Cour d'appel d'Anvers, 19 juin 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 19 juin 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 19 juin 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2003-06-19-9fd9

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
19 juin 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

46 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 19.06.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen Inzake :

Zitting van : 19 JUNI 2003

2000/AR/2785

NV I. A., HR … 280.193, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, …;

appellante,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 27 juni 2000;

vertegenwoordigd door Mr. Fr. M., advocaat te …, …;

tegen :

- de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister var Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen,

- in de persoon van de ontvanger-rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A. V. L. d. J., advocaat te …, …;

1. De antecedenten en de vorderingen

Het voorwerp van de door appellante bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 23.12.1997 tegen geïntimeerde ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis d.d. 27.6.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en dit hof verwijst daar naar, behoudens deze verbetering dat in het vonnis "verwerende partij” telkens dient gelezen als "verzetdoende partij”.

De eerste rechter verklaarde dit verzet onontvankelijk.

Appellante, die bij een ter griffie van dit hof op 4.12.2000 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van haar verzet, terwijl geïntimeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep besluit.

2. Beoordeling

Uit de door appellante neergelegde stukken blijkt dat :

1. het "Hauptzollamt" (hoofddouanekantoor) Potsdam (Duitsland) bij brief d.d. 13.4.1993 van appellante uit hoofde van de levering d.d. 15.11.1991 van 7814 stuks Puma trainingspakken aan de GOS strijdkrachten te … (…) betaling vorderde van … DM aan BTW, vermeerderd met rente;

2. appellante met betrekking tot dezelfde levering een dispuut had met de Administratie der douane en Accijnzen Antwerpen D1, die bij brief d.d. 15.11.1993 aan appellante meedeelde dat het voor deze levering opgesteld document T2 nr. … ingevolge de door appellante meegedeelde stukken als "gezuiverd" mocht beschouwd worden;

3. appellante hierna geen enkel contact meer opnam met het douanekantoor POTSDAM, dat vervolgens voor de invordering van voormelde BTW een executoriale titel opstelde op 27.5.1994

4. de ontvanger van dit douanekantoor POTSDAM vervolgens bij toepassing van de EG reglementering terzake (in de Belgische wetgeving omgezet door de wet van 20.7.1979 betreffende de wederzijdse bijstand inzake invorderingen in de EEG) aan het Belgisch Ministerie van Financiën om bijstand vroeg voor de inning van deze BTW schuld bij appellante;

5. in uitvoering van dit verzoek door de centrale administratie van de BTW te Brussel op 7.9.1995 een proces-verbaal werd opgesteld, waardoor de BTW schuld ad … fr. van appellante aan de Duitse Schatkist werd vastgesteld;

6. bij gebreke aan spontane betaling van deze belastingschuld, door het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 1 in uitvoering van voormeld verzoek tot bijstand een dwangbevel werd uitgevaardigd, dat bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 22.12.1997 aan appellante betekend werd.

Volgens appellante wordt haar door de Duitse overheid uit hoofde van voormelde levering ten onrechte BTW aangerekend en dit omwille van het feit dat de Belgische administratie van douane- en accijnzen haar had meegedeeld dat het bij deze levering gebruikt T2 document … “als gezuiverd mocht beschouwd worden", waaruit volgens appellante voortvloeit dat er geen BTW verschuldigd was.

Appellante gaat er echter aan voorbij dat zij wist dat de ontvanger van het douanekantoor POTSDAM uit hoofde van deze levering betaling van BTW vorderde en zij diende dan ook de door de Belgische douaneadministratie aanvaarde "zuivering van T2 document …" aan deze Duitse fiscale administratie mee te delen teneinde daardoor te bekomen dat deze uit hoofde van de bewuste levering geen betaling van BTW zou vorderen.

Het was niet de taak van de Belgische fiscus om daartoe de nodige stappen te ondernemen bij de Duitse belastingadministratie en uit geen enkel gegeven blijkt dat geïntimeerde bij appellante de indruk zou gewekt hebben dat hij alsnog zelf deze stappen zou ondernemen of dat appellante na de brief d.d. 15.11.1993 van de Belgische douaneadministratie bij de Duitse belastingadministratie geen enkel initiatief meer diende te ondernemen.

Appellante stelt dan ook ten onrechte dat "zij door de Belgische douane administratie misleid is geworden. Zij mocht inderdaad vertrouwen, op basis van de brief d.d. 15.11.1993, dat het T2 document effectief aangezuiverd was en dat haar behoudens de boete van … fr. geen verdere belastingen zouden opgelegd worden". De Belgische fiscus is niet verantwoordelijk voor het handelen van de Duitse fiscus, waaruit de invordering van de BTW schuld voortvloeit.

Indien appellante van oordeel is dat de Duitse fiscus uit hoofde van voormelde levering ten onrechte betaling van BTW vordert, dan dient zij bij toepassing van artikel 12, alinea 1 Richtlijn 76/308/EEG dit geschil voor de desbetreffend uitsluitend bevoegde Duitse rechtbanken aanhangig te maken, daar bij toepassing van artikel 12, alinea 3 van dezelfde richtlijn in dit geval de Belgische rechtbanken enkel bevoegd zijn om kennis te nemen van betwistingen die de tenuitvoerlegging van de BTW schuld betreffen.

Om voormelde redenen, die de motieven van de eerste rechter vervangen, wordt het door appellante ingesteld verzet ongegrond bevonden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doend op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep enkel gegrond als volgt;

Wijzigt het bestreden vonnis enkel in zover het verzet onontvankelijk verklaard werd en desbetreffend opnieuw recht doende, verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt appellante tot betaling van de kosten van hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 19 JUNI 2003

waar aanwezig waren :

de heer E. L., Raadsheer;

mevrouw C. V., Griffier

C. V. E. L.

Textes cités

1
directive 76/308 art. 122 occurrences