Champ d'application, opération imposable, service, exonération, autre exemption, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 8 décembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, opération imposable, service, exonération, autre exemption, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-operation-imposable-service-tribunal-bruges-2008-12-08-ded2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
8 décembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

78 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 08.12.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/536/A Rep. nr. 2008/16918

de BVBA J., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester S. B. (balie Kortrijk) loco Meester M. V., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 16 februari 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 november 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van herstel van computers en de handel in vijverbenodigdheden en toebehoren, tuinbenodigdheden, bloemen en planten. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgevingen de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 31 januari 2006 en 30 oktober 2006 werd door H. C., adjunct-fiscaal deskundige bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, verbonden aan het controlekantoor van Brugge 4, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 2003 - 2004.

Op 27 november 2006 werd een regularisatieopgave opgemaakt. Op 6 december 2006 werd door eiseres bezwaar aangetekend tegen deze regularisatieopgave.

Op 15 december 2006 werden de overtredingen en vaststellingen .opgenomen in een proces-verbaal door voormede ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres inbreuken gepleegd op de aftrekregeling, op de toepassing van de verlegging van de heffing en inzake intracommunautaire leveringen. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 100.300,79 EUR, als geldboete 9.960,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2005.

Op 18 december 2006 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 19 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 20 december 2006 aangetekend verzonden aan eiseres.

Op 16 februari 2007 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- voor recht wordt gezegd dat het bezwaar d.d. 6 december 2006 ontvankelijk en gegrond is;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door eiseres reeds betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de datum der betaling;

- verweerder te veroordelen tot de kosten die tot uitvoering van de bestreden beslissing zijn of zullen worden gemaakt, inclusief de advocaatkosten;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. betreffende het dwangbevel

1.1. Volgens eiseres is het bestreden dwangbevel nietig wegens niet afdoende gemotiveerd. De juridische en feitelijke redenen ontbreken in het dwangbevel.

1.2. Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige ineen wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot daadwerkelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is.. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen.

De wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn". M.a.w. de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld.

In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli heeft geleid werd de motiveringsplicht onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen".

Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze. De motiveringsplicht moet beschouwd worden als een resultaatsverbintenis en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Wanneer achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantieel vormvereiste geschonden.

1.3. Het proces-verbaal van 15 december 2006 dient als motivering van het betwiste dwangbevel. Het proces-verbaal vermeldt bij de vaststellingen in rubriek 1 (inbreuk op de aftrekregeling; zijnde de enige inbreuk die in huidig geding nog betwist wordt) de overeenkomsten d.d. 21 november 2003 en 24 februari 2004 tussen eiseres en BVBA A., de overeenkomst tussen eiseres en de heer en mevrouw S.-D. B., een verwijzing naar de gegevens van de Kruispuntbank der Ondernemingen wat betreft BVBA A., een verklaring van de heer J. S., de bouwplannen, een verwijzing naar de toelichting bij de jaarrekening op 31 december 2003 van eiseres. Op basis van de vaststellingen wordt besloten dat eiseres een onroerende verhuur factureert aan BVBA A.. Er wordt verwezen naar artikel 44, § 3, 2° W.BTW. Een lijst wordt vermeld met de inkomende facturen van 2003 en 2004 die. betrekking hebben op het betreffende onroerend goed, met vermelding van leverancier, omschrijving, maatstaf van heffing, BTW op aankoop, BTW in aftrek en terug te storten BTW.

Verder wordt verwezen naar artikel 59, § 1 W.BTW en wordt de verschuldigde BTW en de boete berekend.

Ook wat betreft de rubrieken 2 en 3 wordt verwezen naar de toepasselijke artikelen uit het W.BTW en worden de vaststellingen vermeld.

1.4. De rechtbank stelt dan ook vast dat de juiste en draagkrachtige feitelijke en juridische redenen van de beslissing worden vermeld zodoende dat het dwangbevel afdoende gemotiveerd is.

2. terbeschikkingstelling van bergruimte of onroerende verhuur

2.1. De betwisting tussen partijen gaat in hoofdzaak over het feit of de overeenkomst tussen eiseres en BVBA A. als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen bij toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 9° W.BTW (standpunt van eiseres).

2.2. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met uitzondering van (onder meer) de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

Conform artikel 18, § 1, tweede lid, 9° W.BTW is de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen een belastbare dienst.

De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto.

In de Administratieve beslissing nr. ET 84.364 van 29 september 1995 (BTW-revue, 1996, 69) en de administratieve verduidelijking van deze beslissing (BTW-revue, 1996, 493) wordt onder meer gesteld dat de terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen slechts aan BTW onderworpen is indien de terbeschikkingstelling betrekking heeft op afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte worden gebruikt. De vrijstelling van BTW is van toepassing t.a.v. de terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat zowel wordt gebruikt als opslagruimte, als voor de verkoop (exploitatie) van de erin opgeslagen goederen, of als kantoorruimte. In dergelijk geval gaat het om de huur van een uit zijn aard onroerend goed dat niet uitsluitend als opslagruimte kan worden gebruikt. De administratie aanvaardt dat dit niet .geldt voor het kantoor of de plaats die in de bergruimte is voorzien voor de personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen, voor zover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw.

2.3. Ten onrechte stelt eiseres dat de administratie een voorwaarde toevoegt aan de wet door te stellen dat de bergruimte een exclusief karakter moet hebben. Het begrip 'bergruimten voor het opslaan van goederen' is niet gedefinieerd in de Zesde Richtlijn of in de Belgische wetgeving. Er dient dan ook gekeken worden naar wat gebruikelijk onder 'bergruimte' wordt verstaan, zijnde gebouwen of ruimten die voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig worden gebruikt. Ruimten worden pas bergruimten, door de bestemming die aan deze ruimten wordt gegeven. Van zodra een ruimte enige andere bestemming krijgt (zelfs gedeeltelijk), is de ruimte niet langer te beschouwen als een bergruimte.

Evenwel dient aanvaard te worden dat personen die belast zijn met het beheer van de in de bergruimte opgeslagen goederen, de beschikking hebben over een plaats of kantoor. Deze plaats of kantoor dient louter voor het beheer van de opgeslagen goederen in de bergruimte of met ander woorden het moet nog steeds een bergruimte betreffen waarbij elk gebruik van de ruimte in dienst staat van het opslaan van goederen (anders is het geen bergruimte meer). De administratie aanvaardt zodoende evenmin in strijd met de wet, een tolerantie waarbij gesteld wordt dat het nog steeds een terbeschikkingstelling van een bergruimte betreft wanneer de oppervlakte van het kantoor of de plaats voor personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen. niet meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw. Een plaats of kantoor die meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw is geen plaats of kantoor meer voor louter het beheer van de opgeslagen goederen, en het betreft dan ook geen bergruimte.

2.4. Uit het proces-verbaal d.d. 15 december 2006 blijkt dat BVBA A. als activiteit heeft fabricage en assemblage van alle onderdelen in plastiek bestemd voor aquariums. De vennootschap heeft geen enkele andere vestiging dan het betreffende goed. Het pand wordt dus gebruikt als maatschappelijke zetel en administratieve zetel (boekhouding, aan- en verkoopactiviteiten, administratie). De totale oppervlakte van het pand dat 'ter beschikking wordt gesteld' aan BVBA A. bedraagt 1.879,94012. Hiertoe behoort (volgens de bouwplannen) een showroom, een bureelruimte met balie personeel, een sanitair blok, een ruimte techniek/berging, een trap, een refter, een archiefruimte en een vergaderzaal, voor een oppervlakte van 222,22 m2.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW levert een proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is. De rechtbank stelt vast dat eiseres op geen enkele manier een tegenbewijs levert.

2.5. In tegenstelling tot de bewering van eiseres is artikel 1156 B.W. niet van toepassing op de overeenkomst d.d. 21 november 2003. Een overeenkomst dient alleen uitgelegd te worden als ze onduidelijk zou zijn. De overeenkomst d.d. 21 november 2003 tussen eiseres en BVBA A. is helemaal niet onduidelijk, De vermelde overeenkomst is een huurovereenkomst betreffende een onroerend goed, wat onder meer blijkt uit :

artikel 1 : “De verhuurder verhuurt aan de huurder, die aanvaardt, volgende eigendom : een magazijn met burelen, ...";

artikel 5 : “Het verhuurde goed is bestemd voor de opslag van vijverfilters en vijvermaterialen en om te dienen als burelen van de onderneming”;

de basishuurprijs is jaarlijks herzienbaar en is jaarlijks aan te passen in functie van de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen (artikel 7);

de duur van de huur is bepaald op 9 jaar, behoudens gebeurlijke vernieuwingen. Zowel de verhuurder als de huurder kan de huur opzeggen bij het verstrijken van het derde en van het zesde jaar, mits 6 maanden vooropzeg (artikel 8);

hernieuwing van de overeenkomst kan worden aangevraagd door de huurder te hoogste 15 en ten minste 12 maanden voor het verstrijken van het contract. Voor de weigering van de hernieuwing kan de verhuurder alleen de redenen inroepen voorzien in artikel 16 van de wet op de handelshuur (artikel 9).

2.6. Op basis van de vaststellingen in het proces-verbaal d.d. 15 december 2006 en de inhoud van de overeenkomst d.d. 21 november 2003 oordeelt de rechtbank dat de overeenkomst tussen eiseres en BVBA A. d.d. 21 november 2003 als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°W.BTW van toepassing is. De overeenkomst betreft geen terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 9° W.BTW.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen 100.000,01 en 250.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 5.000,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeeld eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niette begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 5.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag acht december tweeduizend en acht.

Aanwezig·zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.