Cour d'appel d'Anvers, 2 novembre 2001 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2 novembre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 2 novembre 2001Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2001-11-02-c116

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
2 novembre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

91 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 02.11.2001

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 1999/AR/2543

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

appellant,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 10 mei 1999,

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

L. W., A. K., … te …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nr. …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. J.P. L. loco Mrs. V. & B., advocaten te …, …;

1. De antecedenten en de vorderingen

1.1. Op 06.02.1997 heeft de ontvanger van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt ten laste van de heer W., die restaurantuitbater is, een dwangbevel uitgevaardigd, volgens hetwelk van hem werd geëist :

BTW op meeromzet wegens niet aangegeven

aankopen tussen 01.01.1992 en 30.06.1993 … BEF

Boete hierop : 200 % … BEF

Boete wegens uitschrijven van facturen met onjuiste vermeldingen … BEF

Boete wegens niet bijhouden van een kasboek … BEF

… BEF

vermeerderd met interesten.

Dit dwangbevel werd op 10.02.1997 uitvoerbaar verklaard en op 19.02.1997 aan de heer W. betekend.

1.2. Op 25.04.1997 heeft de heer W. de Belgische Staat gedagvaard om dit dwangbevel te horen vernietigen, de erin opgenomen vordering ongegrond te horen verklaren en de terugbetaling te horen bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, verhoogd met de interesten.

De heer W. deed (en doet) in essentie gelden dat (1) de vordering van de Belgische Staat gesteund is op onregelmatig verkregen bewijsmateriaal, (2) dat deze stukken niet bewijskrachtig zijn en (3) dat de beweerde meeromzet willekeurig werd bepaald.

1.3. Met het bestreden vonnis d.d. 10.05.1999 heeft de eerste rechter het bestreden dwangbevel teniet gegaan en gezegd voor recht dat de heer W. de in dit dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd was, oordelend dat de "zwarte leveringen” niet bewezen waren aan de hand van de voorgelegde stukken.

1.4. De Belgische Staat heeft tegen dit vonnis op 10.09.1999 hoger beroep ingesteld. Hij besluit tot de ongegrondheid van de vordering van de heer W.. De heer W. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en herneemt zijn voor de eerste rechter gestelde vordering.

2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof verwijst ernaar.

2.1. BETREFFENDE DE VAN NV LSA DELTA BEKOMEN STUKKEN

2.1.1. Het bestreden dwangbevel steunt op een proces-verbaal d.d. 06.02.1997 dat, op zijn beurt, steunt op een proces-verbaal d.d. 29.06.1995. Het proces-verbaal d.d. 29.06.1995 werd opgesteld naar aanleiding van een controle bij NV R. II en NV K., die beide leveranciers van de heer W. waren : de eerste gedurende de jaren 1991 en 1992, de tweede sedert 01.01.1993.

2.1.2. Zo uit het proces-verbaal d.d. 29.06.1995 blijkt dat de heer D., gedelegeerd bestuurder van belde voormelde vennootschappen zich op 17.06.1993 liet bijstaan door afgevaardigden van NV LSA D., zijnde de firma die instaat voor de software van de op computer gevoerde boekhouding - zodat de documenten die op die dag door de opstellers van het proces-verbaal werden ontvangen hen onmiskenbaar met instemming van NV R. II en NV K. werden overhandigd - blijkt uit dit proces-verbaal niet dat NV LSA D. de toelating van NV R. II had om aan de verbalisanten de lijsten "stat01" en "stat02" (betrekking hebbend op de jaren 1991 en 1992) te overhandigen. Deze stukken werden immers bij een bezoek ten kantore van NV LSA D. op 27.07.1993 in afwezigheid van afgevaardigden van NV R. II opgevraagd en bekomen.

2.1.3. De Belgische Staat kon zich niet op de artt. 61 en 62 W.BTW beroepen om van NV LSA D. de afgifte te bekomen van documenten uit de boekhouding van NV R. II. Deze bepalingen lieten de fiscus immers niet toe van NV LSA D. te eisen dat deze boekhoudkundige stukken zou overmaken die haar niet toebehoorden en die zich zelfs niet bij NV LSA D. (die geen boekhoudkantoor is) bevonden noch behoorden te bevinden, doch door haar bij NV R. II via online verbinding moesten worden opgehaald (zonder dat deze laatste daar zelfs maar kennis van diende te hebben). Het feit dat NV LSA D. de hardware en de software, dienstig voor de boekhouding, had geleverd en online verbonden was om het systeem te onderhouden en haar klant behulpzaam te zijn bij het gebruik ervan maakt haar niet tot diegene die de boekhouding van NV R. II heeft gehouden, opgemaakt of ontvangen. De Belgische Staat kon gebeurlijk aan NV LSA D. inlichtingen vragen·over de werking van het boekhoudpakket, doch geen gegevens die tot de boekhouding zelf behoren.

2.1.4. De Belgische Staat kan zich dus niet op de documenten "stat01" en “stat02" steunen, daar deze niet op regelmatige wijze werden verkregen. Dat de onrechtmatigheid erin bestaat dat de documenten zonder toelating van NV R. II door NV LSA D. werden opgehaald en afgeleverd en niet zonder toelating van de heer W. (die met NV LSA D. geen uitstaans heeft) doet daaraan niets af en wijzigt het onrechtmatig karakter van het verkregen bewijs niet. Overigens blijkt uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt d.d. 15.12.1998 dat de bestuurders van NV R. II zich wel degelijk op het onrechtmatig karakter van de aldus verkregen bewijzen hebben beroepen, in tegenstelling tot hetgeen de Belgische Staat voorhoudt.

2.2. BETREFFENDE DE MEEROMZET 1993

2.2.1. Tot bewijs van de meeromzet over de periode 01.01.1993 tot 30.06.1993 legt de Belgische Staat het op de heer W. betrekking hebbend deel voor van het document "stat3" of "stat1993", dat de leveringen over deze periode bevat.

De heer W. voert terecht aan dat deze van NV K. afkomstige gegevens op zich geen absolute bewijswaarde hebben en enkel te controleren gegevens zijn.

Bij controle van deze gegevens stelt het hof vast dat :

• er geen betwisting over bestaat dat de facturen, die de fiscus aanmerkt als beantwoordend aan "officiële" leveringen inderdaad overeenstemmen met de facturen die de heer W. in zijn boekhouding inschreef (dit werd, als gevolg van een door het hof gestelde vraag, uitdrukkelijk door de raadsman van de heer W. bevestigd);

• op het document "stat3", dat de leveringen met vermelding van de geleverde producten, de hoeveelheden, de data en de factuurnummers vermeldt, na de in de boekhouding opgenomen factuur, telkens een factuur volgt voor een volstrekt identieke levering (datum, aard van de producten en hoeveelheid), maar die niet in de boekhouding van de heer W. voorkomt en beantwoordt aan een levering die door NV R. II en NV K. werd geboekt op de klantenrekening "Kontante Verkopen”.

Deze beide elementen werden onderzocht voor de volledige periode januari - juni 1993 en niet, zoals de heer W. voorhoudt, enkel april 1993 (zie het document "stat3" en de verwerking ervan in conclusie door de Belgische Staat).

Uit het proces-verbaal d.d. 29.06.1995 blijkt verder dat de opstellers vaststelden dat de werking van de boekhouding aldus is opgevat dat in het klantenbestand een percentage is opgenomen dat bepaalt welk gedeelte van een bestelling wordt opgenomen op een bestelbon, die zal leiden tot een op naam van de klant uitgeschreven factuur en welk (resterend) gedeelte zal worden opgenomen op een leveringsbon, die zal worden opgenomen op een klantenrekening voor contante verkopen. Deze verwerking van bestelbons in facturen en leveringsbons in contante verkopen werd bevestigd door de heer D., gedelegeerd bestuurder van NV R. II en NV K. en de heer L., gedelegeerd bestuurder van NV LSA D., leverancier van dit systeem. Uit ditzelfde proces-verbaal blijkt dat de afsplitsing tussen bestelbon en leveringsbon automatisch gebeurt bij het ingeven van de bestelling, maar dat het per bestelling zo nodig kan worden aangepast.

Deze werkwijze verklaart dat er steeds twee gelijktijdige leveringen voor gelijke producten plaatsvonden. Dat de geleverde hoeveelheden identiek zijn houdt in dat het percentage voor de heer W. standaard op 50 % stond.

Nu (1) de bestellingen rechtstreeks werden geplaatst en niet door een vertegenwoordiger aangenomen - de heer W. spreekt de stelling van de Belgische Staat, dat NV R. II en NV K. niet met vertegenwoordigers werkten niet tegen - en (2) de leveringen bovendien door een extern transportbedrijf werden verzorgd, terwijl (3) het bij het ingeven van de bestelling zelf was dat het onderscheid tussen officieel en zwart werd gemaakt, is het uitgesloten dat NV R. II of NV K. op willekeurige of zelfs onjuiste wijze zwarte aankopen op naam van de ene of de andere klant zouden hebben geboekt. Daarvoor hadden zij geen belang - vermits de voorgebrachte verwerking in de electronisch gevoerde boekhouding nodig was om de bestellingen "correct' te kunnen afhandelen - , en noch het systeem van levering, noch hun boekhouding lieten dit toe.

Uit niets blijkt dat de door de heer W. gesignaleerde verkeerde facturatie op naam van bakkerij C. verband houdt met het door de Belgische Staat vastgestelde systeem van splitsing van bestellingen over bestel- en leveringsbons, nu de ingeroepen factuur helemaal niet van NV R. II of NV K. uitgaat, maar van een firma B. G..

Aldus is het bewijs van de leveringen voor de periode 01.01.1993 - 01.06.1993 bewezen.

2.2.2. Voor wat de berekening van de uit de niet gedeclareerde en ontstane meeromzet betreft, stelt het hof opnieuw vast dat, in tegenstelling tot hetgeen de heer W. voorhoudt, het document “stat3" wel degelijk de producten omschrijft en zich hieronder geen producten bevinden die geen weerslag hebben op de omzet. Onderhoudsproducten zijn er niet bij.

Derhalve kon de Belgische Staat terecht de meeromzet berekenen door de brutowinstcoëfficiënt toe te passen.

De berekening van de meeromzet tot beloop van … BEF is derhalve correct.

2.3. BETREFFENDE DE MEEROMZET 1992

2.3.1. In het proces-verbaal d.d. 29.06.1995 stellen de verbalisanten dat hun opgave van niet aan de heer W. gefactureerde leveringen in de jaren 1991, 1992 en 1993 zowel uit de lijsten "stat01" en "stat02" blijken als uit de lijst "overzicht klanten met %". Er werd reeds vastgesteld dat van de stukken "stat01" en "stat02” geen gebruik kan worden gemaakt. Uit de lijst "overzicht klanten met %", zoals hij wordt voorgebracht, kan niet worden afgeleid op welke periode hij betrekking heeft: het neergelegde blad bevat, behoudens de identiteit van de heer W., enkel lege kolommen en een opgave van cijfers onder een hoofding " % ". Evenwel vermelden de opstellers van het proces-verbaal dat deze lijst een opgave zou bevatten van alle klanten van NV K.. Vermits NV K. enkel leverde vanaf 01.01.1993, kan deze lijst geen gegevens bevatten m.b.t. de in 1992 gedane leveringen.

Aldus levert het proces-verbaal d.d. 29.06.1995 en daarmee meteen dit van 06.02.1997, dat op het eerstgenoemde gesteund is, geen bewijs van leveringen aan de heer W. die in 1992 zouden zijn gedaan zonder in zijn boekhouding te zijn opgenomen.

2.3.2. De gegevens die de Belgische Staat wel op rechtsgeldige wijze bekwam, te weten de cijfers over het jaar 1993 en de verklaringen van de heren D. (NV R. II) en L. (NV LSA D.) laten niet toe door middel van een berekening per analogie tot zwarte aankopen tot beloop van enig percentage van de officiële aankopen te besluiten. Het feit dat het systeem de bestellingen automatisch verdeelde in te factureren en niet te factureren leveringen, dat de verdeelsleutel in het jaar 1993 50 % bedroeg en dat het systeem in het algemeen sedert het jaar 1990 functioneerde, laten niet toe het als bewezen te beschouwen dat de toestand in 1992 t.a.v. de heer W. dezelfde was als in 1993.

Vooreerst staat niet vast dat de heer W. reeds in 1992 van dit systeem gebruik maakte en, zo ja, in welke mate. Het hof herinnert eraan dat de verdeelsleutel per bestelling kon worden aangepast.

Zo de evolutie van de aankopen van roomboter, zoals vastgesteld in het proces-verbaal d.d. 06.07.1997 - waaruit enerzijds vergelijkbare cijfers per semester voor de periode 01.01.1992 tot 30.06.1993 blijken en vervolgens een plotse toename van de aankopen in het tweede semester 1993 - doet vermoeden dat in 1992 hetzelfde systeem werd toegepast als in 1993, kan hieruit geen bewijs van om het even welke gepreciseerde niet gefactureerde en niet geboekte aankoop worden geput. Zo de Belgische Staat tot een meeromzet wil besluiten dient een bepaald minimumbedrag vast te staan. Doordat geen gebruik kan worden gemaakt van de documenten die bij NV LSA D. werden opgevraagd en bekomen ("stat01", stat02" en "LST001" met lijst “RXXX.HBS") en de lijst "overzicht klanten met %" geen nuttige gegevens voor deze periode bevat, beschikt de Belgische Staat niet over cijfergegevens betreffende zwarte aankopen over het jaar 1992 en nog minder betreffende hun hoegrootheid.

Voor wat het jaar 1992 betreft is het verzet van de heer W. gegrond.

2.4. BETREFFENDE DE BOETE VAN 200 %

De Belgische Staat vecht het principe, dat het hof met volle rechtsmacht kan oordelen over deze door de administratie toegepaste geldboete, niet aan. Het hof stelt daarbij vast dat de in deze opgelegde administratieve geldboete als een strafsanctie in de zin van art. 6 E.V.R.M. en art. 14 van het BUPO verdrag is en dit, door de afweging van de volgende elementen : (a) het feit dat het om een boete gaat die iedere belastingplichtige treft, (b) dat zij een verplichting of een verbod betreft dat bij niet-nakoming gesanctioneerd wordt, (c) door twee maal de ontdoken belasting te omvatten niet het oogmerk heeft de eventueel geleden schade te herstellen doch erop gericht is herhaling te vermijden en het voorgevallen verboden bedrag te bestraffen en {d) de omvang ervan.

Het systematisch verrichten van zwarte aankopen van grondstoffen heeft tot doel op een permanent frauduleuze wijze handel te drijven en leidt tot een cascade van belastbare verrichtingen die aan de fiscus worden onttrokken. Rekening houdend met de omvang van de fraude is een administratie geldboete gelijk aan 100 % van de ontdoken belasting verantwoord.

Vermits enkel het jaar 1993 werd weerhouden, wordt de boete teruggebracht tot … BEF.

2.5. BETREFFENDE HET ONTBREKEN VAN HET KASBOEK EN DE ONJUISTE VERMELDINGEN OP DE FACTUREN

De heer W. brengt geen argumenten naar voor die ertoe zouden kunnen leiden de voor deze inbreuken opgelegde geldboeten te verminderen of kwijt te schelden.

2.6. BESLUIT

Uit het voorgaande blijkt dat de in het bestreden dwangbevel opgenomen vordering gegrond is als volgt :

BTW op meeromzet wegens niet aangegeven … BEF

aankopen tussen 01.01.1992 en 30.06.1993

Boete hierop : 100 % … BEF

Boete wegens uitschrijven van facturen met onjuiste vermeldingen … BEF

Boete wegens niet bijhouden van een kasboek … BEF

… BEF

verhoogd met de interesten zoals in het dwangbevel vermeld.

Gelet op het gelijk en het ongelijk van ieder der partijen dient ieder van hen haar eigen kosten van het geding te dragen, zo in eerste aanleg als in hoger beroep.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep deels gegrond;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart de vordering van de heer W. deels gegrond;

Zegt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde BTW in hoofdsom wordt verminderd met … BEF en de erin gevorderde boete in hoofdsom wordt verminderd met … BEF;

Beveelt de terugbetaling van de bedragen die in strijd met deze verminderingen zouden zijn geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling;

Verklaart de vordering van de heer W. voor het overige ongegrond;

Verwijst iedere partij in haar eigen kosten, zo in eerste aanleg als in hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van twee november tweeduizend en één

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Raadsheer, wnd Voorzitter

de heer J. E., Raadsheer

mevrouw A. D. P., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. A. D. P. J. E. E. H.