Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 22.03.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR.nr. 02/486/A :
van
de heer V. E., havenarbeider, en zijn echtgenote mevrouw V. C., zelfstandige, samenwonende te …, …,
eisers,
vertegenwoordigd door meester D. G., advocaat te ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, Vincke Dujardinstraat nr.4,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 1 maart 2005, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. het gedinginleidend verzoekschrift van 21 februari 2001 met verzet tegen het dwangbevel dat op 7 februari 2002 is uitgevaardigd;
2. de conclusie voor verweerder van 26 maart 2002;
3. de conclusie voor eisers van 16 september 2002;
4. de conclusie voor verweerder van 2 juli 2003;
5. de conclusie voor eisers van 4 november 2003;
6. de conclusie voor verweerder van 28 januari 2004;
7. de conclusie voor eisers van 11 februari 2004 en
8. de conclusie voor verweerder van 26 maart 2004.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Nadat hun aanvankelijke plannen door de stad Brugge waren afgekeurd omdat ze als nieuwbouw bestempeld werden, bekwamen eisers op 24 december 1997 een bouwvergunning voor de verbouwing van hun woning aan de … te ….
De vergunning werd verleend aan de hand van een architectenplan waarop de bestaande en de nieuwe toestand telkens in dezelfde tekeningen werden weergegeven.
De facturen voor de werken in onroerende staat werden door de aannemers aangerekend tegen het verlaagd tarief van 6 procent.
Op 25 februari 2000 hebben eisers bij de BTW-diensten hun dossier ingediend, wat aanleiding gaf tot een controle. Na onderlinge afspraak werd op 3 juli 2001 ter plaatse een afspraak gemaakt. Van de bevindingen door de controleambtenaar en van de verklaringen van eisers werd op 9 augustus 2001 proces-verbaal opgemaakt.
De feiten die daarin beschreven zijn, maken de essentie uit van de betwisting tussen de partijen, zodat deze, waar nodig, bij de bespreking ten gronde worden ontmoet.
Aan de hand van dat proces-verbaal en de stukken uit het dossier heeft die controleambtenaar op 22 januari 2002 een proces-verbaal opgemaakt waarin geconcludeerd wordt dat er ten onrechte sprake zou zijn van de toepassing van het verlaagd tarief voor 'omvorming, renovatie, rehabilitatie of verbetering'. Door op de maatstaf van heffing van de gefactureerde werken in onroerende staat niet 6 % maar 21 % toe te passen, berekende de controleagent dat eisers aan de Schatkist een bijkomend bedrag van BTW verschuldigd waren van … euro (… frank). Daarbovenop werd een verminderde proportionele boete van … euro (… frank) verschuldigd verklaard.
Bij gebrek aan betaling door eisers werd op 4 februari 2002 voor diezelfde bedragen meer de moratoire interest op de geldboete en meer de vervolgingskosten een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel werd op februari 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en per aangetekende brief van 7 februari 2002 aan eisers betekend.
Met een verzoekschrift van 21 februari 2002 stelden eisers hun huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eisers vorderen dat de rechtbank het dwangbevel zou teniet doen, minstens ongegrond zou verklaren, de betwiste BTW-aanslag zou vernietigen en zou zeggen voor recht dat eisers ervan bevrijd zijn.
Subsidiair vorderen zij dat de geldboete zou worden kwijtgescholden of zou worden verminderd. Eisers vragen bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vordert dat de vordering van eisers door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eisers zouden verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BESPREKING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Voorwerp van de beoordeling
De rechtbank moet beoordelen of de werken in onroerende staat die door en in opdracht van eisers op de betreffende plaats zijn uitgevoerd, 'de omvorming, renovatie, rehabilitatie of verbetering' van de vroegere woning van eiseres tot voorwerp hebben. De andere voorwaarden om van het verlaagd BTW-tarief te kunnen genieten, zoals voorzien in rubriek XXXI van tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970, staan niet ter discussie.
Deze vraag is een feitenkwestie.
2.2. Algemeen
De vraag kan niet eenvoudig beantwoord worden door vast te stellen dat eisers op het vlak van de stedenbouw (onmiskenbaar) slechts toelating hebben gekregen tot verbouwing vermits hun vorige bouwaanvraag werd afgewezen omdat de ingediende plannen als een 'herbouwen' bestempeld werden, terwijl op de betreffende ligging alleen 'verbouwing' kon worden toegestaan. Afgezien van het feit dat de invulling van het begrip 'verbouwing' voor de stedenbouw niet noodzakelijk samenvalt met deze voor de invulling van het BTWtarief en dat de beoordeling door de stedenbouwkundige administratie verweerder niet bindt, is er feitelijk zelfs gebleken dat de goedgekeurde plannen niet rigoureus werden gevolgd. Onder andere is gebleken dat de muren van de oude stallen (waar aanvankelijk voorzien was om die te behouden vermits er sprake is van het dichtmetsen van de raamopeningen) volledig werden afgebroken en met nieuwe stenen opnieuw werden opgetrokken, na het aanbrengen van een volledig nieuwe muur in nieuwe baksteen. Hetzelfde geldt voor het gedeelte van de gevels van het voorgebouw vanaf de verdieping (alleen de muren van de benedenverdieping werden behouden).
Verweerder benadert de kwestie dan weer vanuit de administratieve richtlijnen. Waar deze ongetwijfeld een richtlijn zijn en vooral een basis voor de rechtszekerheid vormen, zijn ze nochtans geen formele bron van recht. De rechtbank moet de zaak beslechten op basis van de wetteksten.
Verweerder laat evenwel met reden gelden dat de wettekst veel beperkter is dan de administratieve invulling in de circulaire nr. 6/1986 waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' (transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekening worden uitgelegd. Zij omvatten normaal gezien geen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, § 3, 1 van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits er steeds van uitgegaan wordt dat er niet van 'nul' vertrokken worden, met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'.
Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verslaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie in 1994 besliste om tot een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan door het standpunt als volgt aan te vullen :
De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.
Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.
De rechtbank kan een dergelijke toegeving niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.
2.3. Concrete invulling
2.3.1. Beschrijving van de toestand
Zoals uit de stukken blijkt (waaronder het proces-verbaal van 9 augustus 2001 dat, wat de vaststelling door de ambtenaar betreft, bijzondere bewijswaarde, namelijk tot bewijs van het tegendeel heeft), kunnen de werken als volgt beschreven worden :
- er is een moderne woning opgetrokken met op de benedenverdieping een inkom met traphal, toilet, eetplaats, zitplaats keuken, technische ruimte, garage, sas, koele berging, wasplaats, twee stallen en een fietsenberging en dit op de plaats waar voorheen een woning stond met een zitplaats, eetplaats, binnenhal met trap, badkamer, slaapkamer, keuken, wasplaats, twee stallen en een berging; de plaats van de buitenmuren is dezelfde gebleven met dien verstande dat er een toevoeging (uitbreiding) gebeurd is om er de zitplaats in onder te brengen; de buitenmuren zelf zijn volledig afgebroken en vernieuwd in de achterbouw (stallen, wasplaats, sas, koele berging en fietsenberging); daar werden ook de binnenmuren volledig vernieuwd; in het voorgebouw werden de binnenmuren op een klein stukje na (tussen de keuken en de technische ruimte) volledig gesloopt, terwijl er op andere plaatsen nieuwe binnenmuren werden gezet;
- de bovenverdieping bevindt zich, zoals voorheen, alleen in het voorgebouw en bestaat uit twee slaapkamers (ongeveer op de plaats waar vroeger ook slaapkamers waren) en een nachthall (met trap), een badkamer en een berging; de buitenmuren van de bovenverdieping werden volledig vervangen en de binnenmuur werd deels gesloopt, terwijl er nieuwe extra binnenmuren werden geplaatst;
- het dak werd volledig verwijderd en vervangen door een nieuw dak;
- voor de achterbouw werden nieuwe funderingssleuven aangebracht.
2.3.2. Analyse
De hoger vermelde uitgangspunten brengen met zich dat het niet van belang is dat eisers de muren van de achterbouw weer op dezelfde plaats hebben gezet als waar er vroeger al muren (zowel binnen- als buitenmuren) stonden. Deze werkwijze is en blijft een geval van afbraak met nieuwbouw. Het bestaande gebouw is immers niet gerenoveerd of omgevormd maar integraal vervangen. Overigens werden daartoe ook nieuwe funderingen aangebracht. Aan de andere kant is het volume en de vorm van de achterbouw wel behouden.
Het vervangen van het bovenste gedeelte van de buitenmuren van het voorgebouw, moet op zich wel als een renovatie worden beschouwd. Gelet op het feit dat de gewelven tussen de beneden- en eerste verdieping vervangen werden (met het oog op een betere (bouwtechnisch gezondere) constructie) en ongetwijfeld in het algemeen om de stabiliteit ten goede te komen, werd immers niet meer dan een nieuw muurgedeelte op het onderste muurgedeelte (en dus op de bestaande funderingen) opgetrokken.
Het vervangen van het dak, met inbegrip van het dakgebinte van dat voorgebouw was van dan af uiteraard onvermijdelijk, maar moet ongetwijfeld ook beantwoord hebben aan een noodzaak om tot een bouwtechnisch gezondere woning te komen, zodat er hier sprake is van saneren en dus van renoveren van een bestaand gebouw.
Ten onrechte stelt verweerder dat de bovenverdieping als een nieuwbouw zou moeten worden beschouwd omdat alleen het gedeelte van het bestaande gebouw dat nog in het eindresultaat terug te vinden, kan worden meegeteld als 'oorspronkelijk' gebouw bij de controle op basis de oppervlakte. Het criterium van de verdubbeling van de oppervlakte is immers duidelijk - volgens de termen van de administratieve richtlijnen - voor de gevallen van 'uitbreiding' van het oorspronkelijk gebouw. Het vernieuwen van het bovenste deel van de muren (in dezelfde vorm en hoogte) is evenwel geen uitbreiding.
Van dan af is het duidelijk dat al voldaan is aan de grens van de verdubbeling. De oppervlakte van het (behouden) voorgebouw bedraagt namelijk (72,27 m x 2 =) 144,54 m terwijl de totale oppervlakte na uitvoering van de werken slechts 250,28 m beslaat.
Verder is duidelijk dat eisers van een oude woning, zonder af te wijken van de oorspronkelijke vorm en met een beperkte uitbreiding een nieuwe woning gemaakt hebben door een voldoende betekenisvol gedeelte van het oorspronkelijk gebouw te behouden. Waar zij, behoudens herindeling, ook een deel volledig vernieuwd hebben, blijkt het om een echte 'renovatie' te gaan.
In die omstandigheden is het verlaagd tarief verantwoord. De vordering van eisers is daar om gegrond.
3. De gerechtskosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel dat ten nadele van eisers op 4 februari 2002 werd uitgevaardigd onder R.C.I.V.-nummer … en op 6 februari 2002 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en zegt voor recht dat er geen uitvoering mag aan gegeven worden.
De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van eisers :
- rechtsplegingsvergoeding : … euro
terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op tweeëntwintig maart tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.