Le texte de ce document est en néerlandais.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 16.02.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, 12de kamer
Vonnis : 16 februari 2007.
Eindvonnis.
De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, twaalfde kamer, spreekt het volgende vonnis uit.
Rolnummer : 04/779/A
In de zaak van :
V. U. S., met ondernemingsnummer …, wonende te …, …
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester S. G. loco meester V. F., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, in de persoon van de rekenplichtige e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Tienen, met kantoren te 3300 Tienen, Goossensvest 3
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….
I. PROCEDURE
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 1 december 2006 in beraad werd genomen.
De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift van eisers, neergelegd ter griffie op 31 maart 2004.
- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 1 december 2006.
II. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING
De heer S. V. U. (hierna genoemd eiser) is als BTW-plichtige geregistreerd als consultant met betrekking tot informatica, verhuring van roerende goederen en infrastructuur.
Eiser kocht bij akte, verleden voor notaris D. S. met standplaats te …, op 15 oktober 1999 van de BVBA I. C. het recht van opstal op :
- een gedeelte van een bestaande gerestaureerde hoeve op een grond, gelegen te …, aan de ….
- alle gebouwen, werken, en beplantingen die krachtens dit recht van opstal werden opgericht op deze grond en gebouwen.
De aankoopprijs van dit recht van opstal bedroeg 9.000.000 BEF. De BTW op deze som bedroeg 1.890.000 BEF.
Naar aanleiding van een controle op 12 september 2002 bij eiser, met betrekking tot de belastbare periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000 stelde de BTW-administratie (hierna genoemd verweerster) van … op 4 december 2002 een proces-verbaal op, waarin werd meegedeeld dat eiser ten onrechte de BTW op de aankoopprijs van het recht van opstel had in aftrek gebracht van zijn aangifte inzake BTW in het vierde kwartaal van 1999.
Verweerster steunde hierbij op artikel 44, § 3 2° BTW-wb, dat de verhuur van uit hun aard onroerende goederen vrijstelt van BTW, zodat de aftrek van BTW op de verkrijging van het vermelde recht van opstal volgens verweerster niet mogelijk was.
In het proces-verbaal werd hieromtrent het volgende vermeld :
“... De in de akte vermelde BTW werd door de belastingplichtige in aftrek gebracht in zijn aangifte van het vierde kwartaal 1999.
De door de belastingplichtige verkregen opstallen werden aan BVBA I. C. verhuurd in 1999 voor een totaalbedrag van 360.000 F, dit is 3 maanden aan 120.000 F en in 2000 voor een totaalbedrag van 180.000 F, dit is 12 maanden aan 15.000 F per maand.
Voornoemde sommen werden door belastingplichtige aangegeven in de bijlage bij de aangifte in de personenbelasting als beroepsinkomsten “buiten de werkingssfeer van de BTW” en werden boekhoudkundig geboekt op de opbrengstenrekening 700200 “Verhuring gebruiksrecht” en werden voor wat betreft 1999, in de BTW-aangiften in het rooster 00 opgenomen als handelingen onderworpen aan het nultarief. Er werden geen andere handelingen in de aangiften van 1999 aangegeven. Voor 2000 werden in de BTW-aangiften geen handelingen opgenomen.”
Volgende bedragen werden vervolgens verschuldigd verklaard in het vermeld proces-verbaal :
- 46.851,88 euro BTW
- 4.680,00 euro proportionele geldboete
- de wettelijke intrest vanaf 21 januari 2001
Op 5 december 2002 werd er voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 4 december 2002 een dwangbevel uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor te Tienen.
Dit dwangbevel werd op 6 december 2002 uitvoerbaar verklaard en werd op 9 december 2002 aangezegd per aangetekende brief aan eiser.
Op 10 januari 2003 deelde eiser aan verweerster een overeenkomst mee van 6 december 2002 afgesloten tussen eiser, BVBA I. C. en NV I. N. i.v.m. het gebruik van het onroerend goed gelegen te …, ….
Bij brief van 25 maart 2003 stond verweerster een herziening toe in toepassing van artikel 48, § 2 BTW-wb voor 12/15e van de BTW m.b.t. hoger vermelde aankoop van het recht op opstal. Voor het verleden kwam verweerster niet op haar standpunt terug.
Eiser vraagt in hoofdorde het dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en hem te ontslaan van de betaling van de erin vermelde sommen.
In ondergeschikte orde vraagt hij dat de rechtbank voor recht zou zeggen dat de overeenkomst d.d. 6 oktober 2002 voor het jaar 2002 bij toepassing van artikel 48, § 2 BTW-wb een oorzaak tot herziening vormt in zijn voordeel van twaalf/vijftiende van de BTW die op het recht van opstal werd voldaan en dat de rechtbank de teruggaaf zou bevelen van 12/15de van de BTW die op het recht van opstal werd voldaan alsmede van de BTW die door hem ten onrechte werd afgedragen voor wat betreft de door hem ontvangen vergoedingen die ten gevolge van de "bestreden vordering van verweerster" aldus als huur zou moeten worden beschouwd.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
2. Artikel 45, § 1, 1° BTW-wb stelt dat "op de belasting die hij verschuldigd is, elke belastingplichtige de belasting in aftrek mag brengen, geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten (... ) in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen”.
Daarbij mag men artikel 18, § 1 BTW-wb niet vergeten, dat stelt : "als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek".
Als voorbeeld van een dienst wordt in dit artikel 18, § 1, 4° BTW-wb omschreven dat de uitvoering van een contract dat het genot van een onroerend goed tot voorwerp heeft, als een dienst wordt beschouwd.
Elke overeenkomst die het genot van een onroerend goed tot voorwerp heeft, maakt dus een dienst uit die aan BTW is onderworpen.
3. In artikel 44, § 3, 2° BTW-wb wordt hierop een uitzondering voorzien. In dit artikel staat te lezen : "Van de belasting zijn nog vrijgesteld ... 2° De verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen (...)".
Vermits deze vrijstelling afwijkt van het algemeen beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moet zij strikt worden geïnterpreteerd.
Noch in de Zesde BTW-richtlijn, noch in het BTW-wb wordt het begrip onroerende huur gedefinieerd. Het begrip onroerende huur moet derhalve worden uitgelegd in de zin van het burgerlijk wetboek.
In toepassing van artikel 1709 B.W. is de verhuur van een onroerend goed een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om aan een andere partij gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs het genot van een onroerend goed te verlenen.
4. Waar de onroerende verhuur vrijgesteld is van BTW-heffing, worden er een aantal diensten waarbij het gebruik van een onroerend goed centraal staat, toch aan BTW onderworpen. Hierbij kan verwezen worden naar artikel 18, § 1, 6° BTW-wb dat onder meer het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen als een dienst omschrijft dat derhalve aan BTW onderworpen is. Het onderscheid met onroerende huur is hierbij niet altijd gemakkelijk.
5. Als het voorwerp van een overeenkomst het verlenen van een exclusief gebruik en genot van een onroerend goed is, dan moet de overeenkomst worden beschouwd als een onroerende verhuur. Wanneer een gebruiker van een onroerend goed het recht heeft hierin een beroepsactiviteit uit te oefenen zonder dat hij een exclusief genotsrecht hierop kan laten gelden, moet een overeenkomst worden beschouwd als het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° BTW-wb (zie Gent, 8 november 2000, A.J.T. 2000-2001, 664 e.v. met noot P. Poppe).
6. 'Wanneer derhalve in voorliggende zaak de dienst die eiser verleent aan de BVBA I. C. zou worden omschreven als een onroerende huur, is er geen aftrek mogelijk van de BTW die eiser diende te betalen bij de aankoop van het hoger vermelde recht van opstal.
7. bewijslast ?
In BTW-geschillen impliceert de aftrek van de voorbelasting dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren van de rechts creërende bestanddelen van zijn recht op aftrek. Hij moet aantonen dat alle voorwaarden van artikel 45 BTW-wb vervuld zijn. (T. Afschrift, Bewijs in fiscaal recht, Larcier, 2002, p. 71)
Eiser dient derhalve aan te tonen dat hij de aankoop van het recht van opstal heeft aangewend om aan derden het recht te verlenen een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° BTW-wb.
Het bewijs van deze elementen rust dus op eiser, vermits hij de aftrek van de belasting vordert.
Eiser kan dit bewijs met alle bewijsmiddelen leveren.
Het feit dat het proces-verbaal van 6 december 200 geen reële vaststellingen bevat, en derhalve geen bijzondere bewijswaarde heeft, is ter zake niet dienend vermits de bewijslast rust op de eiser.
8. Uit de stukken van het dossier (stukken 7 en 8 van verweerster) blijkt dat :
- in de BTW-aangiften van het jaar 1999 van eiser er een bedrag van 360.000 BEF werd aangegeven in het vierde kwartaal als 'verhuring gebruiksrecht recht van opstal en bestaande gebouwen'. Dit werd ingevuld in het vak 00, hetgeen impliceert dat volgens eiser dit bedrag van ontvangsten van 360.000 BEF onderworpen was aan het nultarief.
- in de BTW-aangifte van het jaar 2000 van eiser er geen bedrag werd aangegeven. Uit de bijlage bij de aangifte in de personenbelasting van eiser blijkt dat hij een bedrag van 180.000 BEF aan huurgelden heeft ontvangen als 'verhuring gebruiksrecht recht van opstal en bestaande gebouwen'.
Als schuldenaar van deze huurgelden werd de BVBA I. C. vermeld voor het jaar 1999 en 2000.
Uit de BTW-aangiften van eiser blijkt dat hij de mening was toegedaan dat er geen BTW diende afgedragen te worden van de ontvangen huurgelden van de BVBA I. C.. Eiser was derhalve van oordeel dat de 'verhuring gebruiksrecht recht van opstal en bestaande gebouwen' geen belastbare handeling was en dat deze verhuring een onroerende verhuring in de zin van artikel 44, § 3, 2° BTW-wb uitmaakte.
Thans stelt de eiser dat de 'verhuring van het gebruiksrecht recht van opstal en bestaande gebouwen' wel een belastbare handeling was en derhalve onder de toepassing valt van artikel 18, § 1, 6° BTW-wb.
Eiser dient het bewijs te leveren van zijn voorgehouden dwaling. (T. Afschrift, Bewijs in fiscaal recht, p. 161).
9. Eiser slaagt niet in de op hem rustende bewijslast.
De door de BTW-administratie uitgevoerde controle had betrekking op de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000.
Eiser blijft volledig in gebreke aan te tonen dat hij tijdens deze periode het onroerend goed niet verhuurde aan BVBA I. C.. In 1999 en 2000 werd enkel door BVBA I. C. een vergoeding betaald voor het gebruik van het onroerend goed. Eiser weerlegt ook niet dat hij zelf in deze periode geen andere activiteiten andere dan de verhuur van het onroerend goed uitoefende. Dit wijst er op dat het onroerend goed, of minste een gedeelte ervan, exclusief gebruikt werd door BVBA I. C..
De op 6 december 2002 (dit is twee jaar na deze feiten) opgestelde overeenkomst doet hieraan geen afbreuk. Deze overeenkomst volstaat niet om het bovenstaande te weerleggen.
Verweerster heeft dan ook terecht de aftrek geweigerd.
Het gebruik van het onroerend goed na 2000 kan daaraan niets veranderen. Dit kan enkel een reden zijn om de herziening te vragen.
10. De rechtbank stelt tot slot vast dat de opgelegde geldboete en de verschuldigde nalatigheid interest door eiser niet wordt betwist.
11. De vordering van eiser tot vernietiging van het dwangbevel is dus ongegrond.
12. Eiser voert, in ondergeschikte orde, aan dat hij in ieder geval recht heeft op herziening van 12/15 van de BTW waarvoor het recht op aftrek werd geweigerd. Hij vraagt dat de rechtbank voor recht zou zeggen dat de overeenkomst d.d. 6 oktober 2002 voor het jaar 2002 bij toepassing van artikel 48, § 2 wb.-BTW een oorzaak tot herziening vormt in zijn voordeel van twaalf/vijftiende van de BTW die op het recht van opstal werd voldaan en dat de rechtbank de teruggaaf zou bevelen van 12/15de van de BTW die op het recht van opstal werd voldaan alsmede van de BTW die door hem ten onrechte werd afgedragen voor wat betreft de door hem ontvangen vergoedingen die ten gevolge van de "bestreden vordering van verweerster" aldus als huur zou moeten worden beschouwd.
13. Bij schrijven d.d. 25 maart 2003 deelde de BTW-controle Aarschot aan eiser mee dat, gelet op de overeenkomst d.d. 6/12/2002 hij voor de toekomst, dit betekent voor een periode van twaalf/vijftiende, gebruik kan maken van het recht op herziening overeenkomstig art. 48, § 2 BTW-wbo
Er bestaat dan ook geen betwisting over het feit dat eiser recht had op herziening voor 12/15de .
Wanneer de BTW-belastingplichtige recht heeft op aftrek van de door hem betaalde BTW dient hij deze aftrek op te nemen in zijn aangifte. Dit is een essentiële voorwaarde om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Dit is ook het geval bij een herziening. Ook dan dient het bedrag van de BTW die ingevolge de herziening voor aftrek in aanmerking komt in een aangifte te worden opgenomen.
Eiser toont niet aan dat hij de BTW, die hij wil aftrekken, in een aangifte heeft opgenomen. De rechtbank kan de teruggave van deze BTW dan ook niet bevelen.
Eiser bewijst evenmin dat hij ten onrechte BTW zou hebben afgedragen wat betreft de door hem ontvangen vergoedingen. Uit het opgestelde proces-verbaal blijkt trouwens dat, in de gecontroleerde periode, eiser geen ontvangen BTW heeft aangegeven. De rechtbank spreekt zich maar uit over het gebruik van het onroerend goed tijdens de gecontroleerde periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000. Het is dit gebruik dat tot gevolg had dat de aftrek van de BTW verworpen werd.
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg,
De vordering is ontvankelijk, maar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten van het geding en stelt deze als volgt vast :
- voor eiser : 364,41 euro rechtsplegingsvergoeding
- voor verweerster : 364,41 euro rechtsplegingsvergoeding
Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op vrijdag 16 februari 2007
De rechtbank bestond uit :
De heer L. W., rechter, dienstdoende voorzitter.
Mevrouw K. G., rechter.
De heer A. G., gerechtelijk stagiair, plaatsvervangend rechter, in toepassing van artikel 259octies, paragraaf 6 laatste lid van Gerechtelijk Wetboek.
Mevrouw J. C., griffier.
J. C. A. G. K. G. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.