Champ d'application, service, opération imposable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 14 juin 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposableTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruges-2010-06-14-02cd

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
14 juin 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

88 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 14.06.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 09/695/A & 09/2406/A Rep. nr. 2010/8194

In de zaak 09/695/A

STAD V., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd ten …, …

eiseres,

voor wie optreedt Meester S. S., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Invordering Sector BTW in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met burelen te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1

verweerder,

voor wie optreedt Meester P. D., advocaat te …, …

In de zaak 09/2406/A

STAD V., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd ten …, …

eiseres,

voor wie optreedt Meester S. S., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Invordering Sector BTW in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met burelen te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1

verweerder,

voor wie optreedt Meester P. D., advocaat te …, …

I. RECHTSPLEGING

1. In de zaak met AR nr. 09/695/A

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 6 maart 2009.

2. In de zaak met AR nr. 09/2406/A

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 26 augustus 2009.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 17 mei 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van afvalwaterverzameling en behandeling. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 19 december 2006 werd door P. D. B., fiscaal deskundige en aangesteld als waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, controlecentrum Veurne, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over het tweede kwartaal 2006.

Op 19 december 2006 werd een akte van inhouding van BTW-tegoed opgesteld en het BTW-tegoed d.d. 31 oktober 2006 werd voorlopig geblokkeerd.

Op 12 november 2008 werden de overtredingen en vaststellingen voor het tweede kwartaal 2006 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres BTW ten bedrage van 54.606,13 EUR ten onrechte afgetrokken, gezien deze BTW betrekking heeft op de periode vóór 23 december 2005. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 54.606,13 EUR, als evenredige geldboete 5.400,00 EUR en intresten vanaf 21 november 2006.

Op 17 november 2008 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 18 november 2008 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. D. B., eerstaanwezend inspecteur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 19 november 2008 aangetekend verzonden aan eiseres.

Tegen het dwangbevel werd op 6 maart 2009 verzet aangetekend door eiseres (AR nr. 09/695/A).

Op 10 juni 2009 werd in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar P. D. B. vastgesteld dat ingevolge de BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2009 eiseres een BTW-tegoed heeft t.b.v. 639.235,58 EUR. Het ontstane tegoed werd overgedragen van het tweede kwartaal 2008 waarin eiseres de aftrek van BTW geheven van uitgaven vóór 23 december 2005 heeft opgenomen. Volgens de administratie is eiseres BTW ten bedrage van 582.017,24 EUR verschuldigd, onverminderde de wettelijke boeten en intresten.

Op basis van dit proces-verbaal is op 15 juni 2009 een akte van inhouding van BTW.

Op 9 september 2009 werden door voormelde ambtenaar P. D. B. de overtredingen en vaststellingen voor het tweede kwartaal 2008 opgenomen in een proces-verbaal. Volgens de administratie heeft eiseres BTW ten bedrage van 582.017,24 EUR ten onrechte afgetrokken, gezien deze BTW betrekking heeft op de periode vóór 23 december 2005. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 582.017,24 EUR, als evenredige geldboete 58.200,00 EUR en intresten vanaf 21 mei 2009.

Door eiseres wordt een fiscaal verzoekschrift neergelegd d.d. 26 augustus 2009 (AR nr. 09/2406/A).

Op 1 oktober 2009 werd op basis van het proces-verbaal d.d. 9 september 2009 door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 6 oktober 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. D. B., eerstaanwezend inspecteur ai aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 8 oktober 2009 aangetekend verzonden aan eiseres.

2. Eiseres vraagt dat :

- de zaken worden samengevoegd;

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- dienvolgens voor recht wordt gezegd dat eiseres BTW-belastingplichtige is vanaf 1 januari 2005;

- de dwangbevelen worden vernietigd en wordt gezegd voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, minstens de geldboete wordt kwijtgescholden;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van BTW, geldboete en intresten die reeds door eiseres werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter delging van de beweerde schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 10.000,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 10.000,00 EUR.

I. BEOORDELING

A. Betreffende de samenvoeging

De partijen zijn dezelfde en de betwisting is gelijklopend. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W. en worden dan ook gevoegd.

B. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

C. Betreffende de grond

1. De gemeenten zijn BTW-belastingplichtig voor de terbeschikkingstelling van hun rioleringsnet (inzamelen, afvoeren en saneren van afvalwater) aan drinkwatermaatschappijen (artikel 18, § 1 W.BTW). Zij zijn aldus onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.

Eiseres heeft met de Intercommunale Maatschappij voor Watervoorziening van Veurne Ambacht een overeenkomst met betrekking tot de opvang, transport en sanering van afvalwater gesloten. Deze overeenkomst werd op 19 december 2005 goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen en op 23 december 2005 door de raad van bestuur van de Intercommunale Maatschappij voor Watervoorziening van Veurne Ambacht. Eiseres heeft op 22 december 2005 een aangifte van de aanvang van werkzaamheid gedaan vanaf 8 juli 2005. Op 19 januari 2006 heeft eiseres een aangifte tot wijziging van een identificatie gedaan voor de nieuwe werkzaamheid van riolering, concessies en financieringshuur sedert 1 januari 2005.

Aangezien de economie van het BTW-stelsel er zich tegen verzet dat diensten onder bezwarende titel met terugwerkende kracht worden verstrekt, kan de hoedanigheid van belastingplichtige pas toegekend worden vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten met de drinkwatermaatschappij.

Uit niets blijkt bovendien dat eiseres op 8 juli, 1 juli of 1 januari 2005 de intentie had om een BTW-activiteit te starten.

2. De regeling die vroeger door de BTW-administratie gehanteerd werd waardoor de belastingplichtige de BTW op investeringen die zij als niet-belastingplichtige aangekocht hadden, in hun voordeel konden herzien (ingevolge beslissing nr. E.T. 18.235 van 10 november 1976 in uitvoering van artikel 49 W.BTW en artikel 21, tweede lid, 3° van het KB nr. 3 van 10 december 1969) werd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in haar arrest van·2 juni 2005 inzake Waterschap Zeeuws-Vlaanderen (G-378/02) van tafel geveegd.

Ten gevolge hiervan heeft de administratie in haar beslissing nr. E.T. 110.412 van 20 december2005 (gepubliceerd op 13 januari 2006 ) beslist om de zogezegde 'historische BTW' niet langer toe te staan aan diegene die op 1 juli 2005 nog niet de hoedanigheid hadden van BTW-belastingplichtigen.

3. Eiseres kan in haar stelling gevolgd worden dat de bestaande nationale regeling zoals die was uitgewerkt in de beslissing van 10 november 1976 niet retroactief kan worden ingetrokken omwille van een interpretatie die het Hof van Justitie geeft aan een richtlijnbepaling die door de Nationale lidstaat niet correct was geïmplementeerd in de nationale rechtsorde. Een richtlijn kan immers uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen.

De administratie kan zich dan ook niet op de Zesde BTW-Richtlijn zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in haar arrest Waterschap Zeeuws-Vlaanderen (C-378/02), baseren om aan de belastingplichtigen het recht op aftrek inherent aan voorheen reeds gedane investeringen, dat zij vorderen op grond van de beslissing nr. E.T. 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van artikel 49 W.BTW en artikel 21, tweede lid, 3° KB nr. 3 van 10 december 1969, te ontzeggen.

4. Verder is het ook zo dat de beslissing van 20 december 2005 het algemeen beginsel van de non retroactiviteit (verwoord in artikel 2 B.W. en artikel 108 Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen) schendt, aangezien zij een aftrekregeling ontzegt aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid hebben verworven na 1 juli 2005. Hooguit kan deze aftrek maar ontzegd worden aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid maar hebben verworven na 13 januari 2006, datum van publicatie van de beslissing van 20 december 2005.

5. Op basis van het voorgaande kan eiseres het recht van aftrek van voorbelasting dat drukt op de rioolinvesteringen van vóór 23 december 2005 niet ontzegd worden.

De bestreden dwangbevelen dienen dan ook te worden vernietigd.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

D. Betreffende de kosten

Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen 500.000 en 1.000.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 10.000,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Voegt de zaken 09/695/A en 09/2406/A samen.

Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.

Vernietigt het dwangbevel d.d. 17 november 2008 en zegt voor recht dat aan het betreffende dwangbevel geen gevolg mag worden gegeven.

Vernietigt het dwangbevel d.d. 1 oktober 2009 en zegt voor recht dat aan het betreffende dwangbevel geen gevolg mag worden gegeven.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van alle eventuele in uitvoering van vermelde dwangbevelen betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet, vanaf data van inhouding of betaling tot de datum van volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 10.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag veertien juni tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleemechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. D. P. L.

Textes cités

2