Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 30.12.1991
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, 5e Kamer - Openbare terechtzitting van 30 december 1991
Nr. der zaak : F 204/87
Aanwezig de Heren :
W. L., Raadsheer dd. Voorzitter;
E. H. en D. N., Raadsheren;
A. v. I., Substituut Procureur-generaal;
C. H., Griffier.
INZAKE VAN :
M. K., groothandelaar in vlees H.R.H. … en zijn echtgenote R. K., zonder beroep, beiden samenwonend te …, …
appellanten,
vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, …
1) Verzoekende partij … Mter. …, advocaat
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
L. A., advocaat.
Het Hof, na beraadslaging, zitting houdende in openbare zitting, geeft het volgende arrest :
De bestreden beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Hasselt van 27 augustus 1987 heeft de bezwaarschriften van appellanten tegen de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1981, 1982 en 1983, opgenomen in het kohier van de gemeente … anders nrs. …, … en …, grotendeels afgewezen.
De betwiste aanslagen werden gevestigd met toepassing van art. 251 WIB nadat volgens de taxatieambtenaar uit een gerechtelijk onderzoek lastens NV H. (groothandel in vleeswaren) zou gebleken zijn dat deze aan appellanten leveringen had gedaan die niet in de boekhoudkundige gegevens van appellanten (zelf vleeshandelaars) terug te vinden waren. Op basis van de aldus bekomen inlichtingen heeft de taxatieambtenaar de omzet en winst van de handel van appellanten voor de betrokken aanslagjaren herberekend met de betwiste aanslagen vandien.
In de bezwaarschriften ( (die omzeggens gelijkluidend zijn voor de drie betrokken aanslagjaren) betwistten appellanten dat zij aankopen hadden gedaan buiten deze opgenomen in hun boekhouding, hielden zij tevens voor dat de berekening van de winst hoe dan ook verkeerd was (kleinhandelsprijzen i.p.v. groothandelsprijzen) en verzochten zij om ontheffing van de belastingverhoging voor de aanslagjaren 1982 en 1983.
Wat betreft het aanslagjaar 1981 oordeelde de gewestelijke directeur dat de aanslag tijdig gevestigd was binnen de bijkomende termijn van twee jaar vermits appellanten met bedrieglijk opzet zouden hebben gehandeld (art. 259, 2 WIB).
Ten gronde oordeelde de directeur dat op rechtsgeldige wijze gesteund werd op gegevens uit het gerechtelijk dossier lastens NV H. waaruit de betwiste aankopen zouden blijken en welke volgens de directeur terecht als feitelijke vermoedens (art. 246 WIB) door de taxatieambtenaar werden aangewend om de belastbare grondslag te bepalen.
Wel werd de winst herberekend op basis van groothandelsprijzen en werd de belastingverhoging beperkt tot 50 % zodat in die mate ontheffing werd verleend.
In beroep voeren appellanten aan dat voor het aanslag jaar 1981 de belastingadministratie heeft nagelaten hen voorafgaandelijk in te lichten over de vermoedens van fraude zodat de aanslag voor dit jaar nietig is wegens schending van art. 240 WIB.
Tevens roepen appellanten in dat geen geldige toelating werd verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het strafrechtelijk dossier lastens NV H.. Alleszins betwisten appellanten dat dit gerechtelijk dossier het bewijs oplevert van de beweerde inkomsten en menen dat geïntimeerde het vereiste bewijs niet levert.
Volgens geïntimeerde werd op volkomen wettige wijze gebruik gemaakt van het vermelde gerechtelijke dossier en toont dit de betwiste inkomsten aan zonder dat appellanten erin slagen het tegenbewijs te leveren.
Betreffende de aangevoerde schending van art. 240 WIB inzake het aanslagjaar 1981 gedraagt geïntimeerde zich naar de wijsheid.
Overwegende dat met betrekking tot het aanslagjaar 1981 appellanten terecht de schending van art. 240 WIB inroepen; dat niet betwist is dat de aanslagtermijn omschreven in art. 259, § 1, 1 reeds verstreken was toen de betwiste aanslag gevestigd werd;
Overwegende dat de bestreden beslissing ter verantwoording van het toepassen van de verlenging van deze termijn met twee jaar zoals bepaald in art. 259, § 1, 2 WIB, enkel verwijst naar het bedrieglijk opzet waarmee appellanten zouden hebben gehandeld; dat volgens het voorschrift van art. 240, 3 WIB evenwel vereist is dat alsdan de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking;
Overwegende dat dergelijke kennisgeving niet is gebeurd; dat deze op straffe van nietigheid van de aanslag is voorgeschreven (art. 240, 3 in fine WIB); dat de aanslag voor het aanslagjaar 1981 nietig is;
Overwegende dat de toelating van de Procureur-generaal te Antwerpen tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier in kwestie in algemene bewoordingen is gesteld en geldt voor "de stukken die voor de zetting en/of de invordering van de belastingen van belang zijn" (stuk VIB/H 48);
Overwegende dat in strijd met de bewering van appellanten uit deze toelating niet is af te leiden dat deze niet mag aangewend worden voor de zetting van inkomstenbelastingen; dat zulks niet is af te leiden uit voormelde tekst van de toelating noch uit de referte bovenaan de toelating waarin verwezen wordt aar art. 211 Wetboek der met zegel gelijkgestelde aksen; dat ten overvloede genoemd art. 211 van toepassing is op alle belastingen en de omstandigheid dat inzake de inkomstenbelastingen een gelijkluidende bepaling bestaat (art. 235 WIB) niet impliceert dat deze belastingen uit de toepassing van art. 211 Wetboek Taksen uitgesloten zijn;
Overwegende dat geïntimeerde de gegeven toelating mocht aanwenden voor de zetting van inkomstenbelastingen;
Overwegende dat er geen betwisting over bestaat dat het kwestieuze strafdossier werd opgesteld lastens NV H.; dat de in dit dossier vervatte gegevens verzameld werden tegenover deze belastingplichtige doch volgens de bewering van geïntimeerde ook gegevens zou opleveren tegenover appellanten op basis waarvan de betwiste aanslagen gevestigd werden;
Overwegende dat in het schrijven van de Procureurgeneraal d.d. 18 oktober 1982 niet gespecifieerd werd tegenover welke belastingplichtige het nemen van inzage en afschrift toegelaten werd; dat wel verwezen wordt naar het verzoek van de administratie in volgende bewoordingen : "Verwijzend naar uw brief van 13 juni 1982 inzake NV H. te … (…), verleen ik hierbij toelating ... ";
Overwegende dat genoemd schrijven van de administratie niet aan het dossier werd toegevoegd; dat het er alle schijn van heeft dat de administratie om de gevraagde toelating verzocht met het oog op de zetting van belastingen opzichtens NV H.; dat alleszins niet bewezen is dat de administratie om toelating verzocht specifiek met betrekking tot de vestiging van litigieuze aanslagen lastens appellanten;
Overwegende dat geïntimeerde zich op art. 243 WIB beroept om de gegevens van het gerechtelijk dossier aan te wenden tegenover appellanten; dat geïntimeerde (er verkeerdelijk vanuit gaat dat op grond van genoemde wettekst een gerechtelijk dossier, waarvoor in verband met (een) bepaalde belastingplichtige(n) toelating tot het nemen van inzage en afschrift werd verleend door de Procureur-generaal, kan worden gebruikt tegen elke andere belastingplichtige; dat uit de tekst van art. 243 WIB niet kan worden afgeleid dat het door art. 235 WIB vereiste verlof geldt tegenover iedere belastingplichtige die mogelijk in dit dossier betrokken is; dat art. 243 WIB de belastingadministratie niet ontslaat van de verplichting tot geïndividualiseerd verlof van de Procureurgeneraal;
Overwegende dat geïntimeerde niet aantoont dat hij op rechtsgeldige wijze gebruik mocht maken van kwestieus gerechtelijk dossier om de betwiste aanslagen te vestigen; dat deze aanslagen op geen andere gegevens blijken gevestigd te zijn dan deze verkregen uit dit dossier; dat de aanslagen nietig voorkomen;
Overwegende dat het gerechtsdeurwaardersexploot van de aanzegging van de voorziening als kosten een bedrag vermeldt van 1.682 F; dat evenwel deze kosten dienen berekend overeenkomstig art. 293 WIB (zoals in strafzaken) en derhalve slechts (origineel + kopie 261 F, 2 rollen 124 F, 1 omslag 6 F) 391 F mogen bedragen;
Dispositif
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak
Gelet op art. 24 Wet 15 juni 1935
Gehoord in openbare zitting het verslag van raadsheer E. H. en het advies van het Openbaar Ministerie gegeven door Advocaat-generaal A. V. I.;
Verklaart de voorziening gegrond, wijzigt de bestreden beslissing en doet de betwiste aanslagen
Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle op grond van de vernietigde aanslagen ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten;
Verwijst geïntimeerde in de kosten van de voorziening aan de zijde van appellanten begroot op 391 F. (doorhaling goedgekeurd van 1 lijn en 4 woorden)
C. H. D. N. E. H. W. L.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.