Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 27.01.1994
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF VAN BEROEP te Antwerpen
Nr. Rep. 497
Nr. der zaak : F 99/91
Openbare terechtzitting van 27 januari 1994
Aanwezig :
A.v. G., Voorzitter
L. M. en L. V. h., Raadsheren
M. G., Griffier.
INZAKE VAN
BVBA T. F., met maatschappelijke zetel te …, … (H.R. Antwerpen nr. …);
appellante,
ter zitting vertegenwoordigd door Meester F. V. loco Meester H. N., …, …
tegen :
DE BELGISCRE STAAT, vertegenwoordigd door de Mnister van Financiën
Meester A. v. L. d. J., …, …
Het Hof, na beraadslaging, zitting houdende in openbare terechtzitting, geeft het volgende arrest :
Gelet op de aanslagen in de vennootschapsbelasting,
Gemeente Antwerpen :
a) aanslagjaar 1982, artikel …, supplement aan artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 19.12.1985, een belasting vorderend van … F, op grond van een belast inkomen van … F gewoon stelsel en van … F bijzondere stelsels;
b) aanslagjaar 1983, artikel …, supplement aan artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 23.12.1985, een belasting vorderend van … F, op grond van een belast inkomen van … F gewoon stelsel en van … F bijzondere stelsels;
c) aanslagjaar 1984, artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 19.12.1985, een belasting vorderend van … F, op grond van een belast inkomen van … F gewoon stelsel en van … F bijzondere stelsels;
Gelet op het bezwaarschrift, tijdig, toegekomen bij de bevoegde directeur op 29.4.1986.
Gelet op de beslissing; waartegen voorziening genomen. onder nummer … door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen I op 13.3.1991, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor akte werd verleend dat appellante de vierde grief introk en waardoor voor het overige het bezwaarschrift werd afgewezen;
Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 22. 4.1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 22.4.1991;
Overwegende dat appellante binnen de in artikel 282 WIB bepaalde termijn, 15 stukken indiende, samen met haar conclusie d.d. 19 juni 1992;
Overwegende dat appelante een taverne-restaurant uitbaat aan de … te …;
Overwegende dat zij haar aangiften in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1982, 1983 en 1984 tijdig indiende; dat voor die eerste twee aanslagjaren een positief resultaat werd aangegeven en voor 1984 een negatief resultaat van … F;
Overwegende dat. aanvankelijk voor de aanslagjaren 1982 en 1983 aanslagen gevestigd werden op grond van de aangiften; dat die aanslagen niet betwist zijn;
Overwegende dat voor het aanslagjaar 1982 berichten van wijziging werden verzonden op 1 december 1983 (stuk 21 : niet akkoord ; stuk 22) en op 6 november 1984 (stuk 26);
Overwegende dat voor het aanslagjaar 1983, berichten van wijziging werden verzonden op 6 november 1984 (stuk 47), 25 februari 1985 (stuk 48) en op 19 september 1985 (stuk 49);
Overwegende dat, wat het aanslagjaar 1984 betreft, berichten van wijziging werden gezonden op 25 februari 1985 (stuk 78; tijdig niet-akkoord op 8 maart 1985 voor de aanslagjaren 1982, 1983 en 1984, stuk 79) en op 19 september 1985 (stuk 81), (stuk 85; verzoek tot uitstel d. d. 10.10.1985);
Overwegende dat op 5 november 1085 een kennisgeving van aanslag van ambtswege werd verzonden (stuk 88) voor de aanslagjaren 1983 en1984, omdat niet tijdig zou geantwoord zijn op de berichten van wijziging van 19.9.1985;
Overwegende dat de gevolmachtigde, die op 10 oktober 1985 reageerde op de berichten van wijziging van 19 september 1985 (supra) op 12 november 1985 op de kennisgeving van ambtswege antwoordde dat hij die berichten van wijziging niet had ontvangen;
Overwegende dat hij in een andere brief d.d. 12 november 1985 (stuk 90) een uitvoerige uiteenzetting en een herberekening opstelde;
Overwegende dat de aanslagen werden gevestigd en het bezwaarschrlft tijdig werd ingediend (stuk 103);
Overwegende dat appellante de feitelijke gegevens gestaafd met stukken, als volgt uiteenzet in haar conclusie :
“…
3. Op 12 oktober 1982 bracht de heer Gewestelijke directeur van de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen de heer Procureur des Konings te Antwerpen op de hoogte van het feit dat een vennootschap-groothandel in fruitsappen, NV B. J., volgens een ex-werknemer van deze vennootschap grootschalige fiscale fraude pleegde. Er werd om een gerechtelijk; onderzoek verzocht waaraan de ambtenaren van de A.B.B.I. hun medewerking zouden verlenen (nieuw stuk 3-3bis).
Met kantschrift d.d. 19 oktober 1982 werd een opsporingsonderzoek bevolen door de Procureur des Konings .te Antwerpen. De informatie diende verzameld te worden in samenwerking met de A.B.B.I. De Procureur voegde er wel aan toe : “De onderzoekende belastingdienst mag uiteraard kennis hebben van de inhoud van de informatie en van de overtuigingstukken in zover ze verband houden met belastingmisdrijven. Hij is evenwel mede gehouden tot het geheim van het onderzoek. Dit heeft o.m. tot gevolg dat op grond van de bundel geen belasting mag worden gezet en/of ingevorderd dan tenzij mits voorafgaande toelating tot inzage en kopiename van de bundel door de h. Procureur-generaal ...” (nieuw stuk 4-4bis).
Met schrijven d.d. 4 maart 1983 verzocht de inspecteur van de 1° Inspectie van de·B.B.I. te Antwerpen, de heer L., om mededeling van het standpunt van de heer Procureur te Antwerpen. De inspecteur suggereerde dat een inval bij B. J. wellicht zou toelaten de juiste omvang van de fraude te bepalen (nieuw stuk 5).
Op 22 juni 1983 vaardigde de heer B., onderzoeksrechter te Brugge, een beschikking tot huiszoeking uit in het productiecentrum van B. J. te … (nieuw stuk 6).
Op 28 juni 1983 werd de huiszoeking op voormeld adres uitgevoerd in aanwezigheid van de heren L. en K. van de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen (nieuw stuk 7).
Ter gelegenheid van deze huiszoeking werd een zekere heer V. N. verhoord en werden tal van boekhoudbescheiden in beslag genomen. Blijkens het betrokken proces-verbaal werden acht kasboeken 1981-82 en 83, een loonboek 1981, inkomende en uitgaande facturen 1982, uitgaande facturen 1981, uitgaande facturen 1983 van 1 t/m 500, bestelbons 1981-82 en gecomputeriseerde boekhoudingslijsten in beslag genomen (nieuw stuk 8).
Op 29 juni 1983 werd de heer P. R., feitelijk bestuurder van NV B. J., verhoord. De heer P. R. verklaarde onder meer : “De producten worden geleverd rechtstreeks aan café’s, … Van elke levering wordt een leveringsbon opgemaakt in twee exemplaren in principe, daar wij niet kunnen controleren of de desbetreffende hoeveelheid ook bij de desbetreffende klant is gekomen of afgeleverd door de chauffeur. Daar de chauffeur op sommige klanten meer commissie krijgt als op andere. Wat wij wel kunnen controleren is de hoeveelheid geladen materiaal, gewisseld materiaal, retourmaterieel, monsters en de ontvangste en leeggoed. Er wordt een leveringsbon afgeleverd aan de klant, terwijl het tweede exemplaar door de chauffeur wordt afgegeven op het bureau ten behoeve van de boekhouding. Per maand wordt een historiek gemaakt van alle verrichte bezoeken en leveringen, per klant, aan de hand van de leveringsbons, en verwerkt met de computer. Dit gebeurt ook van de wissels, ik bedoel daarmede de producten die te oud zijn die teruggenomen worden en vervangen door verse producten. Vervolgens worden per maand de facturen opgemaakt. Alle ontvangsten zonder uitzondering worden geboekt in het kasboek en dan verwerkt in de computer om de BTW-aangifte te kunnen voldoen. Het is juist dat niet alle bestelbons of leveringsbons worden gefactureerd, dit op uitdrukkelijk verzoek van onze klanten. De klant deelt telefonisch mede welke bestelbons per maand mogen worden gefactureerd.” (nieuw stuk 9, laatste bladzijde).
4. Op 13 december 1983 voerde de heer V. M., verbonden aan de 1° Inspectie van de B.B.I. te Antwerpen, een plaatsbezoek uit bij concluante. Er werd nagezien of er sporen van verkoop van fruitsap van NV B. J. voorhanden waren. Er werd een stockopname verricht (stuk 64).
De heer V. M. vond in de koelkast 16 flessen van 1 liter met sinaasappelsap en vermeldde in zijn verslag : “… het zou zogenaamd zelf bereid zijn – we treffen echter noch een fruitpers noch kisten sinaasappelen aan …” (stuk 64, tweede bladzijde).
5. Met schrijven d.d. 5 juni 1984 deelden de heren L. en S. van de A.B.B.I. te Antwerpen aan de onderzoeksrechter te Brugge mee dat zij de betrokken hoofdcontroleurs alle informatie uit het gerechtsdossier “B. J.” bezorgd hadden (nieuw stuk 10).
De ambtenaren van de A.B.B.I. brachten de eindresultaten van hun verslag op 18 september 1984 ter kennis van de onderzoeksrechter te Brugge.
In voormeld verslag d.d. 18 september 1984 deelden de B.B.I.-ambtenaren mee waarop zij hun berekeningen steunden. Zij stelden : “… Uit de inbeslaggenomen documenten blijkt enerzijds een een gehouden frauduleus systeem in de schoot van de firma bestaande uit zeer gebrekkige facturatie der geleverde goederen aan de klanten uit de horeca sector. Practisch alle leveringen betreffen horeca-bedrijven. Door het systeem der zeer gedeeltelijke facturatie ontsnappen deze bedrijven veelal aan de winst-taxaties op basis der gekende aankopen. De BTW i.v.m. deze niet gekende verkopen wordt niet afgedragen aan de Schatkist (nieuw stuk 10 f).
Anderzijds blijkt uit vergelijking van officiële en zwarte kasboeken over gans het jaar 1982 de uitgave van niet in de officiële boekhouding opgenomen bezoldigingen, vergoedingen, aankopen e.a. …
De omvang van de fraude en leemten kan m.i. best omschreven aan de hand van cijfermateriaal enkel beschikbaar over het jaar 1982 … (nieuw stuk 10 g; cfr. nieuw stuk 1 b).
Gezien de analoge uitbatingsmodaliteiten over 1980 en 1982 mag m.i. de ontdoken belasting over deze periode als volgt geraamd (regel der evenredigheid) :
Aangegeven omzet 1982 …
Aangegeven omzet 191 …
Aangegeven omzet 1983 … (nieuw stuk 10 b)
De beschikbare gegevens van de maandelijkse historiek “klanten”-“leveringen” (juni en dec. 82 onvolledig) afgeleverd via automatische procedures, samen met de vermeldingen van de klantenlisting BTW afgeleverd door B. J. …” (nieuw stuk 10 g).
6. Begin september 1984 contacteerde voormele B.B.I.-ambtenaar, de heer V. M., de accountant van concluante.
De heer V. M. beschikte op dat ogenblik blijkbaar over gegevens die zouden moeten uitwijzen dat concluante fruitsappen van NV B. J. zou bekomen hebben zonder factuur (stuk 61-63).
Concluante werd telefonisch verzocht om toelichting te verstrekken bij de door haar aangegeven cijfers (stuk 59).
Met schrijven d.d. 10 september 1984 verstrekte concluante de gewenste inlichtingen (stuk 59).
7. Op 6 november 1984 werden berichten van wijziging van aangifte verzonden aan concluante voor de aanslagjaren 1982 en 1983. De A.B.B.I. kondigde een aanvullende aanslag aan op een netto-meerwinst ten bedrage van … BF, behaald door de verkoop van 4.332 liter beweerdelijk zonder factuur van N.V. B. J. aangekochte fruitsappen voor 1982. Deze meerwinst zou als reserve belast worden mits creditboeking in hoofde van de bestuurder van concluante (stuk 26).
Voor aanslagjaar 1983 werd een gelijkaardige taxatie aangekondigd op een meerwinst van … BF naar aanleiding van 4.991 liter beweerdelijk zonder factuur aangekocht fruitsap (stuk 47).
Met schrijven d.d. 20 november 1984 deelde concluante haar niet-akkoord met de aangekondigde aanvullende aanslag. voor aanslagjaar 1982 mee·(stuk 72).
Hierop repliceerde de Inspecteur van de A.B.B.I. dat in geval van niet-akkoord zou overgegaan worden tot het belasten van de vermeende meerwinst artikel 132 WIB (stuk 73).
8. In antwoord op het verzoek van concluante om inzage van de rechtsvordering en van de overtuigingstukken te bekomen deelde de BBI-inspecteur mee dat zij inzage van het gerechtsdossier “NV B. J.” zou kunnen verkrijgen op het gerechtshof te Brugge (stuk 73).
Met schrijven d.d. 18 december 1984 werd de betrokken onderzoeksrechter te Brugge aangeschreven. Volgende vragen werden gesteld :
werd concluante vermeld in de rechtsvordering ?
op welke datum werd de rechtsvordering ingesteld (nieuw stuk 14) ?
Met schrijven d.d. 27 december 1984 antwoordde de onderzoeksrechter, de heer B., dat er op dat ogenblik gaan sprake was van concluante in het dossier. De zaak zou slechts op 17 februari 1983 aanhangig gemaakt zijn op het kabinet van de onderzoeksrechter (nieuw stuk 15).
Aan de B.B.I. werd één en ander meegedeeld met schrijven d.d. 4 januari 1985. Concluante verzocht om inzage van de “afgetekende bestelbons of leveringsbons” (stuk 75).
In antwoord op dit schrijven van concluante nam de heer V. M. op 3 januari 1985 telefonisch contact op met de accountant van concluante. Er werd concluante meegedeeld dat de B.B.I. geen inzage zou verlenen, de aangekondigde aanslagen zouden gevestigd worden en concluante alsdan inzage van de stukken in het bezwaardossier zou bekomen (stuk 76).
9. Met bericht van wijziging van aangifte d.d. 25 februari 1985 werd de toepassing van artikel 132 WIB in voormelde zin aangekondigd voor aanslagjaren 1982 en 1983 (stuk 27 en 48).
Een gelijkaardige aanvullende aanslag voor aanslagjaar 1984 werd met bericht van wijziging d.d. 25 februari 1985 aangekondigd op een meerwinst van … BF. Deze zou behaald zijn door de verkoop van 3.508 liter, beweerlijk zonder factuur van NV B. J. aangekocht fruitsap (stuk 78).
10. Met schrijven d.d. 8 maart 1985 liet concluante haar niet-akkoord kennen met de drie aankondigde aanvullende aanslagen. De taxatiedienst werd een procurefout verweten, terwijl uit de forfaitaire narekeningen overduidelijk zou gebleken zijn dat de aangegeven kasontvangsten ruimschoots volstonden (stuk 79).
11. Concluante bekwam geen enkele reactie. Met berichten van wijziging van aangifte d.d. 19 september 1985 werd het bedrag der “nieuw bewezen lasten of bedragen” voor aanslagjaar 1983 opgetrokken van … BF tot … BF en voor aanslagjaar 1984 van … BF tot … BF (stuk 49 en 81).
Met schrijven d.d. 10 oktober 1985 verzocht concluante om een uitstel teneinde de aangekondigde wijzigingen op deugdelijke wijze te kunnen weerleggen (stuk 85).
Niettemin werd er een kennisgeving van aanslag van ambtswege d.d. 5 november 1985 verzonden wegens gebrek aan tijdig antwoord op voormelde berichten van wijziging d.d. 19 september 1985 (stuk 88).
Met schrijven d.d. 12, 26 en 27 november 1985 werd het niet-akkoord met de op 19 september 1985 ter kennis gebrachte cijfers uitvoerig gemotiveerd (stuk 90-92).
12. Op 17 december 1985 werd de met bericht van wijziging van aangifte d.d. 25 februari 1985 aangekondigde aanslag voor aanslagjaar 1982 in·een uitvoerbaar verklaard kohier opgenomen onder kohierartikel … (stuk 35).
Eveneens op 17 december 1985 werd de met bericht van wijziging van aangifte d.d. 25 februari 1985 aangekondigde aanslag voor aanslagjaar 1985 in een uitvoerbaar verklaard kohier opgenomen onder kohierartikel … (stuk 99).
Op 19 december 1985 werd de met bericht van wijziging van aangifte d.d. 25 februari 1985 aangekondigde aanslag voor aanslagjaar 1983 in een uitvoerbaar verklaard kohier opgenomen onder kohierartikel … (stuk 54).
13. Op 17 februari 1986 werkten de betrokken B.B.I. -ambtenaren hun verificatieverslag af (stuk 102).
14. Met schrijven d.d. 28 april 1986 diende concluante bezwaar in tegen de drie voormelde aanvullende aanslagen in de vennootschapsbelasting (stuk 103).
15. Het gerechtelijk onderzoek lastens de verantwoordelijken van NV B. J. was op dat ogenblik nog steeds aan de gang. Zo verhoorden de gerechtelijke diensten op 5 februari 1987 nog vader R.. De heer R. R. verklaarde onder meer dat de boekhoudkundige achterstand fel werd weggewerkt door middel van een in 1982 geïnstalleerde computer (nieuw stuk 12).
Op 30 maart 1987 werden de in 1983 in beslag genomen documenten ter griffie van de overtuigingstukken van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge neergelegd (nieuw stuk 13).
Blijkens de enige in het gerechtsdossier “R. (B. J.)” voorkomende inventaris van overtuigingstukken werden volgende stukken in beslag genomen en ter griffie neergelegd :
- uitgaande facturen 1981, routeafrekeningen, kosten-lonen registers 1981;
- aankoop- en uitgaande facturen 1982;
- historiek 1982-computerlijsten;
- uitgaande facturen 1983 nrs. 1 tot 500, evenal routeafrekeningen;
- historieken maanden 1 t/m 5/83-computerlijsten;
- grote hoeveelheden leveringsbons van de jaren 1981-1982 en 1983;
- diverse bescheiden, waaronder routeafrekeningen, routebladen, acht kasboeken over de jaren 1981-82 en 83, gecomputeriseerde boekhoudingslijsten;
- dagafschriften …
- dagafschriften … (nieuw stuk 13).
16. Op 26 februari 1987 werd het onderzoek van het bezwaarschrift van concluante aangevat. De accountant van concluante werd uitgenodigd voor een onderhoud (stuk 108).
Me schrijven d.d. 19 maart 1987 deelde de betrokken accountant aan de inspecteur geschillen mee dat het in diens schrijven d.d. 26 februari 1987 verwoorde standpunt: niet kon bijgetreden worden (stuk 109).
Met schrijven d.d. 7 mei 1987 verzocht de inspecteur geschillen de betrokken B.B.I.-inspecteur om mededeling van enkele exemplaren van leveringsbons aan concluante alsmede om mededeling van naam en adres van de chauffeurs die de·”zwarte" leveringen bij concluanten zouden moeten uitgevoerd hebben (stuk 110).
Met schrijven d.d. 7 mei 1987 werd tevens om mededeling van alle aankoopfacturen van fruitsappen verzocht (stuk 113).
Concluante bezorgde alle gevraagde aankoopfacturen met schrijven d.d. 27 mei 1987 (stuk 114-118).
Met schrijven d.d. 3 juni 1987 deelde hoofdcontroleur T. aan de inspecteur geschillen mee dat de leveringsbons zich bij het gerecht bevonden. Twee namen en adressen van chauffeurs van NV B. J. werden meegedeeld (stuk 111).
17. Om reden dat de inspecteur geschillen een gebrek aan stukken had werden de B.B.I-ambtenaren die het onderzoek inzake BTW hadden verricht met schrijven d.d. 29 juli 1987 gecontacteerd (stuk 118).
De inspecteur geschillen stelde in dit schrijven : "0m het standpunt der administratie zo goed mogelijk te kunnen verdedigen is het noodzakelijk te beschikken over de originele fiches, die zullen gevoegd worden bij het bezwaardossier. Indien hij niet in het bezit is van het gevraagde dan had ik graag vernomen war zulks berust …” (stuk 118).
De betrokken B.B.I.-ambtenaar, de heer K., deelde met schrijven d.d. 7 augustus1987 mee dat er geen sprake was van vaststellingen aangaande diverse leveringen. Er was één proces-verbaal voorhanden dat ter informatie werd meegedeeld. Het betrof een vaststelling d.d. 15 februari 1983 inzake levering van 5 bakken fruitsap door B. J. aan concluante (stuk 119 en 120).
18. Met schrijven d.d. 19 augustus 1987 deelde de inspecteur geschillen mee dat hij de grieven van concluante niet kon bijtreden. De copie der computerlisting werd meegedeeld aan concluante, terwijl tal van redeneringen werden verwoord ter ondersteuning van de door de B.B.I. bepaalde meerwinsten (stuk 123).
Met schrijven d.d. 15 september 1987 beantwoordde concluante het schrijven van de inspecteur geschillen (stuk 124). Dat de “computerlisting van NV B. J.” in geen geval correct was werd in de feiten aangetoond.
Er werden door concluante tevens stukken bijgebracht waaruit enerzijds bleek dat concluante in de betrokken periode wel degelijk over fruitpersen beschikte en anderzijds dat concluante in 1981 wel degelijk fruitsappen van NV B. J. had aangekocht. De inspecteur geschillen had beide zaken immers tegengesproken (stuk 126 en 127).
19. Met schrijven d.d. 20 november 1987 deelde de inspecteur geschillen vervolgens een concluante mee dat hij niettemin voornemens was een grotendeels afwijzend advies aan de Directeur t verstrekken.
Volgens de inspecteur geschillen diende de bestreden aanslag voor aanslagjaar 1982 integraal behouden te blijven. De aanslag voor aanslagjaar 1983 diende berekend te worden op een meerwinst van … BF en deze voor aanslagjaar 1984 op een meerwinst van … BF (stuk 129).
20. Op 7 juni 1988 bracht de inspecteur geschillen tenslotte zijn advies uit. Er werd een gedeeltelijke inwilliging voorgesteld (stuk 143).
21. De heer Gewestelijk directeur stelde vast dat de bestreden aanslag voor aanslagjaar 1984 gedeeltelijk diende ontheven te worden volgens de inspecteur-geschillen. Om die reden ging de directeur op zoek naar vergelijkingspunten (inzake zwarte aankopen bij NV B. J.). De op 5 andere belastingplichtigen, vermeend soortgelijken, betrekking hebbende stukken werden verzameld (stuk 132-142).
Op grond van deze vergelijkingsgegevens slaagde geïntimeerde er uiteindelijk in om de bezwaren van concluante, niettegenstaande het andersluidend advies van zijn inspecteur geschillen, volledig ongegrond te verklaren met beslissing d.d. 13
Overwegende dat appellante in haar eerste grief zegt dat de aanslagen gebaseerd zijn op een onrechtmatig bewijs i.v.m. het gebrek of het niet overleggen van een machtiging tot inzage en kopieneming uitgaande van de Procureur-generaal (artikel 235 par. 1 W.I.B.);
Overwegende dat deze grief niet werd opgeworpen in het bezwaarschrift en derhalve ook niet in de bestreden beslissing werd behandeld;
Overwegende dat deze grief niet werd opgeworpen in de voorziening maar wel in de eerste conclusie, ingediend op 19 juni 1992, derhalve tijdig (artikel 279, lid 2 W.I.B.) nu het administratief dossier op 5 mei 1992 ter griffie werd ingediend;
Overwegende dat de Belgische Staat in zijn conclusie van 3 december 1992 vermeldde dat de machtiging van de Procureur-generaal op 14 september 1983 werd verleend;
Overwegende dat appellante in .haar aanvullende conclusie d.d. 29 juli 1993 herhaalde dat zij twijfelde aan het bestaan van die machtiging;
Overwegende dat de Belgische Staat in conclusie van 22 november 1993 erop wees dat zij de datum van de machtiging had vermeld en dat die datum trouwens werd vermeld in het verificatierapport van de B.B.I. (stuk 102, blz. 4), wat inderdaad het geval is;
Overwegende dat de Belgische Staat, samen met de conclusie van 22 november 1993, stukken indiende waaronder de machtiging d.d. 14 september 1983 van de Procureur-generaal van Gent, verstuurd naar de Directeur-generaal van de administratie van de B.B.I. te Brussel, in antwoord op het verzoek van 16 augustus 1983; dat de Procureur-generaal toestemming verleende aan twee nader aan te duiden ambtenaren van de B.B.I. ”om ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, inzage en eventueel afschrift te nemen van het strafdossier notitie nr. C/1228/83 ten laste van de NV B. J. (R. P. en R. R.)";
Overwegende dat derhalve vaststaat dat de door appellante betwijfelde machtiging wel degelijk bestond en haar vorige desbetreffende argumentatie niet meer relevant was;
Overwegende dat appellante, die het stuk pas kon kennen bij postzending d.d. 18.11.1993, in een conclusie ter terechtzetting van 25 november 1993 vroeg dat :
1. alle stukken die te laat werden ingediend (dus ook de machtiging) uit de debatten zouden worden geweerd;
2. subsidiair, het Hof moet de onrechtmatige verwerping van de nieuwe stukken vaststellen;
3. nog meer subsidiair, de aanslagen zijn nietig wegens onrechtmatig onderzoek alsmede schending van artikel 263 par, 1, 3° W.I.B. (zie infra);
Overwegende dat uit het administratief dossier en uit de eerste conclusie van de Belgische Staat bleek dat er een machtiging van de procureur-generaal zou bestaan;
Overwegende dat, gelet op de tijdige en ontvankelijke nieuwe grief (artikel 278, lid 2 W.I.B.) de Belgische Staat normaliter de machtiging had moeten overleggen, zodat appellante, die al twee maal desbetreffend geconcludeerd had, bepaalde argumenten niet nodeloos had moeten uitwerken;
Overwegende dat de stukken inderdaad niet werden. ingediend binnen de termijn, bepaald in artikel 283 W.I.B.;
Overwegende dat het echter evident is, gelet op het belang van het al dan niet bestaan van de machtiging en van de inhoud ervan, dat het Hof het overleggen van dat stuk alleszins zou gevraagd hebben;
Overwegende dat appellante, zij het dan in ijltempo, heeft kunnen antwoorden op de nieuwe situatie, zodat de rechten van de verdediging niet geschonden werden;
Overwegende dat het Hof, ook na het verstrijken van de bepalingen van de artikels 282 t.e.m. 284 W.I.B., aan partijen of aan derden op grond van artikel 877 Ger. W. kan bevelen, bepaalde stukken over te leggen, indien het Hof, - wat hier het geval is - de machtiging en het strafdossier nodig acht om te kunnen beslissen (cfr. CARDYN, Ch., DEPRET, H, LOOCKX, M, Procédure fiscale contentieuse, T.II, Brussel, Bruylant, 1992, randnummer 203; zie o.a. cass. 7 december 1979, Pas. 1980, I, 443);
Overwegende dat trouwens een strafdossier en een machtiging, uitgaande van de Procureur-generaal, als openbare akten moeten beschouwd worden, die steeds tot aan de sluiting van de debatten kunnen worden overgelegd;
Overwegende dat, nu de machtiging voor de dag is gekomen - zij het dan zeer laat – het Hof moet vaststellen wat volgt;
Overwegende dat krachtens artikel 235 W.I.B., de parketten gehouden zijn, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar, belast met de vaststelling of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de zetting of de invordering van de door de Staat geheven belastingen nodig acht; dat van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging evenwel geen inzage mag worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de Procureur-generaal of de Auditeur-generaal; dat krachtens artikel 243 W.I.B., elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een fiscaal staatsbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 235 en 236 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen, door de Staat kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som; (cass. 8 oktober 1993, F 1980 N/1; Fiscale Koerier, 1993 648-650; Fiscoloog, 1993. nr. 447, p. 5-6);
Overwegende dat derhalve duidelijk is dat de administratie machtiging heeft gekregen zoals hierboven uiteengezet en dat zij met die machtiging ook een onderzoek bij appellante rechtsgeldig kon doen;
Overwegende dat de machtiging impliceert dat geïntimeerde ook de processen-verbaal en andere stukken van het strafdossier die reeds voor de datum van de machtiging bestonden, mocht inzien en/of laten fotocopiëren vanaf de datum van de machtiging;
Overwegende. dat appellante opwerpt dat niet bewezen werd dat er op 15 februari 1983 een rechtsvordering bestond;
Overwegende dat zij, subsidiair, van oordeel is dat de bepalingen van artikel 263 par. 1, 3° W.I.B. niet van toepassing zijn;
Overwegende dat geïntimeerde in zijn laatste conclusie zegt dat hij verkeerdelijk de rechtsvordering op 15 maart 1983 had vermeld, terwijl het 15 februari 1983 moest zijn;
Overwegende dat de stukken die geïntimeerde indiende samen met zijn conclusie van 22 november 1993, openbare akten zijn die na de termijnen van artikel 282 e.v. W.I.B. mogen worden ingediend;
Overwegende dat desbetreffend het Hof, supra over de stukken reeds geoordeeld heeft;
Overwegende dat de Procureur des Konings van Brugge op 15 februari 1983 de Onderzoeksrechter vordert tot een gerechtelijk onderzoek, overwegende dat de feiten, vermeld in de bijgevoegde stukken van aard zijn om tegen R. en P. R. de telastlegging uit te maken van, te Knokke-Heist, periode 9.2.1979 tot heden :
A) i.o. artikel 340, 1° lid; 347 en 350 W.I.B.; artikel 66 Strafwetboek;
B) (... inbreuken op W.BTW)
C) i. o. artikel 66 Strafwetboek en 498 Strafwetboek;
Overwegende dat het bestaan van de rechtsvordering niet meer kan worden betwist;
Overwegende dat de belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken, ingeval :
(art. 263 par. 1, 3°)" een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld";
Overwegende dat volgens artikel 263 par. 2, 3° W.I.B., de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de in par. 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend;
Overwegende dat de bijzondere termijn, bepaald in artikel 263 par. 1, 3° W.I.B., niet alleen van toepassing is, wat de rechtstreeks in de zaak betrokken belastingplichtigen betreft, maar ook ten opzichte van alle andere personen in wier hoofde de rechtsvordering een verzwijging van belastbare inkomsten uitwijst;
Overwegende dat uit de stukken blijkt dat zelfs in 1987 nog geen beslissing werd genomen, zodat de aanslagen in 1985 alleszins werden gevestigd artikel 263 par. 1, 3° W.I.B.;
Overwegende dat appellante opwerpt dat de aanslagen willekeurig zijn, wegens schending van de artikelen 246 en 248 W.l.B.;
Overwegende dat, indien de aanslagen op grond van artikel 248 W.I.B. par. 1, zouden gevestigd zijn, zij nietig zouden zijn indien bepaalde voorwaarden, vermeld in artikel 248, par. 1, niet zouden vermeld zijn geweest;
Overwegende dat in het raam van artikel 246 W.I.B. - dat infra zal behandeld worden - overbodig gewag werd gemaakt van vier andere gelijksoortige instellingen, als bijkomend en niet noodzakelijk argument; dat het hier geenszins gaat om een bewijs te leveren door het omzeilen van de voorwaarden van artikel 248 par. 1, W.I.B.; dat het Hof trouwens die vergelijking niet relevant acht (cfr. Cass. 30 april 1987, F.J.F. 87/166);
Overwegende dat de vergelijking trouwens pas werd gemaakt na de aanslagen, in het advies van de inspecteur zodat de aanslagen gevestigd werden op grond van artikel 246 W.I.B. (onder voorbehoud van wat volgt);
Overwegende dat in verband met de grief wegens schending van artikel 246 W.I.B. en de willekeurigheid, de stelling van de fiscus moet worden gelezen (bestreden beslissing) :
“…
Overwegende dat bij een in 1988 uitgevoerde huisvisitatie door de Bijzondere Belastinginspectie, District-Antwerpen 1, op het exploitatieadres van de NV B. J. te Knokke-Heist, computer-listings en door de afnemers voor ontvangst getekende leveringsbons in beslag werden genomen;
Dat ingevolge een in 1983 door de Procureur-generaal te Gent afgeleverde toelating tot inzage van het gerechtsdossier uit een ter zake ingesteld onderzoek bleek dat :
- de computer-Iistings de werkelijk geleverde hoeveelheid fruitsap weergeven voor de periode mei 1981 t/m mei 1983;
- de door de NV B. J. uitgeschreven uitgaande facturen meestal niet overeenstemmen met de werkelijk gedane leveringen:
Overwegende dat volgens voormelde listings reclamante de volgende hoeveelheden fruitsappen zou hebben afgenomen :
Mei 1981 t/m december 1981 4.332 liters voor … F.
1982 5.447 liters voor … F.
Januari 1983 t/m mei 1983 1.784 liters voor … F.
Totaal 11.563 Iiters voor … F.
Overwegende dat van deze leveringen slechts de volgende In de boekhouding van reklamante werden teruggevonden :
30 september 1982 84 liters voor … F.
30 november 1982 312 liters voor … F
31 december 1982 60 liters voor … F
Subtotaal 456 liters voor … F
27 mei 1983 60 liters voor … F
Totaal 516 liters voor … F
Overwegende dat het debiet fruitsappen bIJ reclamante het volgende beeld vertoont :
A. Aantal kisten appelsienen
B. Opbrengst in liter
C. Prijs van A
O. Aangegeven aankopen fruitsappen andere dan die van B. J.
E. Aangegeven aankopen fruitsappen van B. J.
F. Totaal aangegeven aankopen
G. Niet aangegeven aankopen bij B. J.
H. Totaal F + G
| A | B | C | D | E | F | G | H | |
| 1981/1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 2 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 3 | 10 | 80 | 6.500 | 0 | 0 | 80 | 0 | 80 |
| 4 | 8 | 64 | 5.200 | 0 | 0 | 64 | 0 | 64 |
| 5 | 6 | 48 | 3.480 | 0 | 0 | 48 | 654 | 702 |
| 6 | 5 | 40 | 2.750 | 0 | 0 | 40 | 602 | 642 |
| 7 | 6 | 48 | 3.180 | 0 | 0 | 48 | 696 | 744 |
| 8 | 5 | 40 | 3.000 | 0 | 0 | 40 | 696 | 736 |
| 9 | 2 | 16 | 1.300 | 0 | 0 | 16 | 648 | 664 |
| 10 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 508 | 508 |
| 11 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 372 | 372 |
| 12 | 1 | 8 | 450 | 0 | 0 | 8 | 156 | 164 |
| 43 | 344 | 25.860 | 0 | 0 | 344 | 4.332 | 4.676 | |
| 1982/2 | 2 | 16 | 1.500 | 0 | 0 | 16 | 346 | 362 |
| 2 | 3 | 24 | 2.250 | 0 | 0 | 24 | 348 | 372 |
| 3 | 0 | 0 | 0 | 15 | 0 | 15 | 391 | 406 |
| 4 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 665 | 665 |
| 5 | 2 | 16 | 1.180 | 0 | 0 | 16 | 679 | 695 |
| 6 | 4 | 32 | 2.000 | 18 | 0 | 50 | 0 | 50 |
| 7 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 762 | 762 |
| 8 | 2 | 16 | 1.600 | 0 | 0 | 16 | 762 | 778 |
| 9 | 3 | 24 | 2.400 | 254 | 84 | 1.334 | 552 | 681 |
| 10 | 3 | 24 | 2.400 | 0 | 0 | 24 | 300 | 324 |
| 11 | 3 | 24 | 1.600 | 0 | 312 | 336 | -12 | 324 |
| 12 | 2 | 16 | 1.600 | 0 | 60 | 76 | 198 | 274 |
| 24 | 192 | 16.530 | 584 | 456 | 7.064 | 4.991 | 5.697 | |
| 1983/1 | 2 | 16 | 1.200 | 0 | 0 | 16 | 269 | 385 |
| 2 | 2 | 16 | 1.300 | 12 | 0 | 28 | 288 | 316 |
| 3 | 3 | 24 | 1.950 | 0 | 0 | 24 | 246 | 270 |
| 4 | 2 | 16 | 1.400 | 0 | 0 | 16 | 485 | 501 |
| 5 | 2 | 16 | 1.300 | 12 | 60 | 88 | 336 | 424 |
| 6 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 7 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 8 | 3 | 24 | 1.240 | 0 | 0 | 24 | 0 | 24 |
| 9 | 0 | 0 | 0 | 42 | 0 | 42 | 0 | 42 |
| 10 | 10 | 80 | 5.325 | 35 | 0 | 115 | 0 | 115 |
| 11 | 0 | 0 | 0 | 14 | 0 | 14 | 0 | 14 |
| 12 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 24 | 192 | 13.715 | 115 | 60 | 367 | 1.724 | 2.091 |
Overwegende dat reclamante de juistheid van de computerlistings van de NV B. J. betwist en daarbij de volgende argumenten doet gelden :
- dat op 25 februari 1983 door een verificateur-accountant van de 8e controle van de BTW een levering van vijf bakken fruitsap werd vastgesteld dan wanneer op de computerlisting sprake is van 7 bakken;
- dat op de afleveringsbon n° … de datum van 2 juli 1981 staat vermeld dan wanneer volgens de computerlisting deze levering zou plaats gehad hebben op 2 juli 1982 ;
Overwegende dat blijkens de leveringsbon n° … op 25 februari 1983 84 liters, hetzij 7 bakken fruitsam werden geleverd;
Overwegende dat het feit dat door de controledienst van de BTW slechts een levering van 5 bakken werd vastgesteld, de bewijskracht van deze bon geenszins aantast;
Dat men immers in het ongewisse is op welk ogenblik van de levering de vaststelling werd gedaan;
Dat, vermits van deze levering geen sprake is, noch in het verificatieverslag van de Bijzondere belastinginspectie, noch in de opgave die door accountant L. C. op 27 mei 1987 werd verstrekt enkel bewezen is dat reclamante zich in het zwart bevoorraadde;
Overwegende dat op de computerlisting van de NV B.J. voor de maand juli 1982 melding wordt gemaakt van leveringbons met de volgende nummers, en zulks voor reclamante en twee andere klanten met dezelfde ligging :
| Reclamante | Klant A | Klant B | |
| Vrijdag 2 juli 1982 | 23038 | 23041 | 23090 |
| Maandag 5 juli 1982 | 23067 | 23070 | 23069 |
| Vrijdag 9 juli 1982 | 23115 | 23152 | 23153 |
| Maandag 12 juli 1982 | 48279 | 48276 | 48277 |
| Vrijdag 16 juli 1982 | 48318 | 48304 | 48305 |
| Maandag 19 juli 1982 | 48359 | 48362 | 48361 |
| Vrijdag 23 juli 1982 | 48467 | 48476 | 48213 |
| Maandag 26 juli 1982 | 24094 | 24091 | 24092 |
| Vrijdag 30 juli 1982 | 24030 | 24050 | 24051 |
Dat het in alle gevallen gaat om leveringen door chauffeur n° 8;
Overwegende dat op de listing van de maand juli 1981 voor reclamante en klant A (8 was nog geen afnemer) melding wordt gemaakt van de volgende nummers :
| Reclamante | Klant A | |||
| Bon | Chauffeur | Bon | chauffeur | |
| Vrijdag 3 juli 1981 | 4839 | 7 | 4845 | 7 |
| Maandag 6 juli 1981 | 4873 | 7 | 4877 | 7 |
| Woensdag 8 juli 1981 | 4902 | 7 | 4907 | 7 |
| Vrijdag 10 juli 1981 | 4935 | 7 | 4943 | 7 |
| Maandag 13 juli 1981 | 4958 | 7 | 7 | |
| Woensdag 15 juli 1981 | 4989 | 7 | 4991 | 7 |
| Vrijdag 17 juli 1981 | 8002 | 7 | 8009 | 7 |
| Maandag 20 juli 1981 | 7866 | 22 | 7878 | 22 |
| Vrijdag 24 juli 1981 | 8044 | 7 | 8051 | 7 |
| Maandag 27 juli 1981 | 8068 | 7 | 7 | |
| Vrijdag 31 juli 1981 | 8118 | 7 | 8123 | 7 |
Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, het als onwaarschijnlijk voorkomt dat de leveringsbon n° … daadwerkelijk zou dateren van donderdag 2 juli 1981;
Overwegende dat het bovenste gedeelte van de fotocopie die door reclamante verstrekt werd overplakt werd met ee machinaal vervaardigde klever dan wanneer deze bons normaliter met de hand door de chauffeur worden ingevud;
Dat aan de bovenrand van de klever trouwens nog uitlopers van het originele handschrift zijn waar te nemen;
Overwegende dat deze fotocopie als bewijsstuk om aan te tonen dat de computerlistings foutief zijn waardeloos is ;
Overwegende dat, vermits deze levering bovendien niet in de boekhouding van reclamante is opgenomen, noch in 1981, noch in 1982, dit stuk eens te meer aantoont dat reclamante zich in het zwart bij B. J. bevoorraadde;
Overwegende dat de wijze waarop reclamante in haar brief van 15 september 1987 het abnormaal verloop van het door haar aangegeven debiet van fruitsappen in 1982, met als uitschieter de maand november, tracht te verklaren op zijn minst als overtrokken voorkomt;
Overwegende dat, in tegenstelling tot haar bewering, in november 1982 immers wel sinaasappelen werden aangekocht (factuur n° 26 van W.);
Overwegende dat haar bewering “dat menig litertje van dit nieuwe sap In het komfoor verdween : “cum grane salis”·dient geïnterpreteerd;
Overwegende dat slechts na de bestudering van de procedurestukken reclamante de kwaliteit van het geleverde product in vraag is gaan stellen en uit de beperkte houdbaarheid ervan argument in haar voordeel tracht te trekken;
Overwegende dat die sap nieuw was vermits zij, blijkens haar eigen boekhouding, op 27 augustus 1982 in één koop 84 liters van dit beperkt houdbare product had aangekocht en zij terzake dus de nodige ervaring had opgedaan;
Dat uitgaande van de stelling van reclamante het totaal uitgesloten is dat zij :
- in november 1982 bij voortduur op maan- en vrijdagen overdreven hoeveelheden van dit zogeheten surrogaat zou hebben aangekocht;
- op 6 december 1982 en 27 mei 1983 opnieuw 60 liters van dit slechts twee dagen houdbare sap zou hebben afgenomen;
Overwegende dat blijkens de bon n° … slechte flessen werden teruggenomen (retours);
Overwegende dat vermits zelf geperst appelsiensap “werd aangelengd met al of niet veredeld leidingwaer” (sic) met fruitsap B. J. niet zozeer werd aangekocht omwille van de prijs maar wem om het gemak ingeval van een groot debiet :
Prijs sinaasappelsap J. in 1982 per Iiter … F
Vers geperst (… F. : 192) … F
Overwegende dat door reclamante bij de NV B.J. werd aangekocht voor een totaal bedrag van
1981 … F
1982 … F
1983 … F
Totaal … F
dan wanneer slechts de volgende aankopen geboekt werden
27 augustus …
november 1982 …
6 december 1982 …
27 mei 1983 …
Totaal …
Overwegende dat de bewering van reclamante dat “het aangegeven omzetcijfer ruimschoots voldoende is om het door de administratie vooropgezette cijfers voor de fruitsappen te dekken” als totaal onaanvaardbaar voorkomt;
Dat zulks er immers zou op neerkomen dat de aangegeven winst nog zou moeten verminderd worden met … F niet geboekte aankopen;
Overwegende dat men redelijkerwijs kan vermoeden dat wanneer een vennootschap zich in het zwart bevoorraadt, zij de overeenstemmende ontvangsten ook niet boekt;
Overwegende dat reclamante verder van oordeel is dat het rendement van 1 liter fruitsap 4 consumpties i.p.v. 5 consumpties is;
Overwegende dat reclamante zelf in haar forfaitaire berekening van het boekjaar 1982 voor de aankoop van 312 liters fruitsap bij de NV B.J. rekening houdt met 5 consumpties per liter;
Overwegende bovendien dat vijf andere voorname afnemers van het fruitsap B. J. het rendement van 5 consumpties per liter niet betwisten;
Overwegende dat geen enkele van deze in het Antwerpse gevestigde klanten de computerlistings van de NV B.J. betwist hebben;
Dat zij bovendien akkoord gingen om de omzet fruitsappen van het jaar 1983 te ramen op de aankopen bij de NV B. J. x de coëfficiënt 2,4;
Dat bij een klant die, zoals reclamante, vanaf mei 1981 fruitsappen aankocht bij voormelde NV, het debiet fruitsappen van het jaar 1981 met instemming van belanghebbende werd vastgesteld op de aankopen bij deze vennootschap x de coëfficiënt 1,5;
Overwegende dat de vergelijking met twee andere klanten van de NV B. J. met dezelfde ligging een hoger jaardebiet fruitsappen uitwijst dan dat weerhouden voor reclamante (kolom H);
Overwegende dat het aantal liters fruitsappen van het jaar 1982, groot 5.697 1/2 liters, geen rekening houdt met het feit dat de computerlisting van de maand juni ontbreekt;
Overwegende dat de omzet van het Jaar 1983 door de taxatieambtenaar slechts werd vastgesteld op :
Niet aangegeven 3.508 l
Aangegeven (kolom F) 367 l
Totaal 3.875 l
i.p.v. zoals bij de andere afnemers
Omzet januari t/m mei 1.896 l x coëfficiënt 2,4 = 4.550 l waarvan 4.183 l niet aangegeven;
Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, de door de taxitieambtenaar vastgestelde meerwinsten geenszins als overdreven voorkomen;
Overwegende dat wanneer hij over een bezwaarschift beslist, de Gewestelijke directeur niet gebonden is door het advies van de ambtenaren die bij het onderzoek van de grieven zijn tussen gekomen (Cassatie, 29 mei 1958 inzake M. en consoorten, Pas. 1958, I, 1073);
Dat het advies van de instruerende inspecteur om de meerwinst van het boekjaar 1983 te herleiden tot … F. niet kan worden bijgetreden;
Overwegende dat het Hof thans beschikt over de relevante stukken uit het strafdossier. dat het, zoals hierboven reeds gezegd, alleszins zou opgevraagd hebben indien de partijen ze niet zouden overgelegd hebben;
Overwegende dat het Hof ervan bewust is dat het mogelijk is dat appellante producten van de N.V. B. J. “zwart" heeft aangekocht;
Overwegende dat het Hof echter niet kan steunen op stukken en/of gezegden die uitgaan van derden. die er veelal belang bij hebben;
Overwegende dat het algemeen geweten is dat verkopers die aan meerdere kopers “zwart" leveren, gewoonlijk op vraag van die kopers, om boekhoudkundige en/of fiscale redenen, in hun "zwarte” boekhouding derden vermelden die niet of veel minder "zwart" kochten;
Overwegende dat vaak vertegenwoordigers of chauffeurs die moeten gaan leveren en die opdracht krijgen om slechts een bepaald percentage "zwart" aan de klanten te leveren, knoeien om bepaalde klanten die meer "zwart" willen hebben, ter wille te zijn en dan grotere "zwarte" leveringen op naam van andere klanten noteren, zodat de verkoper zelf niet noodzakelijk daarvan weet heeft;
Overwegende dat niet zeker is dat de van de NV B. J. uitgaande computerlisting, om de zojuist vermelde redenen, correct is;
Overwegende dat verklaringen van P. en R. R. algemeen zijn en geen gewag maken van appellante;
Overwegende dat uit het B.B.I. dossier kan worden opgemaakt dat appellante zelf sinaasappels aankocht, blijkbaar om ze tot drank te persen;
Overwegende dat het uitvoerig onderzoek van de B.B.I. weliswaar bepaalde vermoedens over zwarte aankopen kan opleveren, maar er geen vaststaande bewezen feiten worden gevonden die als basis van vermoedens kunnen dienen;
Overwegende dat, ondanks de indrukwekkende inspanningen van de B.B.I., de uitvoerige redengeving van de beslissing en van de conclusies van de Belgische Staat, de aanslagen als willekeurig moeten worden geacht, daar vermoedens op vermoedens werden gebouwd;
Overwegende dat derhalve de verdere grieven niet meer moeten onderzocht worden;
Dispositif
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van de Heer Voorzitter A. v. G.;
Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond;
Wijzigt de bestreden beslissing;
Verklaart het bezwaar gegrond;
Doet de aanslagen te niet;
Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling alle op grond van de vernietigde aanslagen onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 W.I.B. 92;
Verwijst geïntimeerde in de kosten, tot op heden aan de zijde van appellante, begroot op … frank;
M. G. L. V. H. L. M. A. V. G.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.