Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 23 décembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruges-2009-12-23-92ec

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
23 décembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 23.12.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 08/3740/A Rep. nr. 2009/16.204

De NV F. & CIE, (KBO-nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester L. S., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 1 december 2008.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 25 november 2009.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer … voor de activiteit van varkensteelt, varkenshandel, goederenvervoer, verhuur van voertuigen, loonwerk en tuinbouwbedrijf. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 12 december 2006 werd door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, belastingen en invorderingen, sector BTW verbonden aan het tweede BTW-controlekantoor te Torhout, bij eiseres een beperkte controle van de boekhouding uitgevoerd inzake de toepassing door eiseres van de BTW-wetgeving en reglementering betreffende de investeringen met betrekking tot het gebouw gelegen te …, …, over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2006.

De vastgestelde inbreuken werden aanvankelijk opgenomen in een correctieopgave en gelet op het uitblijven van een minnelijk akkoord werden op 21 oktober 2008 de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar.

Volgens de administratie heeft eiseres ten onrechte de BTW op facturen voor verbouwingswerken aan het gebouw gelegen te …, …, in aftrek gebracht.

Op 24 oktober 2008 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, een dwangbevel uitgevaardigd waarbij volgende sommen verschuldigd werden verklaard : 122.584,56 EUR als BTW en 12.250 EUR als geldboete en intresten vanaf 21 oktober 2006 op het BTW-bedrag.

Voormeld dwangbevel werd op 27 oktober 2008 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van het derde BTW-controlekantoor te Brugge daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.

Op 28 oktober 2008 volgde de kennisgeving van voornoemd dwangbevel aan eiseres.

Op 1 december 2008 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie neer.

2.2. Eiseres vraagt dat: het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat de overeenkomst tussen eiseres en de bezetters van het kwestieuze onroerend goed overeenkomstig artikel 18, § 1 W.BTW als een BTW onderworpen dienst moet worden beschouwd daar het contract tot voorwerp heeft : "(...) 6° (…) de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen", dat aldus gezegd wordt voor recht dat de betreffende overeenkomst aan de BTW onderworpen is en dat verweerder de BTW-aftrek ad. 122.584,56 EUR voor werken aan het gebouw dient toe te staan, dat de administratieve beslissing in die zin hervorm wordt, subsidiair dat eiseres niet veroordeeld wordt tot een geldboete zoals bedoeld in artikel 59, § 1 W.BTW, subsidiair dat indien de rechtbank zou oordelen dat er sprake is van een vrijgestelde onroerende verhuur, te bevelen dat verweerder het teveel zal terugbetalen aan eiseres en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat : het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve. zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.·

3.2. nopens de grond

3.2.1. de BTW

a. De betwisting tussen partijen gaat in hoofdzaak over het feit of de (voorlopige) overeenkomst afgesloten in de tussentijdse periode (2006-2008) tussen eiseres en de BVBA F. en Co, NV B. en BVBA I. M. P. als een onroerende verhuur, waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt verweerder) of als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen bij toepassing van artikel 18, § 1, 6° W.BTW (standpunt eiseres).

b. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belastingen vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met uitzondering van (onder meer) de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

Conform artikel 18, § 1, tweede lid, 6° en 9° W.BTW zijn het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen ende terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen belaste diensten.

De vrijstelling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/3/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto .

c. Uit het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2008 blijkt dat de BVBA F. en C° verbouwingen heeft uitgevoerd aan het gebouw in de … te …. Een deel van het gebouw werd nl. ingericht als vleesuitsnijderij en diepvries- en koelruimten. Dit gedeelte van het gebouw wordt gebruikt door de BVBA F. en C°. De materialen voor de verbouwingen werden aangekocht en verwerkt door de BVBA F. en C° die de werken zelf heeft uitgevoerd met eigen personeel. Deze aanpassingswerken werden dan gefactureerd aan BVBA F. en C° die de hierop aangerekende BTW in haar BTW-aangiften in aftrek bracht.

Begin 2006 werd het verbouwde gedeelte in gebruik genomen door de BVBA F. en C°. De rest van het gebouw stond leeg. Omtrent deze 'huur' bestond op het ogenblik van de controle geen schriftelijke overeenkomst. Nadien werd aan de administratie een ontwerp van overeenkomst meegedeeld. De controlerende ambtenaar stelt dat uit dit ontwerp van overeenkomst blijkt dat de handelingen alle kenmerken van onroerende verhuur vertoonde zodat hierop geen BTW van toepassing is gelet op de vrijstelling ingesteld door artikel 44, § 3, 2° W.BTW. De terbeschikkingstelling van het gebouw betreft een passieve terbeschikkingstelling van ruimten en oppervlakten in het kwestieuze gebouw tegen een vergoeding in verhouding tot het tijdsverloop. De aan de administratie op 6 mei 2008 meegedeelde nieuwe versie van de ontwerpovereenkomst werd volgens de administratie aangepast in functie van de door haar gemaakte opmerkingen en opgesteld "pour les besoins de la cause" zodat er geen rekening mee kan gehouden worden.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW levert een proces-verbaal bewijs zolang het tegendeel niet is bewezen.

d. Uit artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat. Het is met andere woorden eiseres en niet verweerder die de bewijslast draagt dat de voorwaarden en het recht op aftrek vervuld zijn. Eiseres dient het bewijs te leveren dat het een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen betreft in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW. Op geen enkele manier bewijst eiseres echter dat het een recht om· een beroepswerkzaamheid uit te oefenen betreft in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW.

Uit lezing van de diverse ontwerpen der overeenkomst stelt de rechtbank samen met de administratie vast dat de nieuwe versies van de "ontwerpovereenkomst" ontstonden door aanpassing van de vorige ontwerpovereenkomst in functie van de door de administratie gemaakte opmerkingen zodat deze "pour les besoins de la cause" geredigeerde ontwerpovereenkomst buiten beschouwing·dienen gelaten te worden en enkel de eerste versie van de ontwerpovereenkomst in aanmerking genomen wordt (stuk 10 - verweerder).

Uit deze ontwerp overeenkomst blijkt dat de essentie van wat tussen de contracterende partijen overeengekomen werd in hoofdzaak ertoe strekt ruimtes ter beschikking te stellen in het kwestieuze onroerend goed tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop en geïndexeerd wordt. Nergens blijkt uit de overeenkomst dat de ''verlener'' van het gebruiksrecht op actieve wijze andere diensten aan de gebruikers van het gebouw biedt, die voor een andere kwalificatie in aanmerking kunnen komen dan deze van passieve terbeschikkingstelling.

Zo bepaalt artikel 1 der ontwerpovereenkomst dat de "verlener" nog min nog meer een pand ter beschikking stelt aan de exploitanten die het zullen gebruiken voor de uitvoering van hun bedrijfsactiviteiten. Andere diensten worden door de "verlener" niet voorzien.

Elke medecontractant wordt in de mogelijkheid gesteld zijn eigen activiteiten te ontplooien in het kwestieuze pand en kunnen zelfs in onderling overleg beslissen om de verdeling van de te gebruiken oppervlakte te wijzigen in afwijking van de overeenkomst (stuk 10, art. 2, 3 en 11 - verweerder).

De gebruikers hebben het exclusieve genot van het kwestieuze pand daar ze niet alleen over de sleutels beschikken, maar de eigenaar van het gebouw geen toegang heeft tot het gebouw tenzij voor het verrichten van de noodzakelijke onderhouds- of herstellingswerken, gebruikelijk ingeval van verhuur.

Op basis van de vaststellingen van het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2008 en het gebrek aan bewijs door eiseres, oordeelt de rechtbank dat niet bewezen is dat de overeenkomst tussen eiseres en de BVBA F. en Co, NV B. en BVBA I. M. P. gekwalificeerd kan worden als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW.

3.2.2. de boete

a. Eiseres vraagt de kwijtschelding van de boete.

b. Een boete van 12.250 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte of in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het gelijkheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dit kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich mee dat de rechtbank de belastingplichtige, om louter redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

c. Concreet is de rechtbank van oordeel dat een administratieve geldboete gepast is.

Uit het proces-verbaal blijkt immers dat eiseres ten onrechte BTW heeft afgetrokken.

Deze vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd. De betwisting tussen eiseres en de administratie is geen puur theoretische betwisting. Zoals reeds gesteld is het eiseres die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek zijn vervuld en eiseres heeft dit tegenbewijs niet geleverd.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

De eis is op dit punt ongegrond.

3.3. nopens de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk gesteld wordt, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen. De gerechtskosten bedragen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde 5.000,00 EUR, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 5.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag drieëntwintig december tweeduizend en negen.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.