Cour d'appel d'Anvers, 13 décembre 1999 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 13 décembre 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 13 décembre 1999Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-1999-12-13-cfa8

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
13 décembre 1999

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

57 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers d.d. 13.12.1999

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

EINDARREST

Zitting van : 13 december 1999

Inzake : 1997/AR/706

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen in de persoon van de Hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Maaseik, met burelen te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72 bus 4;

appellante

tegen de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren d.d. 8 december 1995 en 18 december 1996;

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

B. W., wonende voorheen te …, …, en thans te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V., advocaat te …, …;

Zich beroepend op het positief saldo dat zijn rekening-courant met appellant vertoonde vorderde geïntimeerde betaling van 1.975.996 BEF, volgens laatste beroepsconclusies thans nog 1.916.198 BEF + intresten.

Appellant weigerde betaling omdat het positief saldo van genoemde rekening te wijten zou zijn aan de aftrek van voorbelasting die hij onrechtmatig achtte (omdat de facturen in kwestie uitgingen van een beweerdelijk niet meer bestaande rechtspersoon en omdat de facturen niet voldeden aan de vereiste formaliteiten om voor aftrek van BTW in aanmerking te komen).

In een eerste vonnis van 8 december 1995 oordeelde de eerste rechter dat de facturen in kwestie inderdaad niet voldeden aan de gestelde vereisten om aftrek van BTW toe te laten en verwierp hierdoor grotendeels de argumentatie van geïntimeerde, aangevoerd ter weerlegging van het door appellant aangevoerde verweer.

Met betrekking tot de opmerking dat de administratie bij voorgaande controles geen bezwaar zou hebben geuit over de aftrek van BTW op basis van facturen met dezelfde mankementen en de daarop gebaseerde beweerde schending van het gewekte vertrouwen beval de eerste rechter de heropening van de debatten om beide partijen toe te laten het bewijs bij te brengen van de in het verleden verleende aftrek van de BTW op grond van onregelmatige facturen.

Ingevolge stukken die door geïntimeerde werden bijgebracht ter staving van zijn gelijk heeft appellant een tegenvordering (door haar onterecht uitbreiding van eis genoemd) gesteld in conclusi.es neergelegd ter griffie op 26 december 1995. Hierin vraagt hij de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 633.475 BEF als BTW, 1.266. 950 BEF als boete en de intresten.

In het vonnis van dezelfde rechtbank d.d. 18 dec. 1996 oordeelde de eerste rechter dat bewezen werd dat appellant in het verleden na controle de aftrek van BTW heeft toegestaan op basis van facturen die dezelfde onregelmatigheden vertoonden al5i in huidig geschil en heeft daarom de vordering gegrond verklaard.

De tegenvordering van appellant werd ontvankelijk doch (met hetzelfde motief) ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 februari 1997 tekende appellant hoger beroep aan tegen beide voormelde vonnissen.

Hij meent dat de vordering onterecht gegrond werd verklaard en handhaaft zijn tegenvordering.

Geïntimeerde heeft (impliciet) incidenteel beroep aangetekend tegen het vonnis van 8 december 1995 in zover de eerste rechter besliste dat principieel geen recht op aftrek kon worden toegelaten op basis van de onregelmatigheden van de facturen in kwestie en tegen het vonnis van 18 december 1996 in zover dit de tegenvordering ontvankelijk verklaarde.


Overwegende dat het geschil over de aftrek van BTW handelt over drie facturen daterend van 7, 21 en 27 maart 1992; dat het de aankoop betreft door geïntimeerde van drie voertuigen Mercedes van aanzienlijke waarde;

Overwegende dat volgens verklaring van geïntimeerde, afgelegd op 3 juni 1993 ten overstaan van de ambtenaren van appellant, hij deze voertuigen aankocht van de firma l.'F.; dat de voertuigen bij hem thuis aangeboden zijn geworden door een zekere Y.; dat de koopprijs onmiddellijk contant werd betaald en ter plaatse de facturen werden opgesteld;

Overwegende dat de facturen als verkoper vermelden "S.C. l.'F."; dat het nr. van het handelsregister is vermeld, het BTW­registratienummer en de bankrekening van de verkoper;

Overwegende dat volgens het PV van 25 november 1992 van de bevoegde BTW-controleur de leverancier, de coöperatieve vennootschap l.'F., failliet werd verklaard op 6 februari 1992, dat deze geregistreerde belastingplichtige sedert het derde kwartaal van 1991 geen BTW-aangiftes meer heeft ingediend en de betrokken facturen niet werden uitgeschreven door de curator;

Overwegende dat in het verzoekschrift tot hoger beroep appellant (p. 4, onderaan) vermeldt dat het faillissement van S.C. l.'F. bij vonnis van 24 februari 1992 gesloten werd bij gebrek aan actief; dat hiervan evenwel geen enkel stuk wordt overgelegd;

Overwegende dat de vermelding van de juiste identiteit van de verkoper: en van zijn gegevens als belastingplichtige essentiële elementen van de factuur uitmaken die aan de administratie moeten toelaten controle uit te oefenen op de heffing en afdracht van verschuldigde BTW;

Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat na de sluiting van het faillissement (onder toepassing van de oude faillissementswet) de gefailleerde rechtspersoon blijft bestaan zodat deze opnieuw handelsactiviteiten kon stellen;

Overwegende dat indien onder toepassing van het oude faillissementsrecht in beginsel het faillissement geen einde stelde aan de vennootschap, het faillissement (behoudens ingeval van procedure van akkoord na faillissement welke niet blijkt gevolgd te zijn) wel leidde tot de vereffening van de vennootschap; dat het behoud van rechtspersoonlijkheid enkel de verrichtingen van de vereffening betreft (art. 178 Venn.W.); dat bij sluiting van de vereffening de rechtspersoon verdwijnt, zelfs van rechtswege; dat beide partijen er blijkbaar over eens zijn dat het faillissement gesloten werd wegens gebrek aan actief; dat dit gebrek aan actief en de sluiting van het faillissement ook de afsluiting van de vereffening impliceert zodat de vennootschap van dan af als ontbonden dient beschouwd, minstens van dan af geen handelsdaden meer kon stellen;

Overwegende dat uit voorgaande dan ook volgt dat de firma l.'F. in maart 1992 geen voertuigen meer kon verkopen; dat de op de factuur vermelde verkoper derhalve niet de werkelijke verkoper kan zijn; dat geïntimeerde niet bewijst hoe een vennootschap die vereffend werd ingevolge gebrek aan actief een maand na de sluiting van de vereffening voor meer dan 7.500.000 BEF aan voertuigen kan verkopen;

Overwegende dat geïntimeerde kennelijk niet te goeder trouw is; dat volgens zijn reeds aangehaalde verklaring hij de daadwerkelijke verkoper in het geheel niet kent en evenmin weet hoe deze bij hem terecht is gekomen; dat evenwel niet in redelijkheid kan aangenomen worden dat een handelaar in personenwagens niet weet wie hem voor 7.500.000 BEF voertuigen heeft verkocht op een tijdsspanne van één maand, dat het alleszins bewezen voorkomt dat de verkoper niet de firma l.'F. is zoals op de facturen vermeld werd;

Overwegende dat aldus is aangetoond dat de facturen niet kunnen dienen als basis om de aftrek van BTW te verantwoorden; dat vermits het ingeroepen vertrouwen volgend uit voorgaande BTW-controles betrekking had op andere onregelmatigheden van de facturen, de betwistingen hierover irrelevant zijn geworden; dat de verwerping van de factuur te dezen steunt op een specifiek gegeven in verband met de identiteit van de zogezegde verkoper; dat geïntimeerde desbetreffend geen rechten kan putten uit de door de administratie aangenomen houding bij eerdere controles;

Overwegende dat de vordering van geïntimeerde ongegrond is;

Overwegende dat na de heropening van de debatten een nieuwe vordering niet ontvankelijk is indien zij buiten het onderwerp van de heropening valt; dat te dezen het vonnis van 8 december 1995 nauwkeurig bepaalde waarom de debatten werden heropend : het leveren van het bewijs van vroegere BTW-controles en de alsdan door de administratie ingenomen houding ten overstaan van onregelmatigheid van facturen en de aftrek van BTW;

Overwegende dat de tegenvordering van appellant geen betrekking heeft op het aldus omschreven onderwerp van de heropening van debatten;

Overwegende dat de tegenvordering ook niet gesteund is op een feit of handeling in de dagvaarding vermeld noch een verweer uitmaakt tegen de vordering van geïntimeerde zodat appellant de tegenvordering ook niet in hoger beroep kon stellen; dat de tegenvordering immers steunt op overtuigingsstukken die geïntimeerde had over gelegd ter staving van zijn standpunt dat in het verleden appellante wel aftrek van BTW had aanvaard op grond van onregelmatige facturen; dat dit niet het voorwerp van het geschil uitmaakte en volkomen onvermeld is gebleven in het inleidend exploot; dat het om een volkomen nieuwe vordering gaat;

Overwegende dat de tegenvordering dan ook onontvankelijk is;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep gegrond;

Wijzigt de bestreden vonnissen;

Verklaart de vordering van geïntimeerde en de tegenvordering van appellant ongegrond;

Compenseert de kosten.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien december negentienhonderd negenennegentig,

waar aanwezig waren :

E. H., Raadsheer, wnd. Voorzitter;

J. E., Raadsheer;

P. B., Raadsheer;

G. V., Griffier.

G. V. P. B. J. E. E. H.