Contentieux, appréciation, recevable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 1er juin 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Contentieux, appréciation, recevableTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/contentieux-appreciation-recevable-cour-appel-gand-2010-06-01-92e4

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
1er juin 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

109 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêet de la Cour d'Appel de Gand du 01.06.2010

Résumé bon fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 01-06-2010

BELASTINGEN

Nr. 2009/AR/1164

in de zaak van :

1. L. R., technisch bediende, wonende te …, …,

appellant - in persoon verschijnend,

2. L. M., bediende, wonende te …, …,

appellante - niet verschijnend - arrest op tegenspraak bij toepassing van art. 747, § 2 Ger.W.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en domeinen, Invordering - sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur bij een fiscaal bestuur, Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. F. loco mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 29 april 2009 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 25 maart 2009 werd uitgesproken. De aanwezige partijen, zijnde de appellant en de geïntimeerde, hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 mei 2010. De appellante verscheen niet en was evenmin vertegenwoordigd. De geïntimeerde heeft tegen de appellante arrest op tegenspraak gevraagd met toepassing van artikel 747, § 2 Ger. W., waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis op 17 april 2009 werd betekend op verzoek van de geïntimeerde.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellanten zijn eigenaar van een woning aan de … te …. Op basis van plannen en vergunningen van 2004 hebben de appellanten bouwwerken aan de bestaande woning laten uitvoeren.

De aannemers op wie de appellanten beroep deden hebben hun werken en leveringen steeds aan het BTW tarief van 6 % BTW gefactureerd.

De controleambtenaar van de geïntimeerde is in de loop van de werken enkele keren ter plaatse geweest.

Op 8 september 2004 noteert hij dat aan de woning een aanzienlijk deel nieuwbouw werd toegevoegd, deels met dakverdieping, deels met plat dak (garage). Van de oude woning is het dak afgebroken en zijn de gewelven van de eerste verdieping eveneens weg. Enkel de buitenmuren zijn gebleven. (zie proces-verbaal van 9 september 2004). Op 13 januari 2005 maakte dezelfde ambtenaar opnieuw een proces­verbaal op waarin hij verklaart die dag te hebben vastgesteld dat de oude woning van nieuwe gewelven en een nieuw dak voorzien werden.

Na inzage van de plannen te hebben gevraagd en de aangifte voor de BTW te hebben beoordeeld, liet de taxatiedienst aan de appellant op 25 mei 2007 weten van oordeel te zijn dat niet voldaan is aan de voorwaarden om het verlaagd tarief van 6 % te kunnen genieten en dat een correctieopgave zou volgen voor de na te heffen BTW. Hoewel de appellant liet weten dat en waarom hij niet akkoord ging, volgde toch de aangekondigde correctieopgave voor … euro BTW en … verminderde proportionele boete.

Na telefonisch onderhoud verduidelijkte de taxatiedienst nog zijn standpunt en vroeg het oordeel van de gewestelijke directie, die het standpunt van de taxatiedienst bijtrad.

Na daarvan te zijn op de hoogte gebracht, lieten de appellanten weten niet overtuigd te zijn en er bij te blijven dat de toepasselijke reglementering tot de conclusie leidt dat het BTW-tarief van 6 % moet worden toegepast.

Omdat de appellanten niet akkoord gingen, heeft de taxatieambtenaar op 13 november 2007 een·proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard :

- … euro BTW;

- … euro verminderde proportionele geldboete en

- de wettelijke interest op de BTW.

In dat proces-verbaal worden de feiten weergegeven die de geïntimeerde in zijn conclusies als volgt samenvat, feitenweergave waarvan de appellanten uitdrukkelijk in conclusies stellen dat ze het er mee eens zijn :

Uit dit proces-verbaal en de bouwplannen blijkt dat de bouwwerkzaamheden enerzijds bestonden uit de volledige afbraak van het achterliggende gedeelte waarin vroeger de keuken, bijkeuken en badkamer was gevestigd, de van het huis losstaande garage en berging en de volledige bovenverdieping.

Achteraan werd een volledig nieuw gedeelte opgetrokken bestaande uit twee bouwlagen : op het gelijkvloers bevindt zich de keuken met eethoek, de berging,. bijkeuken en vestiaire. Op de verdieping een slaapkamer, badkamer en een stuk gang.

Bovendien werd aan de rechterkant een volledig nieuwe garage aangebouwd.

Anderzijds werd het voorste gedeelte grondig omgebouwd. Deze werd sterk ontmanteld en zodanig afgebroken dat eigenlijk slechts de grove ruwbouw behouden werd. De volgende bouwwerkzaamheden grepen hieraan plaats :

- nieuwe dakverdieping :

- nieuw dakgebinte en/of nieuwe dakbedekking;

- vervangen van de houten roostering aangezien deze rot bleek te zijn;

- gieten van nieuwe ringbalk.

- nieuwe binnenindeling (van het gelijkvloers) : de binnenmuren werden alle afgebroken behalve klein stukje tussen kelder en bureau en nieuwe muren werden opgetrokken.

- nieuwe opdeling van buitenmuren : bestaande venster- en deuropeningen werden dichtgemaakt en nieuwe openingen werden voorzien.

- nieuwe gevelsteen.

Bij gebrek aan betaling werd op 29 november 2007 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 13 november 2007, met dien verstande dat nu ook interest op de geldboete en de vervolgingskosten verschuldigd werden verklaard. Het dwangbevel werd op 3 december 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en per aangetekende brief van 5 december 2007 ter kennis van de appellant gebracht.

Met een verzoekschrift van 28 februari 2008 stelden de appellanten hun vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De appellanten vorderden dat de rechtbank de onwettigheid van de BTW­vordering van … euro BTW en … euro boete zou uitspreken en de geïntimeerde tot de gerechtskosten zou veroordelen.

In het vonnis van 25 maart 2009 heeft de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de vordering van de appellanten ongegrond verklaard en de appellanten. veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. Vordering van de appellanten

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de onwettigheid van de BTW-vordering van … euro en de boete van … euro zou uitspreken.

De appellanten vragen bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

3.2. Vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vordert dat het Hof het hoger beroep van de appellanten als ongegrond zou afwijzen.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

4. Betwisting - beoordeling

4.0. In wezen beroepen de beide partijen zich op dezelfde wettelijke, reglementaire en administratieve bepalingen die vastleggen in welk geval voor particuliere bouwwerken aan een woning het tarief van 6 % kan worden toegepast. Zij hebben evenwel een verschillend standpunt met betrekking tot de interpretatie en de concrete invulling van die bepalingen in het concrete geval.

Het Hof moet beoordelen of de werken in onroerende staat die door en in opdracht van de appellanten op de betreffende plaats zijn uitgevoerd, ‘de omvorming, renovatie, rehabilitatie of verbetering' van de vroegere woning van de appellanten tot voorwerp hebben. De andere voorwaarden om van het verlaagd BTW-tarief te kunnen genieten, zoals voorzien in rubriek XXXI van tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970, staan niet ter discussie.

Deze vraag is een feitenkwestie.

4.1. Algemeen juridisch kader

In principe moet het Hof de zaak beslechten op basis van de wetteksten. Geïntimeerde verwijst terecht naar een standpunt in de rechtspraak waar wordt aangenomen dat de wettekst veel beperkter is dan de administratieve invulling in de circulaire nr. 6/1986 waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' (transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekenis worden uitgelegd. Zij omvatten normaal gezien geen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, § 3, 1° van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits er steeds van uitgegaan wordt dat er niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'.

Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan (randnr. 30), een administratieve toegeving op de wettekst is. De afbakening van het wettelijke begrip 'omvorming van een woning' wordt in die circulaire als volgt gemaakt :

Onder ‘omvorming' wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.

Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

De administratie ging zelfs nog verder toen ze in 1994 besliste om een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan door het standpunt als volgt aan te vullen :

De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.

Deze 'uitbreiding' op de administratieve toegeving, doet evenwel niets af van de basisdefiniëring van het begrip 'omvorming van een woning' zoals weergegeven in randnummer 30 van de circulaire 6/1986.

4.2. Concrete invulling

4.2.0. De appellanten leggen de officiële goedgekeurde plannen voor met daarop zowel de oude als de nieuwe toestand.

4.2.1. Op basis van alle voorliggende plannen en beschrijvingen is het Hof alvast van oordeel dat de nieuwe toestand van dien aard is dat de 'oude woning' nog op afdoende wijze herkenbaar is in de 'nieuwe woning'. Het hoofdgebouw vooraan, is immers qua vorm, omvang, bouwlagen en dakvorm vrijwel geheel hetzelfde gebleven als voorheen. De achterbouw is weliswaar volledig nieuw, maar bevindt zich op dezelfde plaats als de vroegere (kleinere, en niet van een verdieping voorziene) achterbouw. De garage stond vroeger op een kleine afstand, rechts van de woning, maar staat nu nog steeds rechts, weliswaar volledig tegen de woning, maat nog steeds zonder verdieping.

4.2.2. Er bestaat geen betwisting over dat in het behouden gedeelte (het hoofdgebouw vooraan) in wezen alle buitenmuren behouden zijn (zie beschrijving in het proces-verbaal); met dien verstande dat de muuropeningen hier en daar verschoven zijn. De verschuivingen van muuropeningen (enkele vensters en een deur), veroorzaken op zich geen wezenlijke wijziging in de mate waarin die muren hun steunend karakter behouden (lintelen boven vensters en deuren compenseren het gebrek aan draagkracht van de onderliggende opening) en de verschuivingen zijn eerder beperkt.

De nieuwe houten vloerroostering van de verdieping wordt dus nog steeds, zoals voorheen, gedragen door de dragende buitenmuren van de benedenverdieping. Het dak (volledig nieuw) wordt nog steeds, zoals voorheen, gedragen door de behouden buitenmuren. Dat boven het vloerniveau van de verdieping een ringbalk werd aangebracht, heeft ongetwijfeld tot doel om de draagkracht van die behouden muren te verstevigen; zeker ten aanzien van het dak dat op de muren van de bovenverdieping rust. Toch belet dat niet dat het dak nog steeds op een relevante wijze op de oude dragende muren rust. De ringbalk is slechts een middel om de woning te verstevigen; dat past geheel in de betrachting om oude huizen niet geheel te slopen maar te vernieuwen, aangepast aan de hedendaagse normen, zodat ze opnieuw op duurzame wijze voor lange tijd als woning bruikbaar zijn.

Waar de achterbouw en de, garage volledig nieuw zijn, kan uiteraard geen toetsing gebeuren aan de vraag of op relevante wijze gesteund werd op de bestaande dragende muren. Voor deze gedeelten is slechts de vraag aan de orde of zij geen overdreven uitbreiding betekenen ten opzichte van de 'oude woning' (zie volgend randnummer).

4.2.3. Geheel binnen de idee dat omvorming ook toelaat om het gebouw te vergroten door toevoeging van nieuwe vertrekken en uitbreiding van bestaande vertrekken, was het de appellanten in principe toegelaten om nieuwe gedeelten toe te voegen aan het bestaande bouwwerk. De geïntimeerde hanteert daarbij terecht als norm dat de uitbreiding nooit tot gevolg mag hebben dat de oppervlakte van het oude gedeelte op zijn minst groter moest zijn dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na uitvoering van de werken.

Anders dan de geïntimeerde nochtans voorhoudt, moet de vloeroppervlakte van de bovenverdieping van het hoofdgebouw vooraan wel degelijk worden meegerekend. Het enkele feit dat de houten vloerroostering door een nieuwe houten vloerroostering werd vervangen, betekent niet dat er sprake is van een nieuwe vloeroppervlakte. De benadering aan de hand van de vloeroppervlakte heeft tot doel na te gaan hoe groot de uitbreiding is van het bestaande gebouw. Er kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat het vervangen van de vloerstructuur tussen de behouden buitenmuren tot gevolg zou hebben dat er sprake is van uitbreiding; deze vervanging wijzigt immers niets aan het feit dat de oude ruimte behouden blijft tussen dezelfde buitenmuren. Zelfs wanneer kan worden aangenomen dat een vloerroostering niet louter als functie heeft de onderkant van de bevloering te zijn, maar ook enigszins bijdraagt tot de stevigheid van het gebouw (doordat het de muren tussen de verdiepingen verbindt), toch brengt het vervangen van een oude roostering door een nieuwe roostering tussen behouden buitenmuren geen uitbreiding van het gebouw teweeg.

Van dan af blijkt dat - zelfs in de minimalistische benadering van de geïntimeerde waarbij de kelderoppervlakte en ook de oppervlakte van de oorspronkelijke achterbouw niet worden meegerekend - de vloeroppervlakte van het oude gedeelte meer dan de helft bedroeg van de totale oppervlakte van de woning na. uitvoering van de werken.

Het oude gedeelte had in die benadering een oppervlakte van :

• beneden :11,59 m x 6,32 m = 73,25 m2

• boven :11,59 m x 6,32 m 73,25 m 2

Totaal oude gedeelte : 146,50 m2

De totale woning na de werken heeft in die benadering een oppervlakte van :

• voorgebouw beneden :11,59 m x 6,32 m = 73,25 m2

• voorgebouw boven : 11,59 m x 6,32 m = 73,25 m2

• achterbouw beneden : 6,7 m x 7,05 m = 47,24 m2

• achterbouw boven : 6,7 m x 7,05 m = 47,24 m2

• garage : 4,1 m x 8 m = 32,80 m2

Totaal volledige woning na de werken : 273,78 m2

Het aandeel van het oude gedeelte ten opzichte van de uiteindelijke woning na de werken bedraagt (146,50 m2/273,78 m2 =) 53,51 %, zijnde meer dan de helft van de totale woning.

In die omstandigheden tonen de appellanten op afdoende wijze aan dat zij gerechtigd waren op het BTW-tarief van 6 %.

Het dwangbevel moet integraal worden vernietigd en de eventuele bedragen die in uitvoering van dat dwangbevel werden betaald of geïnd, moeten worden terugbetaald aan de appellanten, vermeerderd met de wettelijke interest.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de procedure dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, komt een rechtsplegingsvergoeding toe aan de in het gelijk. gestelde partij die zich laat bijstaan door een advocaat.

Vermits de appellant de partij is die in het gelijk gesteld wordt, maar zich niet liet bijstaan door een advocaat, heeft geen van de partijen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Er zijn ook geen andere gerechtskosten gemaakt.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de appellanten ontvankelijk verklaarde;

verklaart de vordering van de appellanten gegrond en vernietigt het dwangbevel dat ten nadele van de appellanten onder RCIV-nummer … werd uitgevaardigd op 29 november 2007, zegt voor recht dat de bedragen die erin gevorderd worden niet verschuldigd zijn en beveelt de terugbetaling van wat reeds op grond van dat dwangbevel zou zijn betaald en/of geïnd, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminterest;

veroordeelt-de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellanten : nihil

- aan de kant van de geïntimeerde : nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op EEN JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

D. V., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. D. V.