Constitution de l'usufruit ROA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 10 mai 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Constitution de l'usufruit ROATaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-usufruit-roa-besoin-legitime-cour-appel-bruxelles-2012-05-10-a0e2

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
10 mai 2012

Parcours procédural

2 étapes · 2 ans 8 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance de Louvain04.09.2009
  2. Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles10.05.2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

58 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 10.05.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Fiscale kamer 6E

Nr. van de zaak : 2009/AR/2790

Openbare terechtzitting van : 10/05/2012

IN ZAKE VAN :

De B.V.B.A. K. S., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester W. D., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Eerst aanwezend inspecteur diensthoofd van de BTW-inspectie Leuven, met kantoren gevestigd te 3001 Leuven, Philipssite, 3A,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester M. C., advocaat te …, …


R. 2012/3500 EINDARREST - ongegrond

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 4 september 2009, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 16 oktober 2009.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Appellante vorderde voor de eerste rechter te zeggen voor recht dat zij recht heeft op de aftrek van de volledige BTW t.b.v. … EUR op de aankoop van het vruchtgebruik van het gebouw, gelegen te …, …, en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van alle in aftrek gebrachte BTW m.b.t. voormelde aankoop (het hof verstaat : de betaling van de nagevorderde bedragen die appellante op 18 augustus 2008 onder voorbehoud betaalde), verhoogd met de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.

De vordering volgde op een controle van de periode van 1 oktober 2007 tot 31 december 2007 (aangifte vierde kwartaal 2007), op basis waarvan de administratie besloot dat de betaalde BTW op de aankoop van het vruchtgebruik van de woning te … slechts ten belope van 40 % voor aftrek in aanmerking komt.

Volgens het proces-verbaal van 27 mei 2008 is appellante een BTW bedrag in hoofdsom van … EUR (teveel afgetrokken BTW) en een geldboete van … EUR verschuldigd.

De eerste rechter oordeelde dat uit de BTW-controle is gebleken dat niet alle ruimten waarvan appellante het vruchtgebruik verwierf door haar worden gebruikt en dat uit niets blijkt dat het ooit haar bedoeling was deze ruimten voor beroepsdoeleinden te gebruiken, zodat de BTW betaald voor de verkrijging van het vruchtgebruik van deze ruimten niet voor aftrek in aanmerking komt.

Hij verklaarde de vordering dienvolgens ontvankelijk doch ongegrond, en veroordeelde appellante in de gedingkosten.

GRIEVEN

Appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.

Zij vordert te zeggen voor recht dat zij recht heeft op de aftrek van de volledige BTW op de aankoop van het vruchtgebruik voor het bedrag van … EUR.

Ook vordert zij geïntimeerde te veroordelen tot betaling van alle in aftrek gebrachte BTW m.b.t. de aankoop (het hof verstaat : de betaling van de nagevorderde bedragen die appellante op 18 augustus 2008 onder voorbehoud betaalde), minstens tot terugbetaling van alle ingehouden bedragen, verhoogd met de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.

Zij vordert nog het arrest uitvoerbaar te verklaren niettegenstaande elk verhaal.

Geïntimeerde vordert de integrale bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellante in de kosten van beide aanleggen.

BEOORDELING

1. Appellante, die sedert 1 mei 2000 als BTW-belastingplichtige is geregistreerd voor de activiteit van voorbereiding, medewerking en redactie van radio-, TV- en filmopnamen, kocht op 28 december 2007 van haar zaakvoerder en zijn partner, de heer K. S. en mevrouw C. H., het vruchtgebruik voor 15 jaar van een gedeelte van 45 % van hun woning, nl. :

- de kelder het volledige verdiep bestaande uit drie bergingen

- het gelijkvloers: toilet, berging, bibliotheek, bureel, bureelarchief

- de verdieping : bureel en bureelarchief

De verkoop gebeurde onder de toepassing van de BTW.

Appellante trok de BTW van … EUR op de aankoop van het vruchtgebruik volledig af.

De controleambtenaar, van mening dat de aftrek van de BTW op de aankoop van het vruchtgebruik slechts kan worden aanvaard in verhouding van de oppervlakte van het vruchtgebruik waarvan wordt aangetoond dat het wordt gebruikt voor het verrichten van met BTW belaste werkzaamheden tot de totale oppervlakte van het vruchtgebruik, berekende de oppervlakte van het vruchtgebruik waarvan wordt aangetoond dat het wordt gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen op 57,22 m2 , hetzij 38,95 % van de totale oppervlakte van het vruchtgebruik (146,90 m 2), afgerond op 40 %.

De controleambtenaar bepaalde het aftrekpercentage van 40 % op basis van het werkelijk gebruik van de ruimten van de woning, aan de hand van de vaststellingen gedaan tijdens het plaatsbezoek van 7 maart 2008.

2. Volgens de uittreksels uit het rijksregister werd het in vruchtgebruik gekochte gedeelte van het onroerend goed sedert 15 juli 2005 gebruikt als privéwoning van de zaakvoerder en zijn partner, en volgens de vaststellingen van het plaatsbezoek van 7 maart 2008 gebruikte appellante slechts 40 % van het in vruchtgebruik gekochte deel voor haar belaste handelingen.

Nog volgens de vaststellingen van de controleambtenaar, had appellante geen personeel in dienst en oefende zij haar activiteit voorbereiding, medewerking en eindredactie van kwisprogramma's waarbij de meeste kwisvragen worden opgesteld door derden en appellante de eindredactie deed) voornamelijk op digitale wijze via computers uit, was de zaakvoerder de enige persoon in de vennootschap die activiteiten verrichtte en verrichtte hij bovendien een deel van zijn activiteiten ook ter plaatse bij de klanten.

De voormelde vaststellingen laten geïntimeerde, die zich op het bestemmingsbeginsel beroept, toe te stellen dat er ab initio, d.i. vanaf de aankoop van het vruchtgebruik op 28 december 2007, een gemengd gebruik van het in vruchtgebruik gekochte deel was.

Weliswaar heeft de belastingplichtige die goederen voor zijn economische activiteit die recht op aftrek verleent, recht op aftrek van de betaalde voorbelasting op het moment van de verkrijging van zijn goederen, hoe gering het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in verhouding ook is (H.vb.J. 11 juli 1991, Lennartz, Jur. 1991, I, 3795; H.v.J. 8 mei 2003, Seeling, Jur. 2003, I, 4101), en dienen correcties m.b.t. het niet-bedrijfsmatig gedeelte te gebeuren via herziening van de afgetrokken BTW of via het stelsel van de onttrekkingen en met diensten gelijkgestelde handelingen.

Appellante gewaagt evenwel verkeerdelijk van de vermoedelijke bestemming van het ontvangen vruchtgebruik.

De werkelijke bestemming van het vruchtgebruik stond immers al vast op het moment van de verkrijging ervan.

Gelet op de aard van de activiteit van appellante, was het immers onmiddellijk duidelijk dat niet alle in vruchtgebruik ontvangen delen van het onroerend goed bestemd waren voor het stellen van belaste handelingen.

Het hoger beroep is ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ongegrond,

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van iedere partij begroot op de rechtsplegingvergoeding van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6E" van het hof van beroep te Brussel, op ……….

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

P. V., alleenzetelend raadsheer,

C. D. N., griffier

C. D. N. P. V.