art. 9 KB 22/8/80; dat de wijziging van art. 80 niet de invoering van enige belasting betreft, doch enkel de aanpassing van de omvang van een reeds bestaande belasting;

Overwegende - ten overvloede - dat in de periode van de incriminatie de omvang van de te betalen belastingen niet bepaald werd door art. 80 WIGB, zoals gewijzigd bij art. 9 KB 22/8/80, doch wel door art. 62 van het Decreet van 21/12/90 van de Vlaamse Gemeenschap, de belasting op de automatische ontspanningstoestellen alsdan krachtens de bepalingen van de wet van 16/1/89 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten een gewestelijke materie geworden zijnde;

Overwegende dat beklaagde ten onrechte inroept dat de wijziging van art. 56 KB 8/7/70, houdende algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, door art. 6 KB 10/11/80 onwettig zou zijn omdat dit laatste Koninklijk Besluit niet in de Ministerraad werd overlegd;

Dat het art. 79, § 2 WIGB, zoals gewijzigd door art. 8 KB 22/8/80, bepaalt dat de categorie waarin een bepaald type van automatisch ontspanningstoestel moet worden gerangschikt door de Koning wordt bepaald; dat geenszins op enigerlei wijze is opgelegd dat zulks zou dienen te gebeuren middels in de Ministerraad overlegde Koninklijke Besluiten;

Overwegende dat geenszins sprake is van een overschrijding door de Koning van een aan Hem gedelegeerde bevoegdheid door de wijziging van art. 56 KB 8/7/70 middels art. 6 KB 10/11/80;

Dat immers het Koninklijk Besluit van 8/7/70 niet werd uitgevaardigd op grond van enig bijzondere machtenbesluit, waarbij aan de Koning de bevoegdheid zou zijn verleend om tijdelijk in de door de bijzondere machtenwet aangeduide aangelegenheden de geldende wetgeving op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen;

Dat het Koninklijk Besluit van 8/7/70 de alsdan nog van kracht zijnde uitvoeringsbepalingen van de wetgeving betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen heeft samengevoegd, gewijzigd en aangevuld; dat de regelgeving, waarbij wordt bepaald welke automatische ontspanningstoestellen gerangschikt dienen te worden onder welke door de wet bepaalde categorieën, een wetsuitvoerend karakter heeft, welk bij gewoon Koninklijk Besluit wordt geregeld; dat de wijziging van die bestaande regeling teneinde ze aan te passen aan de door een wetsbepaling nieuw gestelde categorieën-indeling evenzeer wetsuitvoerend is;

Overwegende dat door geen bepaling de verplichting is opgelegd om de bepalingen, genomen bij het KB 10/11/80 in de Ministerraad over te leggen;

Overwegende dat bij art. 79, § 2 WIGB, zoals gewijzigd door art. 8 KB 22/8/80, aan de Koning de bevoegdheid is verleend de diverse automatische ontspanningstoestellen toe te wijzen aan één van de categorieën, vastgelegd in art. 79, § 1 WIGB en daarbij de raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen is opgelegd;

Overwegende dat de door beklaagde voorgelegde stukken, strekkende tot bewijs van de afwezigheid van zulke raadpleging, daartoe niet volstaan, waar zij onvoldoende zekerheid bieden;

Dat anderzijds de Belgische Staat stukken voorbrengt, welke naar bewering aantonen dat er wél een raadpleging zou geweest zijn;

dat evenwel deze stukken voor een groot deel betrekking hebben op andere met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen dan deze op de automatische ontspanningstoestellen, zij voor zover zij op deze toestellen betrekking hebben niet handelen over de toewijzing aan categorieën en zij daarenboven dateren van voor hogervermeld KB van 22/8/80, zodat zij onmogelijk het bewijs van raadpleging van beroepsverenigingen in uitvoering van de bij dit KB desbetreffend uitgevaardigde bepalingen kunnen opleveren;

Overwegende dat in de aanhef van het KB van 10/11/80 geenszins wordt gesteld dat de raadpleging van de beroepsverenigingen heeft plaatsgevonden; dat evenmin andere elementen voorliggen welke toelaten aan te nemen dat zulke raadpleging er geweest is;

Overwegende dat gelet op deze elementen te dezen niet anders besloten kan worden dan dat niet bewezen is dat de vereiste van raadpleging van de beroepsverenigingen werd nageleefd;

Dat zulks niet leidt tot nietigheid, zoals beklaagde voorhoudt, doch wel in toepassing van art. 159 van de Grondwet tot de niet-toepassing in huidige procedure van de door art. 6 KB 10/11/80 aan art. 56 KB 8/7/70 aangebrachte wijzigingen; dat aldus dit art. 56 geacht wordt niet gewijzigd te zijn door art. 6 KB 10/11/80, zodat hier de voordien geldende toewijzing van toestellen aan categorieën geacht wordt te gelden;

Overwegende dat beklaagde eveneens de onwettigheid inroept van art. 56 KB 8/7/70 in de versie, zoals bestaande tot voor de toepassing van de wijziging, aangebracht bij art. 6 KB 10/11/80, zoals hoger reeds uiteengezet;

Overwegende dat art. 79 § 1 (oud, d.i. voor de wijziging door art. 8 KB 22/8/80) WIGB voorzag in zes categorieën van automatische ontspanningstoestellen, nl. de categorieën A, B, C, D, E en F; dat art. 56 (oud, d.i. voor de wijziging door art. 6 KB 10/11/80) KB 8/7/70 de omschreven toestellen toewees aan vijf categorieën, nl. A, C, D, E en F·,

Dat de omstandigheid dat het KB 8/7/70 geen automatische ontspanningstoestellen toewees aan de categorie B geenszins de onwettigheid van de bepalingen van art. 56 (oud) KB 817/70 voor gevolg heeft en het derhalve niet zo is dat er nooit een rechtsgeldig uitvoeringsbesluit m.b.t. de rangschikking van de types ontspanningstoestellen zou bestaan hebben;

Overwegende dat door de stukken van het onderzoek duidelijk aangetoond wordt dat de vignetten, aangeduid als A1, betrekking hebben op bingo-toestellen en de vignetten, aangeduid als E1 op video-toestellen;

Overwegende dat art. 56 (oud) KB 8/7/70 aan categorie A toewees :

a) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk" Bingo" genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang het type van toestel, op het paneel van het verticaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;

b) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk "One Ball" genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een der gaten dat hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;

Overwegende dat art. 56 (nieuw, d.i. versie ingevolge wijziging zoals hoger behandeld) KB 8/7/70 aan categorie A toewees :

a) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk "Bingo" genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang het type van toestel, op het paneel van het verticaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;

b) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk "One Ball" genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een der gaten dat hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;

c) de automatische ontspanningstoestellen, inbegrepen deze bedoeld sub 3° tot 5° hierna, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste tweehonderd vijftig frank;

Overwegende dat dus vast te stellen is dat de bingo-toestellen (op woordelijk identieke wijze gedefinieerd) onveranderlijk toegewezen gebleven zijn aan de categorie A, zodat de wijziging van art. 56 KB 8/7/70 door art. 8 KB 10/11/80 - ongeacht de al dan niet toepasselijkheid ervan tussen partijen - in wezen geen verschil heeft doen ontstaan ten opzichte van de voordien geldende toestand;

Overwegende dat zulks wél het geval is wat betreft de toestellen, gerangschikt onder de categorie E; dat in het regime van art. 56 (oud) KB 8/7/70 onder die categorie werden ingedeeld :

a) de automatische platenspelers, met inbegrip van die gewoonlijk "Juke-box" genaamd, welke uitsluitend muziek verspreiden, zelfs indien ze op afstand in werking worden gesteld;

b) de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van schijven vereisen;

c) de automatische schietapparaten, wanneer de inzet per partij en per gebruiker, zelfs toevallig, meer dan twee frank bedraagt;

d) de elektrische golf-, hockey- en voetbalspelen, het elektrisch balspel van het model "Spinner': alsmede de automatische toestellen van het model "Base-ball", "Basket-ball", "Drop-ball", "Skee-ball", "Skee-fun", "AII-Star- Bowler", ''Ten Strike";

terwijl het art. 56 (nieuw) KB 8/7/70 deze aldus omschreven toestellen onderbrengt in de categorie D en onder E rangschikt :

"Alle automatische ontspanningstoestellen die ter uitvoering van art. 79, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen bij de Minister van Financiën werden aangegeven en die niet in een van de categorieën A tot D zijn gerangschikt";

omschrijving die een gelijkaardige betekenis heeft als deze welke in categorie F onder onderverdeling (k) van art. 56 (oud) KB 8/7/70 was omschreven;

Overwegende dat daaruit volgt dat, waar hier de wijziging aan art. 56 KB 8/7/70, zoals aangebracht bij art. 6 KB 10/11/80, niet geldt de toewijzing van de als "video" omschreven toestellen aan categorie E in de periode van incriminatie niet in overeenstemming is met de bij art. 56 (oud) KB 8/7/70 vastgelegde toewijzingen;

Dat daaruit verder resulteert dat in huidige procedure de wettelijke basis voor het misdrijf van fiscale valsheid en gebruik ten aanzien van de namaking van de kentekens E1 ontbreekt;

V. Inzake de tenlastegelegde feiten

Overwegende dat beklaagde geenszins betwist de in de tenlasteleggingen C en D opgesomde fiscale vignetten te hebben nagemaakt middels gebruik van een kleurenfotocopietoestel en een plastificeermachine en die vignetten te hebben aangebracht op automatische ontspanningstoestellen van enerzijds het type "bingo" en anderzijds het type "video", dit alles met het bedrieglijke opzet om alzo valselijk voor te houden dat door de NV SND A. de op de betreffende toestellen verschuldigde belastingen betaald waren;

Overwegende dat de gegevens van het strafonderzoek het overtuigende bewijs opleveren van de in die tenlasteleggingen omschreven valsheden en gebruik, alsmede van het bedrieglijk opzet, evenwel met uitzondering van de fiscale kentekens E1, vermits desbetreffend de wettelijke basis van de belasting - en derhalve van de ten laste gelegde misdrijven - geacht moet worden te ontbreken;

Dat beklaagde weliswaar de E1 kentekens voor het jaar 1996 nagemaakt heeft en deze betrekking hadden op "video's", terwijl in de regeling, die geacht wordt ten aanzien van beklaagde te gelden, video's niet onder de categorie E vielen en voor de toestellen, die in deze regeling wél onder de categorie E vielen, de kentekens E1 voor het jaar 1996 niet geldig konden zijn;

Dat derhalve de lastens beklaagde gelegde feiten C en D - de feiten A en B ermee vereenzelvigd zijnde - bewezen zijn, behoudens wat de vervalsing van kentekens E1 en hun gebruik betreft; dat deze feiten zich vermengen als zijnde gepleegd met eenzelfde strafbaar opzet;

VI. De door beklaagde gevraagde opschorting en de ingeroepen overschrijding van de redelijke termijn

Overwegende dat de feiten uitermate ernstig zijn, vermits de doelstelling van de gepleegde feiten bestond in de ontduiking van belastingen ter waarde van meerdere tientallen miljoenen franken;

Dat de feiten getuigen van een erg misdadige ingesteldheid, gelet op de planning, die noodzakelijk was om de vervalsing van officiële kentekens te kunnen realiseren, en de veelvuldigheid van het gebruik;

Dat daarbij werd gehandeld uit illegaal en gemakkelijk winstbejag ten voordele van de NV SND A., waarbij niet in het minst rekening werd gehouden met de belangen van derden, zoals de café-uitbaters, welke ingevolge de niet-betaling van de belastingen door de fiscus konden worden aangesproken en die in vele gevallen zeer beduidende percentages (tot 70 %) van de als betaald zijnde voorgehouden belasting dienden af te korten aan de NV SND A.;

Dat tevens geldt dat de feiten van aard zijn geweest de maatschappelijke orde door aantasting van de werking der fiscale regels ernstig te verstoren en zij een zodanige omvang hadden dat de normale werking van de sector van de automatische ontspanningstoestellen ontwricht kon worden;

Overwegende dat beklaagde vruchteloos aanspraak maakt op het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling; dat zulke maatregel immers een buitengewone gunst is, welke een uitzonderlijk karakter dient te behouden en hij ertoe strekt te voorkomen dat een veroordelende maatregel buiten zijn normalerwijze te voorziene gevolgen en/of de eraan verbonden publiciteit, voor de beklaagde een onevenredige sociaal-economische declassering zou meebrengen, terwijl de elementen, waarover het Hof thans beschikt, niet toelaten aan te nemen dat deze redengeving in casu voorhanden is;

Overwegende dat beklaagde in het verleden reeds werd veroordeeld hoofdens valsheid in geschrifte en gebruik in fiscale aangelegenheden, zodat hij niet aan zijn proefstuk toe is; dat de omvang van de feiten wijst op een zekere schaamteloosheid, waarbij het nagestreefde voordeel boven elk ander belang wordt geplaatst, terwijl de duurtijd van de feiten aangeeft hoezeer beklaagde in zijn illegale praktijken is blijven volharden;

Overwegende dat rekening houdend met zowel de feiten zelf als met de persoon van beklaagde een zeer strenge bestraffing vereist is, waarbij zowel een gevangenisstraf als een geldboete dienen te worden opgelegd;

Overwegende dat beklaagde overschrijding van de redelijke termijn van berechting inroept;

Dat het onderzoek snel kon beëindigd worden, gezien beklaagde reeds kon worden gedagvaard tegen de zitting van 27/6/97 van de raadkamer ter regeling van de rechtspleging;

Dat alsdan de zaak op verzoek van beklaagde werd uitgesteld, zij werd behandeld ter zitting van 26/9/97 en in voortzetting werd gesteld, om naderhand nog te worden uitgesteld; dat beklaagde nog ter zitting van 23/1/98 besluiten neerlegde, waarop de zaak werd uitgesteld om het Openbaar Ministerie toe te laten te antwoorden; dat na in beraadname op 27/2/98 uitspraak volgde op 27/3/98, waartegen hoger beroep werd ingesteld door beklaagde;

Dat alsdan de verdere behandeling een ernstige vertraging opliep doordat de zaak pas op de zitting van 28/4/2000 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd vastgesteld, waarop door het Openbaar Ministerie uitstel werd gevraagd teneinde te antwoorden op de besluiten van beklaagde; dat vervolgens de zaak in beraad werd genomen op 6/6/2000 en uitspraak volgde op 9/11/2000, wat enige vertraging inhoudt;

Dat beklaagde vervolgens cassatieberoep instelde op 23/11/2000 en hij uiteindelijk zonder berusting afstand van voorziening deed, waarvan hem akte werd verleend bij arrest van 27/3/2001;

Dat binnen redelijke termijn hierna, zijnde op 26/7/2001, beklaagde werd gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Turnhout op de zitting van 21/11/2001, op dewelke beklaagde uitstel vroeg teneinde hem toe te laten besprekingen te voeren met de diverse burgerlijke partijen;

Dat beklaagde op de daaropvolgende zitting van 20/2/2002 opnieuw om uitstel verzocht, wat hem niet werd toegestaan, waarop hij verkoos verstek te laten;

Dat het beroepen (verstek)vonnis werd uitgesproken op 20/3/2002;

Dat ingevolge opdrachten d.d. 10/6/2002 tot vaststelling de zaak in hoger beroep kon worden ingeleid ter zitting van 13/11/2002, waarop de partijen uitstel vroegen teneinde te concluderen;

Dat op de zitting van 26/3/2003 aan beklaagde een laatste uitstel werd toegestaan teneinde hem toe te laten te antwoorden op besluiten van de Belgische Staat; dat de zaak na voortgezette behandeling in beraad werd genomen op 18/6/2003; dat het beraad geruime tijd duurde;

Overwegende dat er in elk stadium van behandeling uitstellen geweest zijn om te concluderen dan wel om te onderhandelen;

Overwegende dat de tijdsperiode, die in totaal verliep ingevolge verzoeken om uitstel van behandeling - zijnde overwegend verzoeken van beklaagde - te begroten is op bijna anderhalf jaar, wat te dezen niet abnormaal te noemen is;

Overwegende dat er immers rekening moet gehouden worden met het gegeven dat een volledige procedure van regeling van rechtspleging doorlopen werd en een procedure ten gronde in eerste aanleg en in hoger beroep; dat de langere behandelingsduur voor een groot deel kan toegeschreven worden aan het technisch-juridisch ingewikkeld karakter van de betwistingen;

Dat verder een geruim tijdsverloop te bespeuren valt in periodes van beraad; dat er een ernstig tijdsverloop van ruim twee jaar is geweest in de procedure van regeling van rechtspleging tussen eerste aanleg en hoger beroep, welk slechts in beperkte mate verantwoord wordt door de omvang en het ingewikkelde en zeer specifieke karakter van de ingeroepen technisch-juridische betwistingen;

Overwegende, besluitend, dat alle omstandigheden in acht genomen er slechts sprake is van verstrijking van de redelijke termijn in de mate dat de berechting van beklaagde sneller had kunnen plaatsvinden, nl. uiterlijk binnen de vier jaar na de aanvang van het onderzoek, daar waar thans een termijn van ruim zes jaar verstreken is;

Overwegende dat die overschrijding van de redelijke termijn te dezen niet van aard is aanleiding te geven tot een eenvoudige schuldigverklaring of het uitspreken van een straf, lager dan de wettelijke minimumstraf, vermits zulke maatregelen hier niet in verhouding staan tot de ernst van de overschrijding; dat er wel aanleiding bestaat er rekening mee te houden bij de bepaling van de strafmaat;

Overwegende dat, dit alles in acht genomen, de hierna bepaalde bestraffing wordt opgelegd; dat de geldboete tevens aangepast is aan het nagestreefde illegale voordeel;

Overwegende dat beklaagde zich nog in een toestand bevindt, waarin hem uitstel van tenuitvoerlegging kan worden toegestaan; dat het, mede gelet op het tijdsverloop, gepast is dit voordeel te verlenen voor het geheel van de hoofdgevangenisstraf, teneinde beklaagde er toe aan te zetten zich in de toekomst te onthouden van strafbare feiten;

dat bij dit alles op te merken is dat zonder overschrijding van de redelijke termijn een bestraffing ten belope van een minstens deels effectieve hoofdgevangenisstraf, hoger dan thans opgelegd, en een hogere geldboete gerechtvaardigd ware;

IX. Overige beslissingen op strafgebied

Overwegende dat het bestreden vonnis niet voor kritiek vatbaar is inzake zijn beslissingen m.b.t. de verwijzing van beklaagde in de kosten, begroot op € …, zijn verwijzing in betaling van een vergoeding van € …, zijn verwijzing in betaling van een bijdrage tot financiering van het Fonds tot Hulp van de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden ten belope van € …, zijn beslissing tot het bevelen van de doorhaling van de valse stukken, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout onder OS 520/97 (VS 55/97) en zijn beslissing tot verbeurdverklaring van een plastificeermachine Meiko MS (OS 3304/96) en boekhoudkundige bescheiden (OS 519/97);

Overwegende dat het Openbaar Ministerie ter zitting van 21/5/2003 schriftelijk de bijzondere verbeurdverklaring op grond van art. 43bis Sw vorderde van vermogensvoordelen, begroot op … Fr, hetzij € …;

Overwegende dat beklaagde inroept dat zulke verbeurdverklaring ontoelaatbaar is, daar het ontduiken van belasting op zich geen crimineel vermogensvoordeel genereert, minstens moet worden vastgesteld dat zich in het patrimonium van beklaagde geen vermogensvoordeel uit hoofde van de vervolgde feiten bevindt en tenslotte een vermogensvoordeel uit een belastingontduiking niet in het vermogen identificeerbaar is zodat het niet kan worden verbeurd verklaard;

Overwegende dat de fiscale kentekens gelden als bewijs van betaling van de belasting; dat door ze na te maken en te gebruiken vermogensvoordelen werden gecreëerd, gelijk aan de belasting, die alzo op illegale wijze "uitgespaard" werd;

dat het niet is omdat vermogensvoordelen die verkregen zijn door een illegale "besparing", uitgedrukt in een financiële waarde, niet individualiseerbaar zijn dat ze geen vermogens-voordelen uit misdrijf vormen in de zin van art. 42, 3° Sw; dat de niet-individualiseerbaarheid van een in geld uitgedrukte waarde de verbeurdverklaring geenszins in de weg staat, daar zij bij equivalent geschiedt;

dat voor deze verbeurdverklaring geenszins vereist is dat de vermogensvoordelen zich in het patrimonium van beklaagde bevinden; dat immers luidens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek, de bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, door de rechter in elk geval kan worden uitgesproken en aldus deze zaken om reden van hun delictuele oorsprong kunnen worden verbeurd verklaard zonder dat zij daarom eigendom moeten zijn van de veroordeelde;

Overwegende dat uit de voor bijzondere verbeurdverklaring in aanmerking te nemen vermogensvoordelen deze, gecreëerd door vervalsing van kentekens E1 dienen geweerd te worden;

Overwegende dat het aantal valse kentekens A1, aangemaakt en gebruikt door beklaagde, 188 bedraagt (het verschil tussen het aantal door de NV SND A. uitgebate bingo-toestellen en het aantal door deze vennootschap voor 1996 aangekochte kentekens A1), aantal dat overeenstemt met de overige gegevens van het strafdossier;

dat de belasting per toestel … Fr bedragend het vermogensvoordeel dient bepaald te worden op 188 x … = … Fr of € …, bedrag welk ten laste van beklaagde op grond van art. 42, 3° Sw verbeurd dient te worden verklaard als zijnde rechtstreeks uit het misdrijf verkregen;

X. Op burgerlijk gebied

a. De vordering van horeca-uitbaters

Overwegende dat de burgerlijke partijen E. D., M. D. en A. S. de bevestiging nastreven van de over hun vorderingen genomen beslissingen;

Overwegende dat de burgerlijke partij C. stelt incidenteel beroep in te stellen tegen "het vonnis van 20 februari 2002", waarbij duidelijk is dat zij beoogt op te komen tegen het bestreden vonnis van 20 maart 2002; dat zij thans de veroordeling van beklaagde vordert tot betaling van € … en tot betaling van een morele schadevergoeding van € …, beide bedragen meer de vergoedende intresten vanaf 12/5/98, de gerechtelijke intresten en de kosten; dat alzo gesteld deze vordering een incidenteel beroep inhoudt wat betreft de intresten en de morele schadevergoeding;

Dat dit incidenteel beroep ontvankelijk is (zie hoger);

Overwegende dat de burgerlijke partij BVBA D. Z. thans de veroordeling van beklaagde tot betaling van provisioneel € … en van provisioneel € …, meer de vergoedende intresten "vanaf de datum der feiten", vordert; dat zulks neerkomt op een impliciet incidenteel beroep, welk ontvankelijk voorkomt (zie hoger);

Overwegende dat de burgerlijke partij J. B. en P. M. thans elk de veroordeling van beklaagde tot betaling van € … provisioneel en van € … provisioneel, meer de vergoedende intresten "vanaf de datum der feiten" vorderen; dat zulks neerkomt op impliciete incidentele beroepen, welke ontvankelijk zijn (zie hoger);

Overwegende dat de omstandigheid dat lastens beklaagde geen misdrijf weerhouden is bij hetwelk het opzet van beklaagde is geweest ten nadele van de contractanten van de NV SND A. een voordeel te bekomen er niet aan in de weg staat dat dezen door de door beklaagde gepleegde misdrijven wel degelijk een schade hebben kunnen lijden; dat dus de opgave in de omschrijving van de lastens beklaagde bewezen verklaarde misdrijven dat zij werden gepleegd ten nadele van de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest niet uitsluit dat die misdrijven ook nadeel aan anderen hebben kunnen berokkenen; dat beklaagde derhalve onterecht de onontvankelijkheid van de vorderingen inroept;

Overwegende dat het gebruik van de valse kentekens plaatsvond in de lokalen, waarin deze burgerlijke partijen hun bedrijvigheid uitoefenden en dat daarbij vaststaat dat geen van hen kennis had van het gegeven dat beklaagde als bewijs van betaling van de verschuldigde belasting valse kentekens op de ontspanningstoestellen had aangebracht;

Overwegende dat het gebruik van die valse kentekens in die omstandigheden een schade van morele aard heeft doen ontstaan, vermits de horeca-uitbaters door het plegen van de misdrijven door beklaagde geschokt werden in het door hen in de NV SND A. gestelde vertrouwen en ook de uitvoering van hun overeenkomst met deze vennootschap aangetast werd; dat derhalve, aan de burgerlijke partijen, die ze vorderen en in de hierna bepaalde mate, een morele schadevergoeding wordt toegekend;

Overwegende dat geenszins vereist is dat de schade, waarvoor een burgerlijke partij vergoeding vordert, het direct oorzakelijk of het rechtstreeks gevolg is van het door de aangesproken beklaagde gepleegde misdrijf;

Overwegende dat art. 85 WIGB bepaalt dat elk automatisch ontspanningstoestel moet voorzien zijn van het fiscaal kenteken en dat elke overtreding gelijkgesteld wordt met niet-betaling van de belasting; dat het kenteken, aangebracht op een toestel, geldt als bewijs van betaling van de belasting;

Overwegende dat het gebruik van de valse kentekens door beklaagde, zoals het zich in concreto ten aanzien van deze burgerlijke partijen heeft voorgedaan, inhoudt dat de betreffende toestellen niet voorzien waren van de verplichte en geldige kentekens zodat geen belasting betaald was;

Dat dat gebruik als automatisch gevolg heeft gehad dat die horeca-uitbaters rechtstreeks belastingschuldigen werden, vermits art. 78 WIGB bepaalt dat, waar de belasting principieel verschuldigd is door de eigenaar van het toestel, de uitbater van de lokalen als belastingschuldige beschouwd wordt bij niet-betaling door de eigenaar;

Dat het ontstaan van de belastingschuld in hoofde van de horeca-uitbaters weliswaar voortspruit uit een wettelijke bepaling doch dat deze bepaling in concreto slechts toepasselijk werd tengevolge van de niet-betaling van de kwestieuze belasting door de NV SND A., te dezen geconcretiseerd in het gebruik door beklaagde van de valse fiscale kentekens;

Dat derhalve het ontstaan van de belastingschuld in hoofde van de horeca-uitbaters een onmiskenbare band heeft met het door beklaagde begane misdrijf van gebruik van de valse kentekens;

Overwegende dat bij een onrechtmatige daad het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade verbroken kan worden wanneer tussen de fout en de schade een eigen juridische oorzaak ingrijpt, zoals een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting die op zichzelf voldoende is om de uitvoering van de kwestieuze uitgave te verantwoorden;

dat zulke verbreking echter niet plaatsvindt wanneer die verplichting secundair is aan de op de verantwoordelijke van de fout rustende verplichting tot herstel;

dat het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe verbonden heeft of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten;

Overwegende dat in primaire orde de belasting op een automatisch ontspanningstoestel verschuldigd is door de eigenaar ervan; dat de uitbater van het lokaal, waarin dat toestel opgesteld is, slechts in secundaire orde belastingschuldige wordt, nl. wanneer de eigenaar verzuimt de belasting te betalen;

Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling oplegt dat alsdan die belasting definitief ten laste van die uitbater dient te blijven; dat overigens het art. 78 WIGB geenszins voorziet dat dan de eigenaar van het toestel zijn hoedanigheid van belastingschuldige verliest;

Overwegende dat in casu de toestand, waarin in secundaire orde belastingschuld lastens de lokaaluitbater ontstaan is, slechts tot stand kwam door een onrechtmatige daad, nl. het gebruik van valse fiscale kentekens door beklaagde;

dat die fout een nadeel heeft tot stand gebracht, nl. een aantasting van het patrimonium van de lokaaluitbater, vermits hij aangesproken is geworden een uitgave te doen, die hij zonder die fout niet had behoren te doen;

Overwegende dat degene die een onrechtmatige daad begaat en daardoor schade berokkent gehouden is tot herstel; dat dit herstel erin bestaat de schadelijder terug te brengen in de toestand waarin hij zich bevond vooraleer de schade tot stand kwam; dat die verplichting tot herstel primeert op de in hoofde van de lokaaluitbater tengevolge van die fout ontstane verplichting tot betaling van de belasting;

dat derhalve een onmiskenbaar oorzakelijk en niet-verbroken verband te weerhouden is tussen de schade van de horeca-uitbaters en het door beklaagde gepleegde gebruik van valse stukken;

Overwegende dat de burgerlijke partijen enkel vergoeding van schade kunnen vorderen, zo moreel als materieel, voor zover deze betrekking heeft op kentekens A1 en in de mate dat hun vordering gesteund is op het gebruik van deze valse kentekens, de schade immers niet tot stand komend door het loutere feit van de vervalsing op zich;

Overwegende dat de materiële schade bestaat in de patrimoniumaantasting tengevolge van de vestiging van de belasting, waarbij de betaling ervan grotendeels bepalend is voor de omvang van de schade;

Dat bijkomend als materiële schade en op forfaitaire basis vergoeding kan worden toegekend voor administratiekosten;

Dat, voor zover gevorderd, de betalingen, die de horeca-uitbaters desgevallend hebben gedaan aan NV SND A. als contractueel bedongen aandeel in de jaarlijkse belasting geen materiële schade uitmaken, die in oorzakelijk verband staat met de lastens beklaagde bewezen misdrijven; dat beklaagde overigens niet vervolgd is hoofdens oplichting;

Overwegende dat beklaagde ten onrechte inroept dat de horeca-uitbaters schadebeperkend hadden dienen op te treden door de onwettigheid in te roepen van de hen aangerekende belasting; dat de daarbij gemaakte verwijzing naar een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven niet relevant is, nu dit enkel waarde heeft tussen daarin betrokken gedingpartijen en overigens dient vastgesteld dat blijkens de termen van dat vonnis de horeca-uitbater niet gehouden werd tot betaling van de belasting omwille van een problematiek rond het bewijs van de valsheid van een fiscaal kenteken, terwijl in casu de valsheid van de kentekens vaststaat;

dat de afwezigheid van een procedure voor de fiscale rechter geenszins de burgerlijke partijstelling verhinderd en overigens dient vastgesteld dat prima facie de lastens de horeca-uitbaters gelegde aanslagen bezwaarlijk door hen konden worden betwist, gezien de wet zelf hun gehoudenheid voorziet bij verzuim van de eigenaar van de toestellen, zoals te dezen;

Overwegende dat op grond hiervan de diverse individuele vorderingen worden beoordeeld, zoals hierna uiteengezet;

(a) De vordering van BVBA D. Z.

Overwegende dat het attest d.d. 25/10/2002 van de Ontvanger der Directe Belastingen, geldend als kwijting, een voldoende bewijs vormt van betaling van € … belasting, € … nalatigheidsintresten en € … kosten; dat het gegeven dat over de betreffende vestiging van belasting nog een procedure hangende is voor gevolg heeft dat het Hof rekening dient te houden met de theoretische mogelijkheid van vernietiging van de vestiging van de belasting, om welke reden dan ook, zodat de vordering thans enkel gegrond verklaard wordt ten belope van € … provisioneel;

dat de vordering ten belope van € … provisioneel de kosten van verdediging in een fiscale procedure betreft; dat zulke kosten niet aangemerkt kunnen worden als schade;

(b) De vordering van J. B.

Overwegende dat vaststaat dat deze burgerlijke partij schade heeft geleden doordat de belasting lastens haar werd gevestigd; dat deze belasting evenwel nog niet betaald is, terwijl het gevorderde bedrag van € … betrekking heeft op betalingen, die niet een gevolg zijn van de misdrijven van beklaagde, doch werden vereffend in uitvoering van de overeenkomst tussen J. B. en de NV SND A., zodat zij geen schade uitmaken;

dat de vordering thans enkel gegrond is ten belope van € … provisioneel;

dat de vordering ten belope van € … provisioneel kosten van verdediging in een fiscale procedure betreft; dat zulke kosten niet aangemerkt kunnen worden als schade;

(c ) De vordering van P. M.

Overwegende dat hier dezelfde beoordeling geldt als inzake de identieke vordering van J. B.; dat beklaagde ten onrechte verwijst naar een BVBA G. in oprichting, daar vaststaat door de door de burgerlijke partij neergelegde stukken dat de belasting in hoofde van P. M. in persoon werd gevestigd;

(d) De vordering van A. S.

Overwegende dat aangetoond is dat deze burgerlijke partij een aanslag ontving voor een toestel van categorie A1 en haar bezwaarschrift werd afgewezen; dat evenwel niet aangetoond is dat zij de belasting en eventuele aankleven betaald heeft;

dat zij administratieve kosten heeft dienen te exposeren ingevolge de vestiging van de aanslag op haar naam;

dat de betaling van een aandeel van de belasting, die contractueel door de NV SND A. diende gedragen te worden, te dezen geen schade in oorzakelijk verband met een bewezen verklaard misdrijf uitmaakt (cfr supra);

dat om deze redenen en bij hervorming van het bestreden vonnis de schade van deze burgerlijke partij thans slechts begrootbaar is op € … provisioneel;

dat geen voorbehoud kan verleend worden voor "alle bij huidige nota niet gevorderde schadeposten" wegens het onbepaalde karakter van het gevorderde voorbehoud;

(e) De vordering van M. D.

Overwegende dat deze vordering, identiek aan deze van A. S., in dezelfde zin beoordeeld wordt, zodat - bij hervorming van het vonnis - de vordering thans enkel ten belope van € … provisioneel wordt toegekend;

(f) De vordering van R. M. en F. F. q.q faillissement V.

Overwegende dat de vordering relateert aan drie toestellen, welke voorzien waren van een vervalst kenteken A1 en drie toestellen, welke voorzien waren van een vervalst kenteken E1; dat gelet op het hogervermelde de vordering ongegrond is in zoverre zij relateert aan de kentekens E1;

Overwegende dat bij hervorming van het bestreden vonnis de vordering thans slechts gegrond verklaard wordt ten belope van € … provisioneel, nu uit niets blijkt dat de belastingen betaald werden vooraleer het faillissement werd uitgesproken en evenmin duidelijk is of de vordering van de fiscus werd opgenomen in het passief;

dat de door beklaagde gemaakte verwijzing naar beweerde inhoudingen door de curatele ten nadele van een NV B. S. zonder relevantie is, daar deze vreemd is aan de schade, ontstaan tengevolge van de lastens beklaagde bewezen verklaarde misdrijven;

(g) De vordering van I. H.

Overwegende dat de burgerlijke partij aangeslagen werd met betrekking tot een toestel van de categorie A1; dat de aanmaning d.d. 23/2/2001 van het Ministerie van Financiën de betaling van een bedrag van … Fr, hetzij € … aantoont; dat de vordering, bij hervorming van het bestreden vonnis, thans dan ook slechts gegrond kan verklaard worden ten belope van € … provisioneel;

(h) De vordering van E. D.

Overwegende dat geen bewijs van betaling voorligt, zodat bij hervorming van het bestreden vonnis de vordering thans enkel wordt toegekend ten belope van € … provisioneel;

(i) De vordering van M. C.

Overwegende dat de door de burgerlijke partij voorgebrachte "Kennisgeving van aanwending van ontlaste bedragen" de betaling bewijst van de lastens haar gevestigde aanslag; dat in tegenstelling tot wat beklaagde voorhoudt de door de burgerlijke partij tegen de fiscus ingestelde procedure niet meer hangende is; dat vonnis tussenkwam op 30/4/2003, waarbij de door de burgerlijke partij opgeroepen betwistingen tegen de voornoemde aanslag werden afgewezen; dat in het bestreden vonnis derhalve terecht € … werd toegekend;

Overwegende dat, gelet op de datum van voornoemde kennisgeving, de eerste rechter de vergoedende intresten terecht toekende vanaf 12/5/99 en geen grond bestaat om de ingangsdatum te vervroegen tot 12/5/98;

Overwegende dat wat de morele schade betreft geen afdoende gegevens voorliggen die toelaten haar anders te begroten dan op € … provisioneel;

U) De vordering van de BVBA I.R.C.

Overwegende dat bij gebreke aan bewijs van betaling de vordering, bij hervorming van het bestreden vonnis, thans enkel toekenbaar is ten belope van € … provisioneel;

b. De vordering van de Belgische Staat

Overwegende dat terecht wordt ingeroepen dat de Belgische Staat als burgerlijke partij slechts een vordering kan stellen ter herstelling van nadeel waarvoor de belastingwetgeving geen eigen mogelijkheid tot herstel biedt; dat zij zich dus niet burgerlijke partij kan stellen voor de belastingen, die zij niet zou hebben kunnen innen;

Overwegende dat uit de termen van zowel de schadenota, neergelegd in eerste aanleg als van de beroepsbesluiten van de Belgische Staat is op te maken dat zij middels haar vordering vergoeding nastreeft voor schade "wegens de derving van inkomsten"; dat, waar dit niet verder gespecifieerd is, zulks geen andere betekenis heeft dan derving van belastingen;

dat waar te dezen de herstel mogelijkheid van de ontdoken belastingen gevonden wordt in de ter zake toepasselijke belastingwetgeving - zowel door de vestiging van de belasting in hoofde van de eigenaar van de toestellen, als in hoofde van de uitbaters van de lokalen, waar de toestellen zich bevinden - de vordering als onontvankelijk dient te worden afgewezen;

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende bij verstek ten opzichte van de burgerlijke partij BVBA I.R.C. en op tegenspraak ten opzichte van de overige partijen;

Gelet op de artikelen :

- 2, 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935,

- 21 tot 26 van de wet van 17 april 1878 gewijzigd door de wet van 30 mei 1961, door artikel 25 van de wet van 24 december 1993 en door artikel 3 van de wet van 11 december 1998,

- 1, 2, 3, 7, 25, 38, 40, 42, 43, 43bis, 44, 45 en 65 van het Strafwetboek,

- 76, 77, 449 en 450 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen,

- 1 en 8 van de wet van 29 juni 1964 zoals o.m. gewijzigd door de wetten van 10 februari 1994, 22 maart 1999 en 17 april 2002,

- 3 en 4 van de wet van 17 april 1878,

- 1382 van het Burgerlijk Wetboek,

- 1 van de wet van 5 maart 1952,

- 2, 3 en 4 van de wet van 26 juni 2000,

- 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985,

- 91 van het KB van 28 december 1950 laatst gewijzigd door artikel 1 van het KB van 11 december 2001,

- 66, 162, 185, 186, 190, 194, 210, 211, 211bis en 463 van het Wetboek van Strafvordering,

Verklaart het hoger beroep van beklaagde, ingesteld op 26 februari 2002 zonder voorwerp;

Ontvangt de overige hogere beroepen;

Recht doende met eenparigheid van stemmen :

Op strafgebied :

Wijzigt deels het bestreden vonnis;

Heromschrijft de ten laste gelegde feiten C en D zoals reeds gedaan op blz. 25 van huidig arrest;

Stelt vast dat de feiten der tenlasteleggingen A en B zich vereenzelvigen met deze ter tenlasteleggingen C en D (zoals heromschreven);

Verklaart beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten C en D (zoals heromschreven), behoudens voor wat de vervalsing van kentekens E1 en hun gebruik betreft, en veroordeelt hem hoofdens voormelde vermengde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van TWEE JAAR met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar en een fiscale geldboete van … euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden;

Verklaart verbeurd de vermogensvoordelen ten bedrage van … euro;

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;

Veroordeelt beklaagde in de kosten van de strafvordering in hoger beroep begroot op … EUR, al de kosten in beide aanleggen ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de thans nog aangehouden feiten C en D en hierin begrepen de kosten van betekening van het bestreden (verstek)vonnis alsook de kosten van het eensluidend verklaard afschrift, het verstek aan beklaagde te wijten zijnde;

Op burgerlijk gebied :

Bevestigt het bestreden vonnis wat de burgerlijke partijen sub 2 (D. Z. BVBA), 3 (B. J.), 4 (M. P.) en 11 (C. M.) betreft;

Wijzigend voor het overige;

Verklaart de vordering van de burgerlijke partij sub 1 DE BELGISCHE STAAT onontvankelijk en verwijst haar in de kosten van haar stelling in beide aanleggen, deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op … EUR;

Veroordeelt beklaagde om te betalen als schadevergoeding aan de overige burgerlijke partijen telkens de som van … EUR (… euro) provisioneel, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf heden;

Veroordeelt beklaagde in de kosten van de burgerlijke vorderingen in beide aanleggen (behoudens deze m.b.t. de burgerlijke partij sub 1 en de herdagingskosten m.b.t. de burgerlijke partij sub 8), deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op … EUR;

Verwijst de burgerlijke partij sub 8 (BVBA I.R.C.) in de door haar veroorzaakte herdagingskosten, deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op … EUR;

De Nederlandse taal werd uitsluitend gebruikt;

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de negende kamer van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN op ACHTTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIER,

waar aanwezig waren :

L. M., Voorzitter

S. B., Raadsheer

M. J., Raadsheer

M. S., Advocaat-generaal

J. V. D., Griffier

J. V. D. M. J. S. B. L. M.