Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 09.04.2001
Résume non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 00/673/A
de NV D. W., (H.R. Brugge nr. …), met zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester J. G., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te …
EN
In de zaak 01/834/A
de NV D. W., (H.R. Brugge nr. …), met zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester J. G., advocaat te …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet de dato 2 maart 2000 in de zaak 00/673/A.
Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning de dato 19 maart 2001 in de zaak 01/834/A.
De rechtbank nam kennis van het dossiers van de rechtspleging.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 19 maart 2001.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van dienstencentrum boekhouding en softwarebureau. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 29 oktober 1998 werd door een ambtenaar bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1995 tot 31 december 1998.
Bij gebrek aan akkoordverklaring werd op 9 augustus 1999 door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 3 november 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de met de invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 23 november 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. D., directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 20 december 1999 door de heer Ontvanger bij deurwaardersexploot, op grond van artikel 85, § 3 W.BTW, betekend aan eiseres.
2.2. Eiseres vraagt dat de zaken 00/673/A en 01/834/A worden samengevoegd en dat de vorderingen ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en dat eiseres uit hoofde van het dwangbevel geen BTW is verschuldigd. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoedingen, zijnde 2 x … Bf. en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging en vordert dat de vorderingen ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 2 x … Bf., uit hoofde van de rechtsplegingsvergoedingen.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de samenvoeging
Beide zaken betreffen identieke betwistingen. Op vraag van de partijen kunnen beide zaken dan ook worden samengevoegd.
3.2. nopens de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak 00/673/A
3.2.1. De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 2 maart 2000.
3.2.2. Het artikel 89, 2° lid W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
3.2.3. Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling : "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte".
Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
3.2.4. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende : "In boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak".
In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.
3.2.5. Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht (Lex specialis derogat legi generali).
In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97, derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (art. 1385decies en undecies van het gerechtelijk wetboek).
3.2.6. Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.
De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis de dato 9 november 2000 in de zaak … vs. BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.
3.2.7. Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, meer bepaald in de jaren 1994, 1995, 1996, 1997 en 1998, zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.
Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie houdt de miskenning ervan zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, RW. 1994-1995, p. 1017).
3.3. ten gronde
3.3.1. Eiseres stelt dat het proces-verbaal de dato 9 augustus 1999 regelrecht ingaat tegen het schrijven van de hoofdcontroleur D. de dato 3 augustus 1989 waarbij deze stelt dat de handelingen en overeenkomsten door eiseres opgesteld voldoen aan artikel 18, § 1, 6° W.BTW, zodanig dat eiseres een volledige belastingplichtige is en derhalve recht op aftrek kan uitoefenen voor al de inkomende BTW op haar facturen. Dat ingevolge dit akkoord eiseres in de waan verkeerde dat zij daar terecht mocht op vertrouwen. Wanneer verweerder terugkomt op dit akkoord wordt het vertrouwensbeginsel geschonden zodat het dwangbevel nietig is.
3.3.2. Op 3 augustus 1989 werd door de hoofdcontroleur van het tweede controlekantoor van de BTW te Brugge geantwoord op de gestelde vraag om inlichtingen van 3 april 1989 van eiseres. In voormeld schrijven van 3 augustus 1989 staat het volgende : "In afwijking van uw oorspronkelijk schrijven van 11 april 1989 en in functie van naderhand gewijzigde stellingname en volgens voorgelegde typeovereenkomsten kan ik mij aansluiten dat luidens artikel 18, § 1, 6° W.BTW, die overeenkomsten een BTW-dienstprestatie omvatten. Er moet dan ook worden gesteld dat het geheel van de onderscheiden afgesloten overeenkomsten in het kader van de vooropgestelde bewoordingen, welke ook de genieter weze, als een exclusief recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen moet worden aangestipt".
Op 6 oktober 1989 werd echter door de bevoegde hoofdcontroleur aan eiseres aanvullende inlichtingen gevraagd teneinde na te gaan of de werkelijke toestand wel beantwoorde aan de door eiseres voorgespiegelde situatie. Op basis van het gevoerde heronderzoek is dan gebleken dat het door de administratie op 3 augustus 1989 ingenomen standpunt niet overeenstemde met de werkelijkheid en met de wettelijke bepalingen ingevolge die werkelijke toestand.
Op 11 september 1990 werd dan ook het gewijzigde standpunt van de administratie aan eiseres medegedeeld. Op 27 september 1990 werd eiseres er door verweerder uitdrukkelijk op gewezen dat het in casu gehanteerde principe en de getroffen beslissing berusten op een stellingname door de centrale administratie van de BTW te Brussel.
3.3.3. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal de dato 9 augustus 1999 in tegenstrijd is met het ingenomen standpunt dat vertolkt werd in het schrijven de dato 3 augustus 1989. Voormelde stelling van 3 augustus 1989 werd echter enkel ingenomen ingevolge de verkregen informatie vanwege eiseres. Na het op 6 oktober 1989 gestarte heronderzoek is echter gebleken dat eiseres een verkeerde feitelijke toestand aan verweerder heeft voorgelegd. Verweerder heeft dan ook bij brief de dato 11 september 1990 eiseres verwittigd van het gewijzigde standpunt en duidelijk gesteld dat eiseres slechts gedeeltelijke aftrek kon doen van de BTW, daar zij gemengde belastingplichtige was.
De rechtbank stelt vast dat het schrijven de dato 3 augustus 1989 geen dading inhoudt tussen eiseres en verweerder omtrent de omvang van het recht op aftrek. Verweerder heeft enkel een vraag or n inlichtingen, welke niet de werkelijke toestand beschreef, beantwoord. Het verstrekte antwoord geeft eiseres ook niet het recht te denken dat er een dading werd afgesloten. Verweerder kon dus perfect op basis van de nieuw verkregen informatie die met de werkelijkheid overeenstemde, haar standpunt wijzigen en een definitief proces-verbaal opstellen.
In gelijkaardige zin oordeelde het Hof van Beroep te Brussel op 19.03.1991 waar gesteld werd dat de administratie mag terugkeren op een akkoord met de belastingplichtige wanneer het onderzoek van het bezwaarschrift heeft aangetoond dat de betrokkene bij het afsluiten van het akkoord vrijwillige onduidelijke gegevens heeft verstrekt.
3.3.4. Verweerder heeft bijgevolg het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
3.3.5. Eiseres stelt dat zij een volledige belastingplichtige is omdat zij als bedrijvencentrum lokalen en ruimten ter beschikking stelt van haar klanten om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en lokalen ter beschikking stelt zonder een exclusief recht van genot te verlenen. Het geheel van deze prestaties is dan ook een dienst welke bedoeld wordt onder artikel 18, § 1, 6° W.BTW.
3.3.6. De rechtbank stelt vast dat door eiseres met elke partner (zelfstandige ondernemingen en organisaties) afzonderlijk een overeenkomst werd afgesloten "tot het verstrekken van diensten en het verlenen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen”. Uit het door verweerder verricht onderzoek naar de feitelijke toestand bleek dat iedere zaakvoerder van een in het complex gevestigde onderneming in het bezit was van een sleutel van de toegangsdeur tot het complex en tevens in het bezit was van een sleutel die toegang gaf tot de eigen toegewezen lokalen, waardoor hun werkzaamheid zich niet diende te beperken tot de door eiseres toegepaste openingsuren. Ook bleek dat in nagenoeg alle overeenkomsten de ter beschikking gestelde ruimte contractueel was bepaald.
Verder bleek dat de contracten afgesloten werden voor een zekere tijd, dat er een prijs was vastgesteld in de contracten en dat deze prijs gekoppeld was aan de evolutie van het indexcijfer.
Het is dan ook duidelijk dat we hier te doen hebben met overeenkomsten waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een uit zijn aard onroerend goed te doen hebben gedurende een zekere tijd en tegen een vergoeding die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen.
De essentiële kenmerken van een onroerende verhuur zijn bijgevolg aanwezig.
3.3.7. Eiseres stelt verder dat de opgestelde contracten overeenkomsten zijn tot verlening van het exclusief recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Aangezien het voorwerp van deze contracten het recht is om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, valt volgens eiseres deze dienst wel onder de toepassing van het BTW-stelsel (artikel 18, § 1, 6° W.BTW).
Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat uit de voorgelegde contracten blijkt dat eiseres absoluut niet geïnteresseerd is in de aard van de beroepswerkzaamheid die er in haar lokalen wordt uitgeoefend gezien zij in geen enkel contract vermeld of beschreven is. Het essentiële voorwerp van de overeenkomst is met andere woorden niet het uitoefenen van een welbepaalde beroepswerkzaamheid, maar wel de terbeschikkingstelling van een ruimte. Het gaat hier dus duidelijk om onroerende verhuur.
3.3.8. De terbeschikkingstelling van de lokalen door eiseres aan haar klanten vertoont alle kenmerken van een onroerende verhuur. Dit is niet onderworpen aan de BTW, en kan bijgevolg ook geen aanleiding geven tot de aftrek van de BTW.
Eiseres slaagt er niet in om de vaststellingen die door de verbalisant ter plaatse werden verricht en die door hem werden geacteerd in zijn proces-verbaal, te weerleggen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Voegt de beide zaken met A.R. nr. 00/673/A en A.R. nr. 01/834/A samen.
Verklaart het verzet in de zaak met A.R. nr. 00/673/A onontvankelijk.
Verklaart het verzet in de zaak met A.R. nr. 01/834/A ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres in beide zaken tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 2 x … Df., uit hoofde van de rechtsplegingsvergoedingen.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negen april tweeduizend en één.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.