Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 30.11.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 30-11-2010
BELASTINGEN
Nr. 2009/AR/2062
in de zaak van :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging van de administratie van de invordering, sector BTW, in de persoon van :
1. de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. VinckeDujardinstraat 4, en
2. de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Tielt, met kantoren te 8700 TIELT, Tramstraat 50,
appellant,
hebbende als raadsman mr. D. S. L., advocaat te …, …
tegen :
V. S. J., tekenaar, wonende te …, …,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. V. B. R., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 juli 2009 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 23 december 2008 waarbij het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door D. L. B., eerstaanwezend inspecteur van het BTWontvangkantoor te Brugge op 8 oktober 2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 december 2007 door T. V., eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge en betekend op 30 oktober 2007 bij gerechtsdeurwaardersexploot, werd ingewilligd.
Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde af te wijzen als niet gegrond, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.
Op zijn beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens
De geïntimeerde is eigenaar van een woning te …, … waarvoor een bouwvergunning tot verbouwen werd verleend.
Met het oog op de vaststelling van het juiste tarief gebeurde er op 30 juli 2002 een plaatsbezoek door J. R. (stuk 1). Daarbij werden volgende bemerkingen gemaakt :
"praktisch volledig nieuwbouw. Enkel de voorgevel is blijven staan, plus minus 1/3 uitbreiding. Volledig nieuwe binnenmuren in snelbouw" (overige tekst onleesbaar).
Tussen de partijen is betwisting ontstaan betreffende het BTW-tarief voor werken in onroerende staat. De administratie betwistte dat het verlaagd tarief zou van toepassing zijn omdat het volgens haar gaat om een nieuwbouw. Over een door de appellant opgemaakte correctieopgave kon geen akkoord worden bereikt.
Op 11 juli 2003 werd een bezwaarschrift ingediend nopens de tarifering van de BTW. De geïntimeerde ontkende dat het een nieuwbouw betrof omdat enkel het dakgebinte vernieuwd werd en een binnenmuur herbouwd werd na sloping op een nieuwe fundering. De afbraak van bepaalde buitenmuren was noodzakelijk voor de uitbreiding en in functie van de integratie van de nieuwe gedeelten in het bestaande oude gebouw.
Op de weigering van de appellant de grieven van de geïntimeerde in te willigen werd een (aanvullend) bezwaarschrift overgemaakt op 22 oktober 2003 waar de berekening van de oppervlakte van het oude gedeelte en het nieuwe gedeelte werd besproken.
Het door de geïntimeerde ingestelde bezwaar werd op 18 februari 2004 afgewezen. Onder meer werd overwogen dat voor de toepassing van het verlaagd tarief de uitgevoerde werken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren en meer algemeen op de wezenlijke structuur van het bestaande gebouw.
Bij brief van 9 april 2004 werd een herziening gevraagd van de beslissing van de BTW-diensten. Ook dit verzoek werd door de appellant afgewezen. De afwijzing van het bezwaarschrift werd expliciet op 24 november 2005 hernomen.
De niet betaling van de supplementaire BTW gaf aanleiding tot het uitschrijven, uitvoerbaar verklaren, viseren en betekenen van een dwangbevel, waaraan vooralsnog geen gevolg werd gegeven. Inmiddels blijven de partijen op hun standpunt. Op verzet van de geïntimeerde verklaarde de eerste rechter dit verzet gegrond.
Het is tegen voormeld vonnis dat hoger beroep werd ingesteld.
Beoordeling
De eerste rechter oordeelde dat de uitbreidingswerken niet van die aard zijn dat het oude bestaande gebouw nog slechts bijzaak is, dat 70 % van de oude dragende muren behouden werden en dat de gedane werken grotendeels steunen op die oude dragende muren. Voorts werd geoordeeld dat de onroerende werkzaamheden de omvorming van een woning uitmaken en geenszins de bouw van een nieuwe woning betekenen.
Alwaar werken in onroerende staat overeenkomstig art. 1, 3° van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven·van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals dat besluit toen van toepassing was, onderworpen waren aan het BTW-tarief van 20,5 % kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6 %. Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld KB gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé woning, ouder dan 20 jaar, tot voorwerp hebben".
De betwisting betreft het antwoord op de vraag of de door de geïntimeerde uitgevoerde werken aan zijn woning moeten worden beschouwd als een "omvorming, verbouwing" dan wel als een nieuwbouw. Inzonderheid moet worden nagegaan of deze werkzaamheden de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele tot voorwerp hebben.
De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Wel werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht.
Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw". Als nieuwbouw wordt aangemerkt "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur".
Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben moet vastgesteld worden dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen omvorming, verbouwing de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.
De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan.
Op het vlak van de berekening van de oppervlakte van het oude en het nieuwe gedeelte lopen de meningen ver uit mekaar. Hoe dan ook betreft dit een feitenkwestie die geval per geval moet worden beoordeeld.
Het Hof stelt vast aan de hand van de plannen dat het voorheen reeds vernieuwd dakgebinte met de onderplaten steunt op oude bestaande muren. Op de doorsnede van het plan ziet men duidelijk dat het vernieuwde dak steunt op oude dragende muren. Voorts gebeurde er een uitbreiding met een nieuwbouw achteraan en een gelijkvloerse uitbouw aan de zijgevel. De oppervlakte van de nieuwe gebouwen bedroeg respectievelijk 28,20 m2 op het gelijkvloers en 28,20 m2 op de verdieping, meer 22,57 m2 rechts vooraan. Over deze uitbreiding van 78,97 m2 bestaat er geen betwisting. In acht genomen de aanvankelijke oppervlakte bedraagt de uitbreiding ongeveer één derde. Met reden stelde de eerste rechter vast dat het oude bestaande gebouw zijn functie behield.
Tenslotte waren de uitgevoerde werken volgens de appellant zo omvangrijk dat gans de oude bestaande woning zou zijn afgebroken en compleet vernieuwd. Dit laatste komt niet bewezen voor. Het betrof namelijk daktimmer- en schrijnwerken, ruwbouwwerken, pleister werken, betegeling, technische uitrustingen die weliswaar tot doel hebben de woning te saneren doch daarom niet kunnen gelijk gesteld worden met een nieuwbouw die tot een verhoging van het BTW-tarief kunnen aanleiding geven.
Te dezen kan niet ernstig worden voorgehouden dat de uitgevoerde werken onder de noemer van een nieuwbouw worden gecatalogeerd.
Het hoger beroep van de appellant is derhalve ongegrond.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DERTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.