Commission de l'agent contrôleur;droit d'accès · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 7 février 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Commission de l'agent contrôleur;droit d'accès

https://juriel.be/fr/jurisprudence/commission-agent-controleur-droit-acces-cour-appel-anvers-2006-02-07-6599

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
7 février 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 07.02.2006, Cause 2004/AR/2035

Le Courrier Fiscal 2006/624

Commission de l'agent contrôleur.

Droit d'accès.

Résumé

Puisque la date à laquelle les fonctionnaires TVA avaient effectué les actes d'investigation auprès du grossiste ne ressortait nullement du dossier administratif et qu'il n'était pas non plus établi qu'ils possédaient à ce moment leur commission, le procès-verbal qui servait de base à la créance de l'Administration était basé sur des données obtenues de façon irrégulière. De telles informations ne peuvent pas servir de base à une créance TVA valable.

Texte intégral

Corps de la décision

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2004/AR/2035

M. S., handelaarster, wonende te ..., H.R. te Mechelen N° ..., B.T.W. N° ...;

a p p e l l a n t e,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 3 mei 2004;

vertegenwoordigd door Meester A. M. loco Meester K. S., advocaat te ...;

tegen:

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te ..., vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Federale Overheidsdienst FINANCIEN, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ...;

g e ï n t i m e e r d e,

vertegenwoordigd door Meester L. E. loco Meester P. S., advocaat te ...;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluitend afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 3 mei 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 juli 2004, waardoor een naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep wordt ingesteld;

Overwegende dat appellante de hervorming nastreeft van het bestreden vonnis teneinde haar verzet tegen het dwangbevel, haar op 17 december 2002 toegezonden, gegrond te horen verklaren, dienvolgens dit dwangbevel nietig en van generlei waarde te horen verklaren, haar te horen ontslaan van de gevorderde bedragen en geïntimeerde te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten en de kosten van het geding in de beide instanties;

Overwegende dat geïntimeerde geen grieven aanvoert tegen het bestreden vonnis;

Dat hij het Hof verzoekt tot hoger beroep ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in de beide instanties;


Overwegende dat de eerste rechter het voorwerp van de vordering alsmede de antecedenten en feitelijke gegevens op bondige doch correcte wijze in het bestreden vonnis heeft uiteengezet;

Dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen wordt;

Overwegende dat appellante niet enkel de voor de eerste rechter aangevoerde middelen en argumenten handhaaft, doch thans tevens inroept dat de gestelde onderzoeksdaden - waarnaar verwezen in het te haren laste opgestelde proces-verbaal - ontwettig zijn en derhalve geen grond kunnen vormen voor de opstelling van een correctieopgave, van een proces-verbaal en voor een naheffing;

Dat het de dezen, gelet op de aard van het nieuw middel, gepast is dit middel in eerste orde te onderzoeken;

Overwegende dat uit de voorgebrachte gegevens en stukken blijkt dat het bestreden dwangbevel - uitgevaardigd op 13 december 2002, uitvoerbaar verklaard op 16 december 2002 en op 17 december 2002 aangetekend aan appellante toegezonden - gesteund is op de vaststellingen van het proces-verbaal d.d. 11 december 2002, waarin wordt verwezen naar vaststellingen gedaan in een ten laste van de N.V. FIAC op 5 december 2002 opgestelde proces-verbaal, dat geacht wordt één geheel uit te maken met het ten laste van appellante op 11 december 2002 opgestelde proces-verbaal;

Dat appellante is casu geen betwisting voert nopens de rechtsgeldigheid van de te haren laste op 18 januari 2002 gevoerde onderzoeken en van het te haren laste op 11 december 2002 opgestelde proces-verbaal, doch wel de rechtsgeldigheid van de bij de N.V. FIAC - op niet-nader bepaalde datum - uitgevoerde onderzoekingen, die geleid hebben tot de opstelling van het proces-verbaal d.d. 5 december 2002, nadrukkelijk betwist; dat zij zich daartoe beroept op de schending van de voorschriften van art. 63 Wb. B.T.W.;

Overwegende dat voornoemd art. 63 bepaalt dat eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elke tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend, moet verlenen;

Dat te dezen uit het onderrzoek van de overgelegde stukken geenszins blijkt op welke datum de ambtenaren van de B.T.W.-Administratie bij de N.V. FIAC onderzoeksdaden hebben uitgevoerd en evenmin of zij alsdan in het bezit waren van hun aanstellingsbewijs; dat ook het kwestieuze proces-verbaal d.d. 5 december 2002 desbetreffend geen enkele vermelding bevat;

Dat dan ook, zoals appellante terecht betoogt, geenszins vaststaat dat de bij de N.V. FIAC uitgevoerde onderzoeksdaden overeenkomstig de wet werden verricht; dat de loutere verwijzing van geïntimeerde naar art. 61 Wb.-B.T.W.- zonder voorlegging van nadere gegevens - niet vermag de kwestieuze rechtsgeldigheid aan te tonen;

Dat thans ook appellante - in tegenstrijd met de stelling van geïntimeerde - volkomen gerechtigd is de voornoemde inbreuk en onwettigheid aan te klagen; dat immers het te haren laste opgestelde proces-verbaal uitdrukkelijk stelt dat het ten laste van de N.V. FIAC opgestelde proces-verbaal - gebaseerd op de te dezen vastgestelde onwettige en onregelmatige onderzoeken - één geheel uitmaakt, zodat dienvolgens appellante alleszins een belang bezit en gerechtigd is het kwestieuze verzuim in te roepen;

Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het ten laste van appellante opgestelde proces-verbaal en het uitgevaardigde dwangbevel berusten op onrechtmatig bekomen gegevens en zodoende geen bewijskrachtige gegevens op grond waarvan een voorheffing verschuldigd is, kunnen uitmaken;

Dat de thans door geïntimeerde ingeroepen middelen terzake niet vermogen afbreuk te doen aan vorenstaande vaststellingen en als ongegrond worden afgewezen;


Overwegende dat, rekening houdende met de hierboven gedane vaststellingen, het bestreden dwangbevel niet kan behouden blijven;

Dat het thans, gelet op de vastgestelde onwettigheid, overbodig is de overige grieven van appellante te onderzoeken;

Dat derhalve het bestreden vonnis op onjuiste gronden werden gewezen en dient gewijzigd; dat het hoger beroep gegrond is en geïntimeerde in de kosten, zoals hierna begroot, dient verwezen;


Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op de artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak:

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend:

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering toelaatbaar verklaart;

Wijzigt voor het overige het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, verklaart de vordering gegrond;

Verklaart dienvolgens het kwestieuze dwangbevel, aan appellante ter kennis gebracht op 17 december 2002, zonder bestaansreden en van generlei waarde, en veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde en/of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten;

Verwijst geïntimeerde in de kosten van het geding tot op heden in hun geheel begroot aan de zijde van appellante op:

-rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg:349,53 EUR
-rechtsplegingsvergoeding hoger beroep:466,04 EUR,

dit volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVEN FEBRUARI TWEEDUIZENDENZES,

waar aanwezig waren:

R. T.,

Voorzitter;

S. B.

en M. V.d.B.,

Raadsheren;

A. V.L.,

Griffier.