Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 03.06.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste Kamer
AR 2004/1783/A + 2008/16863/A
- Federale Belastingen – BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis - samenvoeging
In zake van :
De BVBA V. I. R., met maatschappelijke zetel te …, … en met KBO-nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. S. G. loco Meester B. S., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. A. D., advocaat te …, …,
In deze zaken, in beraad genomen op 15/04/20 10, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
Inzake 2004/1783/A
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel, betekend aan verweerder op 20/01/2004;
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 16/01/2009;
- de besluiten en de aanvullende conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 28/05/2004 en 14/09/2009;
- de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 08/05/2009;
- de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 14/04/2010 en ter zitting op 15/04/2010; en
- de stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 15/04/2009.
Inzake 08/16863/A
- het verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger. W. uitgaande van eiseres en neergelegd ter griffie op 19/12/2008;
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 13/03/2009;
- de besluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op 14/09/2009;
- de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 14/04/2010 en ter zitting op 15/04/2010; en
- de stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 15/04/2009.
Gehoord, ter openbare zitting van 15/04/2010, de raadslieden van partijen, waarna de debatten werden gesloten en de zaken in beraad genomen werden.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. PROCEDURE
1. Eiseres verzoekt om de samenvoeging van de zaken gekend onder de rolnummers 2004/1783/A en 2008/16836/A, omdat beide procedures betrekking zouden hebben op eenzelfde verschuldigde BTW.
Verweerder verzet zich tegen deze samenvoeging.
Nu eiseres argumenteert dat het voorwerp van beide vorderingen zou overlappen, komt het gepast voor de zaken samen te voegen op grond van artikel 30 Ger. W.
2. FEITEN
2.
2.1. Op 29/10/2002 werd door de diensten van verweerder een controle uitgevoerd bij eiseres omtrent de periode 01/01/2001 tot 30/09/2002. Naar aanleiding van deze controle werd een regularisatieopgave gedaan, doch eiseres kon zich hiermee niet akkoord verklaren.
Op basis van deze controle werd op 02/04/2003 een proces-verbaal opgesteld. Hierin werden de volgende inbreuken op de BTW-regelgeving vastgesteld :
1. op basis van een vergelijking tussen de BTW-aangiften en de omzet aangegeven in de directe belastingen bleek voor de gecontroleerde periode een in de BTW-aangiften niet aangegeven omzet van 104.854,80 euro (BTW hierop : 22.019,51 euro).
Bijgevolg werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :
- BTW : 22.019,51 euro;
- proportioneel verminderde geldboete : 4.400,00 euro;
- boete art. 70, § 4 : 2.500,00 euro;
- intresten : p.m.
Daar betaling uitbleef gingen de diensten van verweerder op 24/11/2003 over tot het uitvaardigen van een dwangbevel met referentie RCIV nr. …. Dit dwangbevel werd op 27/11/2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Tevens werd lastens eiseres op 26/05/2003 een bijzondere rekening opgesteld waaruit blijkt dat door eiseres nog verschuldigd was :
- BTW : 8.780,07 euro;
- geldboete : 895,00 euro;
- intresten : 430,00 euro.
Daar betaling uitbleef gingen de diensten van verweerder op 24/11/2003 over tot het uitvaardigen van een dwangbevel met referentie RCIV nr. …. Dit dwangbevel werd op 27/11/2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Bij deurwaardersexploot van 11/12/2003 werden deze dwangbevelen betekend aan eiseres.
Bij exploot van dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel van 20/01/2004 vecht eiseres het dwangbevel met referentie RCIV nr. … aan. Deze zaak is gekend onder het rolnummer 2004/1783/A.
Op 20/01/2004 werd op verzoek van verweerder een uitvoerend roerend beslag betekend aan eiseres en op 19/11/2008 volgde een herhaald bevel tot betaling van het dwangbevel met referentie RCIV nr. ….
Op 19/12/2008 legde eiseres een verzoekschrift neer op grond van artikel 1385decies Ger. W. waarbij het dwangbevel 403/0402/11533 wordt betwist.
3. VOORWERP VAN DE VORDERING
3.
3.1. De vordering van eiseres inzake 2004/1783/A strekt ertoe het verzet gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat geen BTW, boete of intresten verschuldigd zijn.
Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.
3.2. De vordering van eiseres inzake 2008/16863/A strekt ertoe het verzet gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat geen BTW, boete of intresten verschuldigd zijn. Tevens vordert eiseres verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van de som van 5.045,91 euro, meer intresten.
Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.
4. BEOORDELING
4.1. Ontvankelijkheid
4. Verweerder werpt geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van eiseres op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. Deze is ontvankelijk.
4.2. Ten gronde
5.
5.1. Eiseres voert inzake 2004/1783/A de volgende middelen aan. In de periode waarop de BTW-controle betrekking had, ontving eiseres verscheidene provisies. Deze werden aangegeven in de inkomstenbelastingen, doch er werd nog geen factuur van opgemaakt. Deze inkomsten zouden in het vierde kwartaal van 2002 wel gefactureerd en aangegeven zijn, zodat hierop BTW werd betaald.
5.2. Krachtens artikel 53, § 1, 2, b moet periodiek aangifte gedaan worden van de opeisbare belasting en moet binnen deze termijn de belasting voldaan worden (punt 3, zelfde artikel).
In deze wordt door eiseres niet betwist dat in de periode waarop de BTW-controle betrekking had door haar voorschotten werden ontvangen. De enige vraag is dan ook wanneer de betreffende belasting opeisbaar is en eiseres dus aangifte diende te doen.
De BTW is in casu verschuldigd op een dienst dewelke doorlopend van aard is, zodat op grond van artikel 22, § 2, al. 2 W.BTW de BTW opeisbaar wordt op het moment dat de voorschotten door eiseres werden ontvangen. Ingevolge artikel 4, § 1 KB nr. 1 diende eiseres trouwens ook een factuur op te maken.
Samen met verweerder dient overigens te worden vastgesteld dat ondanks herhaalde verzoeken van verweerder de overeenkomst tussen eiseres en de NV X Groep, dewelke verduidelijking zou moeten verschaffen omtrent het moment van verschuldigdheid van de voorschotten, tot op heden niet wordt voorgelegd. Verweerder kon zich dan ook terecht baseren op de aangehaalde bepalingen om de eisbaarheid van de BTW vast te stellen op het moment van het ontvangen van de voorschotten.
Bijgevolg werd volledig terecht in het proces-verbaal van 02/04/2003 vastgesteld dat de BTW over de ontvangen doch nog niet gefactureerde voorschotten wel degelijk verschuldigd was.
Nu in de conclusie van eiseres niet wordt aangevoerd dat de berekening van de verschuldigde BTW in vernoemd proces-verbaal foutief zou zijn, is er geen reden om dit proces-verbaal of het dwangbevel nietig te verklaren.
5.3. Rest er nog de vraag of, zoals eiseres aanvoert, deze BTW niet verschuldigd zou zijn omdat deze werd betaald in het vierde kwartaal van 2002.
Volgens eiseres werden de betreffende sommen gefactureerd in het 4de kwartaal 2002 en in deze BTW-aangifte verwerkt. Zelfs al zou dit zo zijn, kan dit niet tot gevolg hebben dat de bij proces-verbaal en dwangbevel vastgestelde verschuldigde BTW niet zou moeten voldaan worden. De betaling van de BTW voor het vierde kwartaal 2002 heeft immers een eigen rechtsgrond, met name de facturering in die periode. Ingevolge artikel 22, § 2 is deze BTW verschuldigd op basis van de uitgeschreven facturen. Ingevolge artikel 51, § 1, 3° W.BTW is de BTW op facturen verschuldigd, zelfs indien er geen dienst zou zijn verstrekt.
Indien eiseres van oordeel is dat deze facturen betrekking hebben op BTW die eigenlijk niet op die periode zou betrekking hebben, dan is het aan eiseres om de BTW te regulariseren (zoals door verweerder zelf trouwens reeds aangehaald). Zij kan niet op eigen houtje beslissen wanneer een BTW zal verschuldigd zijn en moet gefactureerd worden, noch kan zij op eigen houtje gaan compenseren met sommen waarvan zij meent dat deze reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van het vernoemde dwangbevel.
Bovendien dient verweerder bijgetreden te worden dat de stukken die eiseres overlegd helemaal het bewijs niet leveren dat de sommen die het voorwerp uitmaakten van het proces-verbaal van 02/04/2003 (en het dwangbevel met referentie RCIV nr. …) verwerkt zouden zijn in de BTW-aangifte van het 4de kwartaal 2002. De stukken 2a, 2b, 2c en 2d geven hieromtrent geen uitsluitsel. Bovendien komt de verschuldigde BTW in de aangifte van 2002, 4de kwartaal niet overeen met de in het proces-verbaal van 02/04/2003 opgenomen sommen en is deze zelfs lager.
Nu eiseres op dit punt de bewijslast draagt, kan dit argument niet gevolgd worden.
De vordering inzake 2004/1783/A is dus niet gegrond.
6.
6.1. Eiseres argumenteert inzake 2008/16836/A als volgt. Eiseres stelt dat zij de BTW voor het 4de kwartaal 2002 niet betaalde omdat zij nog een tegoed van 13.266,99 euro zou hebben van het 1ste kwartaal 2002. Op heden zou er zelfs nog een tegoed zijn.
6.2. Uit de conclusie van verweerder kan afgeleid worden dat er inderdaad een tegoed bestond, doch dat dit werd ingehouden in het licht van het dwangbevel met referentie RCIV nr. … (procedure met rol nummer 2004/1783/A).
Om de redenen aangehaald onder de randnummers 5.2 en 5.3 is de in het dwangbevel met referentie RCIV nr. … opgenomen BTW, boete en intresten wel degelijk verschuldigd, zodat er geen sprake is van enig tegoed in hoofde van eiseres.
Ook deze vordering van eiseres is niet gegrond.
5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
7.
7.1. Nu de vorderingen van eiseres niet gegrond zijn, worden de kosten van het geding ten laste van eiseres gelegd.
Verweerder vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in beide procedures, begroot op 2.000,00 euro respectievelijk 1.100,00 euro.
Nu eiseres geen afwijking vordert van het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding, kunnen de gevorderde bedragen toegekend worden.
De rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden voor elke procedure afzonderlijk. De samenvoeging wegens samenhang doet immers geen afbreuk aan het feit dat er twee onderscheiden vorderingen zijn die werden ingeleid bij twee afzonderlijke inleidende akten.
Artikel 2 van het KB van 26/10/2007 verwijst dienaangaande naar artikel 557 Ger. W. Dit artikel neemt als aanknopingspunt de vordering zoals gesteld in de inleidende akte. Het begroten van één enkele rechtsplegingsvergoeding is dus slechts mogelijk indien de vorderingen voortspruiten uit dezelfde inleidende akten en de procedure die hierop volgt.
Dit is logisch daar er tot op het moment van de samenvoeging aparte procedures werden gevoerd, met onderscheiden proceshandelingen/kosten tot gevolg.
7.2. De kosten voor betekening van dwangbevel kunnen begroot worden zoals door verweerder gevorderd.
De kosten betreffende de uitvoerende beslagen worden evenwel niet begroot. Deze kosten betreffen de uitvoeringsprocedure, dewelke hier niet ter discussie stond en waaromtrent geen vordering werd ingesteld.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Voegt de zaken gekend onder de rolnummers 2004/1783/A en 2008/16836/A samen op grond van artikel 30 Ger. W.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch niet gegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten in hoofde van verweerder op :
- betekening dwangbevelen : 178,55 euro
- rechtsplegingsvergoeding inzake 2004/1783/A : 2.000,00 euro
- rechtsplegingsvergoeding inzake 2008/16836/A : 1.100,00 euro;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 3 juni 2010.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer J. V. B., toegevoegd rechter
Mevrouw M. N., griffier.
M. N. J. V. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.