Cour d'appel d'Anvers, 6 novembre 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 6 novembre 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 6 novembre 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2003-11-06-7d21

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
6 novembre 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

50 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.11.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Zitting van 6 november 2003

Inzake : 2002/AR/1559

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;

appellant,

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 8 april 2002

vertegenwoordigd door Mr. D. V. loco Mr. R. L., advocaat te …, …;

tegen :

NV T., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A.M. G. loco Mr. M.C. C., advocaat te …, …;

Geïntimeerde beging in haar BTW-aangifte van 30 juni 1999 enkele vergissingen waarbij een aantal facturen niet werden opgenomen en een verkeerd bedrag als aftrekbare BTW in rekening werd gebracht.

Een controle heeft spoedig daarop de vergissingen aan het licht gebracht en de verschuldigde rechten werden vervolgens betaald door geïntimeerde.

De fiscus legde evenwel tevens een geldboete op van 20 % van de rechten voor wat de niet aangegeven facturen betreft en 10 % van de rechten voor de verkeerde aftrek. Nadien werd de boete herleid tot 10 % van de verschuldigde rechten.

Geïntimeerde diende op 18 september 2000 een verzoekschrift in. tot kwijtschelding van de boete.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft in het bestreden vonnis van 8 april 2002 dit verzoek gegrond verklaard en heeft kwijtschelding verleend van de boete.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 juni 2002.

Hij meent dat de vordering ongegrond had moeten worden verklaard.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.


Het staat vast dat de aangifte in kwestie niet beantwoordde aan de fiscale verplichtingen die op geïntimeerde rustten.

Het staat eveneens vast dat de overtreding, die aan het licht is gekomen tijdens een fiscale controle, in beginsel het opleggen van een geldboete meebrengt.

Door de boete te verminderen tot 10 % van de verschuldigde rechten heeft de fiscus rekening·gehouden met de goede trouw in hoofde van geïntimeerde.

Deze boete is volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake de minimale sanctie voor de vastgestelde inbreuken.

Er zijn te dezen geen elementen bewezen op grond waarvan deze boete nog verder zou moeten verminderd worden en zelfs zou moeten kwijtgescholden.

Vermits de wetgever van oordeel was dat zelfs ingeval van volstrekte goede trouw van de belastingplichtige en ingeval van een loutere vergissing buiten elke bedoeling om als oorzaak van de fiscale inbreuk, nog steeds een administratieve sanctie van 10 % verschuldigd blijft, kon de eerste rechter zich niet op deze volstrekte goede trouw baseren om te besluiten tot de kwijtschelding van de boete.

Geen onevenredigheid is te dezen bewezen tussen de opgelegde sanctie van 10 % van de rechten en de inbreuk in kwestie.

Ook de omvang van de boete, … EUR, is op zich niet van aard om te besluiten tot een onevenredig zware sanctionering van de vastgestelde inbreuken.

Derhalve is niet bewezen dat de fiscus onzorgvuldig heeft gehandeld door een boete van 10 % op te leggen en te handhaven.

Het verzoek tot kwijtschelding is dan ook ongegrond.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep gegrond;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart het verzoek van geïntimeerde ongegrond;

Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, deze tot op heden aan de zijde van appellante begroot op :

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes november tweeduizend en drie

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

de heer E. L., Raadsheer

de heer J. E., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. J. E. E. L. E. H.